Journalistiek zonder journalisten

De Amerikaanse popartiest Prince Rogers Nelson – beter bekend als Prince – wilde tussen 1993 en 1999 niet meer dansen op de tonen van zijn platenmaatschappij. Uit frustratie met de manier waarop Warner Brothers zijn naam gebruikte als marketingmechanisme en hoe hij als artiest daardoor simpelweg gereduceerd werd tot panklaar product verving hij tijdelijk zijn naam met een onleesbaar symbool. In deze periode werd meestal naar de populaire artiest verwezen als “The Artist Formerly Known As Prince” (TAFKAP).

In 2006 gebruikte de Amerikaanse wetenschapper Jay Rosen Prince’s protest als metafoor voor de ontwrichtende veranderingen die plaatsvinden in de wereld van de journalistiek. Volgens Rosen is het fundamentele probleem van het eigentijdse nieuwsbedrijf dat het in toenemende mate werkt zonder een publiek.

Mensen abonneren zich niet meer op kranten, kijken nauwelijks naar het televisienieuws, laten opinietijdschriften links liggen. Daarnaast kenmerkt het gedrag van mensen online zich vooral door het zélf media maken: weblogs, podcasts, online video op sites als YouTube. Met andere woorden: het publiek van journalistiek is niet meer en wil niet meer – het volk is beter te beschrijven als “The People Formerly Known As The Audience” (TPFKATA).

De digitale (r)evolutie maakt van alles zichtbaar maar veroorzaakt in feite maar weinig nieuws. De vergrijzing van het braaf lezende, luisterende en kijkende publiek zette zeker al in gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het is echter niet zo dat mensen nieuwe media gebruiken louter om serieuze informatie te ontwijken – bijzonder aan het gedrag van TPFKATA is dat mensen in toenemende mate hun eigen nieuws maken. Voor de journalistiek betekent dit concreet dat het gaandeweg de controle en daarmee het eigen culturele kapitaal verliest in de publieke informatievoorziening, en daarmee gaandeweg haar machtspositie in de publieke sfeer kwijt raakt.

Onrust en onzekerheid
In een dergelijke context ligt het in de lijn der verwachtingen dat het vak een omslag maakt, haar manier van denken en doen heroverweegt, collectief hard aan de weg timmert om hetzij haar macht te beschermen, dan wel deze macht effectief en creatief te delen met het voormalige publiek. Tot op zekere hoogte gebeurt dat ook.

Het aantal recente studies en publicaties over de al dan niet noodzakelijke veranderingen in de journalistiek is zowel in Nederland als daarbuiten niet meer bij te houden. Maar liefst drie internationale wetenschappelijke tijdschriften (Journalism Studies, Journalism Practice, Journalism) zijn de laatste jaren gestart welke zich min of meer exclusief aan deze thematiek wijden. Elke week vindt er wel ergens een publiek debat plaats, organiseert een nieuwsorganisatie een ‘bosberaad’, komen journalisten (en soms wetenschappers) bij elkaar op een congres. De onrust slaat toe op redacties, journalisten voelen nagenoeg allemaal dat ze iets moeten met alle digitale ontwikkelingen.

Er is, naast alle onrust en onzekerheid, ook enthousiasme over de toekomst. Nieuwe producten – zoals NRC Next, de Volkskrant “V”, of AD Sportwereld – worden in de markt gezet. Dagbladredacteuren krijgen voortaan chique mobieltjes aangemeten waarmee zij foto en video voor de website moeten schieten. Televisieredacteuren schrijven weblogs vol. Radiomedewerkers maken mooie podcasts. En gedurende dit alles hebben steeds meer mensen de mond vol van “burgerjournalistiek”, dat in de praktijk zoiets betekent als het uitbesteden van (een gedeelte van) het betaalde werk dat journalisten normaalweg zelf doen naar vrijwilligers van buiten, naar het voormalige publiek, pardon: TPFKATA.

Werkgevers
Het lijkt er dus op dat er van alles aan gedaan wordt binnen het nieuwsbedrijf om aan het machtsverlies van journalisten tegemoet te komen. Daar lijkt het op, maar dat is in feite niet wat er gaande is. Want in plaats van te investeren in creativiteit en innovatie, in het alomtegenwoordige talent op de redacties, in het krachtig steunen van de journalist in haar gevecht om de aandacht van het voormalige publiek, trekken werkgevers, eigenaars en directies in toenemende mate de handen af van de beroepsgroep. Het begint er op te lijken dat we naast het verdwijnende publiek ook moeten spreken van “The People Formerly Known As The Employers” (TPFKATE).

