Het persbureau regeert mee

Op welke wijze maken Nederlandse kranten in hun binnenlandberichtgeving hun bronnen bekend, en in welke mate maken zij gebruik van voorverpakt nieuws: persbureaus, andere media en pr-materiaal? De onderzoeksgroep van de sectie communicatiewetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen zocht het uit.

Zeventig procent van de binnenlandberichten in de Britse kwaliteitspers bestaat geheel of deels uit ‘voorverpakte’ informatie, afkomstig van persbureaus, voorlichters en andere media. In The Quality and Independence of British Journalism, waarin onderzoeksleider Justin Lewis van de universiteit van Cardiff verslag doet van de staat van de Britse kwaliteitsjournalistiek anno 2005, citeert hij Nigel Hawkes, chef van de gezondheidsredactie van The Times:

‘We are ‘churning’ stories today, not writing them. Almost everything is recycled from other sources. It wouldn’t be possible to write so many stories otherwise. Yet even more is expected, filing to online outlets is now considered to be part of the job. (…) The work has been deskilled, as well as being greatly amplified in volume, if not in quality.’

In hun onderzoek analyseren Lewis en zijn medewerkers onder meer drie cases die laten zien dat persklare informatie van respectievelijk de overheid, een hypotheekbank en een medisch tijdschrift klakkeloos door persbureau, dagblad- en journaalredacties is overgenomen.

‘This is churnalism’, schrijft Nick Davies, die een groot deel van zijn boek Flat Earth News baseerde op het onderzoek van Lewis:

‘This is journalists failing to perform the simple basic functions of their profession; quite unable to tell their readers the truth about what is happening on their patch. This is journalists who are no longer out gathering but who are reduced instead to passive processors of whatever material comes their way, churning out stories, whether real event or PR artifice, important or trivial, true or false.’

Letters poepen
Ook in Nederland klinken sombere geluiden over de staat van de journalistiek. Op redacties is met name bij regionale dagbladen fors bezuinigd. Redacteuren kregen tegelijkertijd opdracht internet én papieren krant te vullen opdat ze elkaar zouden versterken. Het werk nam toe, de bezetting nam in veel gevallen af. ‘We poepen alleen nog maar letters’, verzuchtte een vroegere collega-journalist onlangs tegen me.

In een bespreking van Davies’ boek schreef Volkskrant-ombudsman Thom Meens te vrezen dat het met de dagbladen in Nederland niet veel beter gesteld is dan in Groot-Brittannië. Vaak checken dagbladjournalisten informatie niet zelf; ze gaan ervan uit dat persbureaus, deskundigen en voorlichters die ze kennen, wel voor de juistheid van de berichtgeving zullen instaan, zo bleek uit onderzoek op basis van interviews die Els Diekerhof afgelopen jaar liet houden door studenten journalistiek van de Hogeschool Utrecht. En in zijn jongste mediamonitor schrijft het Commissariaat voor de Media dat een steeds groter deel van het nieuwsaanbod bestaat uit onbewerkt doorgegeven berichten van persbureaus, ondernemingen en andere belangenpartijen.

Tot nu toe ontbraken cijfers die deze aanwijzingen en vermoedens voor de Nederlandse situatie konden staven – of misschien konden ontkrachten. Daarom besloot het Katholiek Instituut voor Massamedia om niet alleen Nick Davies uit te nodigen als hoofdspreker op het KIM-college 2009 – vandaag in Utrecht – maar ook een eerste verkennend onderzoek te laten houden. De tijd was beperkt, de onderzoeksgroep van de sectie communicatiewetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen – waarvan ik deel uitmaak – was klein. We konden maar twee onderdelen van het uitgebreide onderzoek van Lewis voor Nederland repliceren en beperkten ons tot twee vragen: op welke wijze maken Nederlandse kranten in hun binnenlandberichtgeving hun bronnen bekend, en in welke mate maken zij gebruik van voorverpakt nieuws: persbureaus, andere media en pr-materiaal?

