De onderzoeken van de Nederlandse Nieuwsmonitor maken onvoldoende discussie los bij de media, concludeerde minister Plasterk in zijn persbrief. De minister vindt dat de Nieuwsmonitor zich moet afvragen hoe de studies beter afgestemd kunnen worden op de mediawereld. De Nieuwe Reporter legde die vraag voor aan enkele betrokkenen en deskundigen.
Wat doet die Nieuwsmonitor eigenlijk? Als de minister al concludeert dat de studies van het instituut te weinig discussie opleveren, is het nog maar de vraag of het gros van de journalisten wel bekend is met het instituut.
De Nieuwsmonitor verricht voornamelijk kwantitatief onderzoek naar de berichtgeving in landelijke dagbladen. In het kader van de zogeheten Continu Monitor wordt gemeten hoeveel aandacht kranten schenken aan politiek nieuws, welke onderwerpen worden belicht, aan wie er in het politieke circuit aandacht wordt besteed, wat de context is van het politiek nieuws en de wijze waarop de politiek in het nieuws komt. De Continu Monitor liet bijvoorbeeld zien dat in 2006 Trouw de meeste aandacht besteedde aan politiek nieuws. Ook blijkt uit die studie dat er over de VVD in 2006 het meeste geschreven is in de krantenkolommen – destijds heerste de strijd om het lijsttrekkerschap.
Naast de Continu Monitor doet het instituut ook onderzoek naar specifieke onderwerpen in de media. De Nieuwsmonitor onderzocht de aandacht voor de Amerikaanse verkiezingen, voor Geert Wilders en Fitna en voor de affaire rondom Mabel Wisse Smit. Ook dat zijn kwantitatieve onderzoeken.
De onderzoeken richten zich op het tellen van hoe vaak een bepaalde persoon of onderwerp in het nieuws kwam en in welke context dat nieuws geplaatst werd. Welke afwegingen door de journalisten werden gemaakt, komen niet aan bod in de studies.
‘Onderzoek te beperkt’
Volgens mediadeskundigen Frank van Vree en Huub Wijfjes veroorzaken de studies weinig debat onder journalisten, omdat de gehanteerde traditionele kwantitatieve methode het onderzoek erg beperkt. “Buitengewoon indringende vragen vallen door de gebruikte onderzoekmethode buiten het perspectief van de studies”, vindt Van Vree, hoogleraar Journalistiek en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Beide deskundigen vinden niet dat de Nieuwsmonitor slecht werk doet, maar ze vinden de studies wel te beperkt.
Dat de gepresenteerde onderzoeken onder journalisten weinig discussie opleveren is volgens Wijfjes (mediahistoricus, Rijksuniversiteit Groningen) niet merkwaardig. “Het is een typische houding van journalisten om op een kwantitatief onderzoek schouderophalend te reageren. Zo’n reactie van: ‘dat wisten we toch al lang?’ De kans op debat zou veel groter zijn als de onderzoeken zich op andere zaken zouden richten. Bijvoorbeeld op het nieuwsproces of de manier waarop onderwerpen worden belicht en hoe zich dat verhoudt tot journalistieke normen.”
Van Vree sluit zich aan bij het commentaar van Wijfjes. De Nieuwsmonitor zou zich meer moeten richten op onderzoek naar de werkwijze van journalisten, de relatie tussen voorlichter en journalist, journalistieke processen en beeldvorming in de media, vinden Van Vree en Wijfjes. “Onderzoek bijvoorbeeld eens welke invloed spindoctors hebben op journalisten. Hoe gaan journalisten en voorlichters met elkaar om? Hoe werkt de parlementaire journalistiek?”, oppert Van Vree. Wijfjes voegt daar aan toe: “Kijk ook eens naar de manier waarop bepaalde politici of politieke denkbeelden worden weergegeven en hoezeer die beeldvorming van andere media zijn overgenomen. Sommige beeldvorming wordt op deze manier enorm versterkt.”