Tot aan medio jaren tachtig bestonden er nog nauwelijks freelancers in de Nederlandse journalistiek. In 1993 bestond 13 procent van alle journalisten in Nederland uit freelancers, en in 2000 stond dit percentage op 23. Uit een recente (2006) studie van de International Federation of Journalists blijkt dat wereldwijd meer dan een derde van alle journalisten een “atypisch” dienstverband heeft. Dat wil zeggen: werken zonder contract, zonder uitzicht op een (vaste dan wel tijdelijke) baan, zonder dat de werkgever de werknemer op enige manier steunt, zonder dat iemand verantwoordelijkheid neemt voor de cultivering van talent en daarmee nadrukkelijk investeert in de toekomst. Daarnaast bestaat de meerderheid van deze “atypische” arbeiders uit jongeren, vrouwen, en etnische minderheden.

Los van dit soort freelance of anderszins contingente dienstverbanden verdwijnen aan alle kanten van het nieuwsbedrijf honderden, zo niet duizenden journalistieke banen. In Nederland kondigden alleen al tussen juni en november 2008 alle Nederlandse uitgevers massaontslagen aan. De Telegraaf Media Groep (TMG) saneert bijna 500 voltijdbanen. De kranten van PCM moeten bezuinigen door tegenvallende advertentie-inkomsten en stijgende kosten – gedwongen ontslagen worden niet uitgesloten. Bij de Geassocieerde Pers Diensten (GPD) moet meer dan een miljoen euro bezuinigd worden. Uitgeverij Wegener heeft een reorganisatieplan in voorbereiding waarbij honderden medewerkers ontslagen worden. De redacties van RTL Nieuws en het NOS Journaal worden “cross-mediaal” geïntegreerd waarbij steeds minder mensen steeds meer media moeten bedienen. Wereldwijd zijn rapportages over toenemende frustratie, woede, en een dalend moraal aan de orde van de dag.

Democratie
De digitale (r)evolutie komt hiermee voor journalisten vooral tot uitdrukking als een overdonderend machtsverlies in twee richtingen tegelijkertijd: aan de ene kant naar het zelf media makende publiek, en aan de andere kant aan de zich razendsnelle terugtrekkende werkgever. Waar we met z’n allen dus heel hard naar op weg zijn, is een situatie waarin journalistiek zonder journalisten bedreven wordt. Hoezeer ik ook enthousiast ben over de co-creatieve en genetwerkte potentie van onze huidige digitale cultuur, het lijkt me dat een journalistiek zonder journalisten de nagel aan de doodskist van de democratie betekent. Daarmee schrijf ik dit alles in de hoop dat een onvermijdelijke catastrofe niet plaats zal vinden.

Dit artikel verscheen zaterdag 6 december in een geredigeerde versie als bijdrage aan de opiniepagina’s van NRC Handelsblad, en in meer uitgebreide vorm in het tijdschrift Tekstblad.

Mark Deuze

Mark Deuze is hoogleraar journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam.

Alle artikelen van Mark Deuze op De Nieuwe Reporter.

  • lia

    Het is vaker zo: wat in eerste instantie de ‘kwaliteit’ is, wordt een ‘valkuil’ als er een teveel aan is. Wat het uiteindelijke probleem van deze postmateriele samenleving voor de journalistiek wordt, bleek in eerste instantie de winst te zijn.

    Het is eigen aan de mens dat als er een trend ontstaat (bv. globalisering), er ook een ‘tegen’trend (bv. lokalisering) opkomt. Onder invloed van eerst de verzuiling, en later de marketing en al die andere technieken, ontstond zo ook in de journalistiek het ‘doelgroepdenken’. De bomen groeiden tot in de hemelen en er werd heel veel winst gemaakt. En nu mondt dat uit in (sociale) fragmentatie.

    Op dit moment is er voor de journalistiek maar één belangrijke taak weggelegd, die men zich eigenlijk al een paar jaar geleden eigen had moeten maken: breng nuances.

    Want in tijden van (sociale) fragmentatie slaan regeringen op hol, want zie de samenleving nog maar eens bij elkaar te houden. Onze regering, en met haar de wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, en zo nog wat gevestigde orden en belangen, doet dat, maar niet heus, uitstekend, hoewel ongetwijfeld goed bedoeld.