Onder leiding van Ellen Hijmans analyseerden we gedurende twee weken in het najaar van 2008 alle binnenlandberichtgeving in vier Nederlandse kranten: de Volkskrant, AD, de Gelderlander en NRC Handelsblad. In het kwantitatieve deel van het onderzoek gingen we van 1054 korte berichten en langere artikelen na of ze informatie verschaften over hun herkomst, over bronnen waarop de informatie berustte en over het zichtbare persbureau/andere media/pr-gehalte. Voor de kwalitatieve analyse selecteerden we 14 nieuwsonderwerpen, verspreid over de twee onderzoeksweken, waaraan de kranten in totaal 132 berichten wijdden. We kozen onderwerpen waarover drie van de vier of alle vier kranten berichtten en waarvan ten minste een deel van de artikelen er bij eerste lezing uit zag als eigen werk. In enkele gevallen keken we ook naar hun webedities. Om de artikelen te kunnen vergelijken met de berichtgeving van persbureau ANP en de persdienst voor regionale dagbladen GPD kopieerden we dagelijks artikelen en takes van de persbureaus over de geselecteerde onderwerpen en zochten we op internet de originele persinformatie, voor zover beschikbaar.

De belangrijkste uitkomsten:

  • Gemiddeld zijn de onderzochte Nederlandse kranten minder vaag in het vermelden van persbureaus als bron/producent van berichten. In Britse kranten gebeurt dat nauwelijks (1%), in Nederland wordt het vermeld bij 11% van de berichten. Toch geeft ook dit percentage niet het werkelijke persbureau-aandeel in de Nederlandse binnenlandberichtgeving weer. Uit de kwantitatieve inhoudsanalyse blijkt dat 32% van de berichten geheel of gedeeltelijk is overgenomen van persbureaus.
  • De onderlinge verschillen tussen de onderzochte kranten zijn groot. In slechts 5% van de binnenlandberichten in NRC Handelslad is onduidelijk van wie het afkomstig is, in de Gelderlander 77%. De Volkskrant en AD zitten daar met resp. 19 en 42% tussenin.
  • Nederlandse kranten zijn in hun berichtgeving vager over de bronnen waaraan hun informatie is ontleend dan de Britse. In 40% van de berichten is niet te lezen wie of wat de informatiebron is, tegen 24% van de Britse nieuwsberichten.
  • Uit de Nederlandse berichten kan de lezer vrijwel niet opmaken of ze rechtstreeks afkomstig zijn uit persberichten van de overheid, onderzoeksinstellingen, bedrijven en andere pr-bronnen. We vonden dat terug in slechts 2% van de berichten. In de Britse berichten was dit 30%. Het grote verschil in uitkomst is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de grondiger en tijdrovender aanpak van Lewis. Hij liet van alle 2207 binnenlandberichten uit vijf dagbladen nagaan of ze sporen van pr-materiaal bevatten.
  • De Lewis-aanpak hebben we wel gekozen in de analyse van de 14 cases. We stelden vast dat redacties voor hun binnenlandberichtgeving meestal niet rechtstreeks gebruik maken van pr-materiaal, maar wel van samenvattingen die persbureaus van pr-materiaal leveren. Een exact percentage voor het pr-aandeel konden we niet berekenen, wel een percentage van het voorverpakte nieuws – persbureaus, andere media en pr-materiaal bij elkaar. Ongeveer de helft (52%) van de 132 berichten die we voor de cases analyseerden, bestond geheel of gedeeltelijk uit voorverpakt nieuws. Een vergelijking met Lewis gaat hier niet helemaal op, want die berekende een voorverpakkingspercentage van 70 voor alle 2207 berichten tezamen.
  • In de analyse van de cases zagen we drie patronen die de berichtgeving extra vatbaar maken voor sturing/beïnvloeding door pr-materiaal en pr-boodschappen. We geven van elk patroon een voorbeeld:
  • Veel informatie waar het stempel ‘uit onderzoek blijkt dat …’ op staat, haalt de krant, ook als dit onderzoek uit de koker van een belanghebbende partij komt. Voorbeeld: het onderzoek dat Kon. Horeca Nederland in oktober 2008 onder zijn leden hield over de effecten van het rookverbod op de omzet in cafés. Uit eigen onderzoek van het AD onder horecaklanten bleek later dat het omzetverlies door het rookverbod veel kleiner moest zijn dan de horecasector zelf aangaf.
  • Een tweede patroon ontwaarden we in de berichtgeving over minister Rouvoet. Na zijn uitspraken over de ‘losgeslagen seksmoraal van de jeugd’, in een interview in het AD, werd de vervolgberichtgeving vooral gericht op wat mensen en instanties vonden van Rouvoets opvatting dat ‘een hele generatie dreigt op te groeien met verknipte ideeën’, en niet op de vraag of de werkelijkheid echt zo verontrustend is. Het recyclen van telkens dezelfde mening won het in de media van truth-telling. De minister zag zijn boodschap dankzij de journalistiek – en de praatprogramma’s – alleen maar uitvergroot worden.
  • Een derde patroon kwam aan het licht bij en onmiddellijk na het plotselinge aftreden van Ella Vogelaar als minister van WWI. De verklaring voor haar gedwongen vertrek, zorgvuldig geregisseerd door de PvdA-top, domineerde niet alleen het nieuws maar werd ook overgenomen in de analyses en beschouwingen van redacties. De partijboodschap werd tevens de journalistieke boodschap. Het tegengeluid kwam aanvankelijk alleen van de afgetreden minister zelf. Zij moest erkennen dat haar partijtop dit keer de regie goed voor elkaar had. Later bleken de tegengeluiden omvangrijker en kritischer dan de berichtgeving de eerste twee etmalen na haar aftreden suggereerde.