‘Volgende stap’
De voorzitter van de Nederlandse Dagblad Pers (NPD), Kees Spaan, vindt dat de onderzoeken die de twee deskundigen voorstellen de volgende stap zijn voor de Nieuwsmonitor. “Kwalitatief onderzoek is zeker erg boeiend. Maar daarvoor heb je wel de onderzoeken nodig die nu uitgevoerd worden. Je kunt pas vruchtbaar diepgaand onderzoek doen als je eerst de feiten verzameld hebt”, stelt Spaan. Volgens Van Vree is dat niet zo. “Kwalitatief onderzoek is in beginsel niet meer of minder feitelijk dan kwantitatief onderzoek.”
De NPD is overigens één van de financiers van de Nieuwsmonitor. De instantie levert een financiële bijdrage aan de Nieuwsmonitor om inzicht te krijgen in de werking van de media. De voorzitter: “Er wordt over de media buitengewoon generaliserend gesproken. Het zijn altijd de media en de veronderstelling is dat nieuws sensationeler wordt gebracht dan het is. De Nieuwsmonitor geeft met haar onderzoeken inzicht in de werking van de media en kijkt of die generalisaties wel of niet kloppen.”
Beelden
Dat de Nieuwsmonitor zich alleen op kranten richt vindt hoogleraar Van Vree “jammer”. Hij vindt het belangrijk dat het instituut zich ook op beelden gaat richten. “Als je wilt onderzoeken wat de rol van de media in de samenleving is, gaat het ook over beelden. Wat doet het bijvoorbeeld met de kijker als het NOS Journaal opent met een beeld van Tweede Kamerlid Rita Verdonk die als een Messias uit een helikopter stapt?”
Ook mediahistoricus Wijfjes maakt die opmerking. Daarnaast vindt hij dat de Nieuwsmonitor haar onderzoeken te laat presenteert. “Journalisten zijn nogal kortademig. Ze praten het liefste over wat ze vandaag of gisteren hebben gedaan. Als je dus niet snel na een grote gebeurtenis in de media een onderzoek presenteert, is het debat allang verflauwd en komt het niet meer van de grond.”
‘Ontdooien’
Van Vree en Wijfjes pleiten voor een ingrijpende koerswijziging. “Boeiend en leuk”, noemt Otto Scholten, onderzoeker bij de Nieuwsmonitor, het pleidooi van de twee deskundigen. Onderzoek naar nieuwsprocessen is volgens hem wel aan bod gekomen in de uitgebreidere studies van de Nieuwsmonitor. Scholten: “Beelden hebben we heel zijdelings gebruikt. Maar dat staat vanaf het begin wel al op onze verlanglijst.” Zodra de publieke omroep een financiële bijdrage gaat leveren aan het instituut zullen ook bepaalde programma’s worden opgenomen in de monitor, meldt Scholten. Minister Plasterk schreef in zijn persbrief dat hij met de publieke omroep daarover in gesprek gaat. De onderzoeker: “De opmerkingen liggen geheel in lijn met ons toekomstprogramma”.
Dat de studies dichter op de actualiteit moeten zitten, weet de onderzoeker ook. Scholten: “Maar er blijft altijd een spanning op dat vlak bestaan. Je kunt namelijk niet de dag nadat er iets gebeurt met een rapport komen. We streven er naar om binnen zo’n kort mogelijke tijd het onderzoek te presenteren. Onze onderzoeken over de Amerikaanse verkiezingen of Geert Wilders en Fitna zijn bijvoorbeeld uitgebracht vlak nadat het nieuws zich afspeelde.”
Scholten vindt overigens dat niet alleen de Nieuwsmonitor zich maar aan moet passen in een poging meer discussie bij de media los te maken. De journalistiek zou zich volgens de onderzoeker wel wat opener mogen opstellen. “Het moet van twee kanten komen. Journalisten mogen hun bevroren aardkorst ook wel wat meer ontdooien.”
2 reacties