    Er werd gesproken over (nieuwe) normen en waarden, die wij, de burgers, vervolgens dan weer met elkaar moeten gaan delen. Jan Jaap van der Wal had het er in zijn oudejaarsconference van vorig jaar al over. Als je wilt dat mensen (weer) ongeveer hetzelfde gaan denken over wat goed en fout is, ga je niet zoeken naar nuances, maar ga je strenger straffen, ga je zaken aan het strafrecht toevoegen in plaats van hardop met elkaar twijfelen of die zaken wel in het strafrecht thuishoren, ga je niet zoeken naar ‘tegengeluiden’, maar focus je op je gelijk, en zoek je daar bewijzen voor. Als je wilt dat mensen (weer) ongeveer hetzelfde gaan denken over wat goed en fout is, wordt er niet gezocht noch gevraagd naar omstandigheden en redenen en motivaties waarom mensen de dingen hebben gedaan zoals ze ze hebben gedaan, maar wordt er geclassificeerd.

    Supersceptische burgers, waar jij het elders op DNR over had, bestaan helemaal niet Mark. Supersceptische burgers zijn weggesaneerd door een journalistiek die het veel te druk had met zichzelf, terwijl die het drukker had moeten hebben met het ontwikkelen van visies op haar eigen bestaansrecht.

    Hoog tijd is het, dat die supersceptische burger er weer komt. Die burger die alles in twijfel durft te trekken en trekt en daar ook nog antwoord op verlangt ook.

    Dat gebeurt niet door het uitbreiden van de onderzoeksjournalistiek waar men nu zo druk mee bezig is, want onderzoeksjournalistiek is slechts een, misschien zelfs wel een op welke manier dan ook gesubsidieerde, poging van ‘bovenaf’ om mensen weer hetzelfde te gaan laten denken over goed en fout.

    Supersceptische burgers krijg je door mensen tot denken aan te zetten. Daar is maar één manier voor: daar moet je nuances voor brengen.

    Straks, later, veel later, over enkele decennia, is er weer ruimte voor een andere richting binnen de journalistiek: dan, als die supersceptische burger doorslaat in supersceptisch zijn, dan mag ze weer uitvergroten.

  • Lia

    Ps. Luister eens naar dat spotje van volgens mij postbus 51. Jaren geleden werden we doodgegooid met de woorden “terreur en terrorisme” waardoor de helft van de wereld zich onveiliger voelde dan in werkelijkheid noodzakelijk was, en daardoor de andere helft van de wereld onveiliger was dan noodzakelijk was, en nu krijgen we door diezelfde overheid spotjes om de oren geslingerd dat we toch vooral wel met ‘die anderen’ (kan me de exacte woorden niet direct voor de geest halen) in gesprek moeten blijven gaan. Had dat eerder gedaan, denk ik dan, dan was het allemaal een stuk makkelijker verlopen. Bah, het is van een onnozelheid waar de honden geen brood van lusten, maar waar wel weer een hoop mensen door beschadigd zijn. Ik vind het een schandelijke vertoning, en die onnozele journalistiek van de laatste decennia ook.

  • De analyse lijkt me ‘grosso modo’ juist. Ik moet alleen een beetje lachen (sorry) bij de vermeende verantwoordelijkheid van werkgevers om talent en creativiteit te ‘cultiveren’. De vraag is: deden ze dat dan in het verleden? En: is het cultiveren van talent niet gewoon de zorg van de individuele journalist, die graag zijn of haar vak uit wil oefenen? Veel meer dan in organisatievormen (die altijd imperfect zijn & tot op zekere hoogte achter de feiten aan lopen) denk ik aan nieuwe soorten individuele karakters die nodig zijn om te overleven in de journalistiek-van-de-toekomst. Eigenschappen? Pro-actief, outgoing, voor niemand bang, zichtbaar (en daardoor kwetsbaar), gedreven, vasthoudend, in nauw contact met zijn of haar publiek. Kortom: meer Peter R. de Vriezen en Max Westerman’s, minder Hans Laroezen en Theo van Stegeren’s.

  • Liever het uitdagende ongewisse van de toekomst dan de verlammende angst voor het heden: http://weblogs.nos.nl/hoofdredactie/2008/12/08/drie-vliegen-in-een-klap/

  • @Hans: goed punt: in hoeverre hebben nieuwsbedrijven in het verleden nadrukkelijk ingezet op talent, in plaats van dat investeringen vooral gingen naar het handhaven van de status quo?

    ik weet van eerdere studies naar het management van het (Nederlandse) nieuwsbedrijf dat daaruit twee conclusies uit voortkomen: 1. ideeen genoeg, maar weinig aandacht of investering in uitvoering, en 2. ideeen worden veelal “topdown” in de redacties gezet, waardoor veel medewerkers het gevoel hebben dat de innovatie-impuls een feite een nauwelijks verholen kritiek op hun werk is (en dan komt van invoering weinig terecht).

    @Tim: dank voor je commentaar. ik denk dat jouw werk en opvatting een mooi voorbeeld is van het niet ontbreken van enthousiasme en erg goede ideeen, maar dat – en ik vermoed dat je dit zelf ook zo ervaart – daarvan in de praktijk buiten een handvol enthousiastelingen niet zoveel van terecht komt.

    Wat de NOS betreft verwijs ik bijvoorbeeld naar het mooie onderzoek van Klaske Tameling over de multimediale integratie.

    Ik ben het met Hans en Tim van harte eens (en dat zeg ik ook in mijn stuk): de huidige situatie in het vak is er een van ongekende mogelijkheden, ruimte voor eigen intitiatief, spannende vormen van samenwerking. En heus gebeurt dat ook wel (de Wegener multimedia-units, etc.). Maar ik zie toch ook goedwillende journalisten sneuvelen onder bijl van paniekerige arbeidskostenbesparingen terwijl er wel geld wordt gestoken in peperdure technische foefjes. Ik zie dat het van journalisten verwacht wordt juichend de toekomst in de gaan terwijl links en rechts collega’s verdwijnen vanwege wanbeleid of om andere onduidelijke redenen. Ik zie dat naar jongeren in het vak niet of nauwelijks geluisterd wordt (laat staan dat The People Formerly Known As The Audience serieus worden genomen).

    Dus Tim: beschouw mijn verhaal niet als kritiek op wat jij doet, maar op de manier waarop de mooie dingen die je aanhaalt vaak “indalen” op de redactie van een gemiddeld nieuwsbedrijf. En ik denk dat jouw houding (en die van Hans) t.o.v. het nieuws alleen de toekomst heeft, als werkgevers (en werknemers, en nieuwe journalisten van de opleidingen) daarin hartstochtelijk gesteund worden.

    En dat laatste is over het algemeen niet het geval.

  • Ik ken het inderdaad prima onderzoek van Klaske Tameling. Een interessante beschouwing van de groeipijnen. Maar ook enigszins gedateerd, zoals ik al eerder beschreef in De Journalist: http://www.dejournalist.nl/achtergronden/bericht/wie-vooruit-wil-moet-lijden/.

    Dat indalen, waarover je schrijft, is wat zo moeilijk is. Niet alleen bij management maar ook bij de makers zelf. Het begint bij enthousiasme van enkelingen, maar vereist op den duur een serieus besef van ‘top to bottom’ om werkelijk die levensbepalende slag naar de toekomst te maken. Daar zijn we het wel over eens, dacht ik.

  • In de VS is Tribune Co. – Chicago Tribune, Los Angeles Times, Sun Sentinel en nog zo wat – op weg naar het faillisement. Treurig, maar eigen schuld. Net als de situatie die Mark Deuze hierboven beschrijft grotendeels de eigen schuld is van de journalistiek. In plaats van het voortouw the nemen in de ontwikkeling van de “nieuwe media” moesten (en moeten) kranten, zenders en hun journalisten luidkeels tegenstribbelend de digitale snelweg op geduwd worden, en eenmaal daar aangeland staan ze wat hulpeloos verscholen achter een gevarendriehoek langs de kant. Lees er de artikelen op deze site maar op na. En veel verder dan imiteren wat er al op het web gebeurt komen ze vervolgens niet, en dus krijgen we bijlages over gadgets terwijl iedereen die iets over de nieuwste speeltjes wil weten gizmodo leest. De zogenaamde online “dossiers” van de kranten bestaan meestal uit artikelen per onderwerp gerubriceerd – handig, maar niet echt baanbrekend. Kan je zelf ook doen op Google nieuws, en completer. De Volkskrant is net begonnen met reisblogs door lezers. Bestaat al lang (waarbenjijnou).

    Journalisten onderscheiden zich niet van de zgn. “burgerjournalisten” door meer deskundigheid of professionalisme – een statement dat men nogal eens tegenkomt hier – maar doordat ze zijn vrijgesteld om zich uitsluitend aan de journalistiek te wijden. We hebben meer tijd en meer faciliteiten om dingen beter uit te zoeken. Maar wat doen de kranten? Ze worden oppervlakkiger omdat ze denken dat ze het web moeten imiteren met alsmaar minder over meer. Tegelijkertijd houden ze hun topzware bureaucratieen in stand, en voegen helemaal niets nieuws toe aan de kunst van het publiceren van kwaliteits journalistiek.

    De meeste journalisten zijn, als het over hun vak gaat, aartsconservatief. Ze krijgen een hele schatkamer met nieuw gereedschap, nieuw speelgoed om het arsenaal aan middelen waarmee verhalen verteld kunnen worden uit te breiden en wat doen ze? Ze klagen steen en been en kunnen slechts met de grootste moeite bewogen worden om op zijn minst eens een kijkje te nemen. Dit is niet nieuw – ik herinner me een identieke houding toen bijvoorbeeld Van Gewest Tot Gewest niet meer op film, maar op video gedraaid moest worden. Zuchtend en steunend zaten ze naast me in de montage.

    En zo doen ze zichzelf de das om. Aan de ene kant met weerzin tegen bloggen, zelf een cameraatje vasthouden, nieuwe verteltechnieken ontwikkelen; en aan de andere kant doordat ze steeds minder journalistiek bedrijven.

  • @Okke. Woord voor woord ráák!

  • Pingback: De nieuwe reporter » Blog Archive » Selecterende autoriteit hoeft geen journalist te zijn()

  • Noem ’s drie voorbeelden van succesvolle burgerjournalistiek?

  • @Botte: niet alleen is het maar de vraag wat “succesvol” betekent in deze context, maar vooral wat de gedachte achter de vraag is. Ik verwijs bijvoorbeeld naar deze analyse op Newsosaur (en vooral naar het onderzoek uit 2006 wat de blog aanhaalt).

    Nogmaals: journalisten hebben (of voelen) geen zeggenschap over de broodnodige creativiteit en innovatie in het vak, zien hun banen (en publiek) verdwijnen, en de discussie gaat over achterhoede- en schijngevechten zoals de persbrief van Plasterk en de ‘valse’ concurrentie van de publieke omroep.

    Collega’s stimularen hun werk niet doen om het lijk van de massamedia drijvende te houden, maar om nieuw leven in de brouwerij te brengen, dat lijkt me de enige oplossing.

  • Ik maak me geen zorgen over het zelf-mediamakend publiek, want dat levert journalistiek gezien niks op. Dat is niet het probleem van de journalist. Dat was mijn punt.
    Ik deel je zorgen over de weigering om te investeren in journalisten, maar wat wil je dan? Is de maatstaf voor succes het aantal journalisten met een CAO’sgewijs dichtgetimmerd vast contract bij een mediabedrijf?

  • laat ik voorop stellen dat arbeidszekerheid geen garantie is voor goede dan wel ‘betere’ journalistiek. ik pleit dus niet door dichtgetimmerde contracten (heb ik ook nooit gedaan).

    ik ben het in grote lijnen met Bart Brouwers’ visie op een contractonafhankelijke journalistiek eens. het kernprobleem daarbij is dat de wetgever en de vakbonden zich meestal richten op de bescherming van zij, die al ‘binnen’ zijn. de flexibele werker, de eigenzinnige onafhankeling, de genetwerkte nieuwsfan: zij worden in feite juridisch dan wel beleidsmatig gestraft. dat moet veranderen.

    zoals ik al in mijn oratie in januari van dit jaar opmerk: de zelfstandige journalist (freelance of anderszins eigen werkgever) moet in feite de best beschermde, meest gezochte en meest machtige arbeider zijn op de markt vandaag.

    ik wil uitgevers, omroeporganisaties en crossmediale nieuwsbedrijven met elkaar zien concurreren om netwerken te vormen met het beste talent, en ik wil dat talent opgeleid zien worden om zelfstandig journalistiek van hoge kwaliteit te bedrijven – niet alleen onafhankelijk van media (want “media” hebben niets met “journalistiek” te maken, zoals Henk Blanken en ik in PopUp uiteenzetten), maar ook onafhankelijk van het wanbeleid, het zelfbeklag en het misplaatste geloof in de noodzaak van het eigen voortbestaan van de bestaande werkgevers in het nieuwsbedrijf.

    Langzaam maar zeker richten we onze opleiding in Leiden in om tegemoet te komen aan deze visie, en er komen ook steeds meer vergelijkbare projecten bij de andere uitstekende opleidingen in ons land.

    Nu het management het nieuwsbedrijf qua talent laat leeglopen, onstaat er een prachtig marktvacuum voor journalistennetwerken die uit pure passie voor het vak zelf nieuws maken, samen met burgers, los van de merken die begrijpelijkerwijs alleen maar denken aan zelfbehoud.

    Zoiets, dus.

  • Met zoiets ben ik het wel eens :)

  • Pingback: Echt goede journalistiek is roddeljournalistiek « De nieuwe reporter()