Nieuwsagenda
De slotconclusie van ons onderzoek: de mate van churnalism in Nederlandse kranten is minder dramatisch dan in de Britse pers. Anders dan het Britse onderzoek hebben wij voor de vier onderzochte Nederlandse dagbladen tezamen niet vastgesteld dat zij zwaar leunen op voorgeproduceerd nieuws van persbureau-, pr- en anderen huize. Gemiddeld is bijna een derde (32%) aanwijsbaar afkomstig van persbureaus. Uit de analyse van cases blijkt dat het werkelijke aandeel van voorverpakte informatie groter is. Van de 132 berichten waarvan we de bronnen zo goed mogelijk hebben opgespoord, blijkt 52% geheel of gedeeltelijk te bestaan uit persbureaukopij e.d. Beide percentages liggen duidelijk lager dan het totaalpercentage van 70 in het Britse onderzoek.

Het buitenbeentje in het kwartet is de Gelderlander, die in zijn bovenregionale berichtgeving noodgedwongen geheel afhankelijk is geworden van wat ANP, GPD en de centrale redactie van Wegener Nieuwsmedia dagelijks kant en klaar aanleveren. In de bovenregionale berichtgeving van deze krant – én van vrijwel alle andere regionale kranten in Nederland – is churnalism als gevolg van een reeks bezuinigingen op redacties min of meer praktijk geworden.

Al geldt dit voor de landelijke dagbladen veel minder, toch constateren we dat weliswaar de leugen er niet regeert, maar het persbureau wel meeregeert. Het voorverpakkingsaandeel blijkt gemiddeld hoger dan de lezer uit de berichtgeving kan opmaken, en persbureaunieuws bepaalt in aanzienlijke mate de nieuwsagenda van ook landelijke dagbladredacties.

Kritische nieuwscontroleurs
De hamvraag voor de discussie: hoe erg is dat eigenlijk?

Heel erg, vinden Lewis en Davies, die niet minder dan de onafhankelijkheid van de Britse kwaliteitsjournalistiek ondermijnd zien. Hier is dat nog niet grondig onderzocht, maar tijdens het veldwerk voor ons onderzoek hoorden we op redacties de mening dat het wel meevalt: de productie van persbureaus wordt betrouwbaar gevonden want op de persbureaus werken professionele journalisten die hun bronnen checken.

Kritische nieuwscontroleurs als Fontys’ fact checkers en Alexander Pleijter denken daar waarschijnlijk genuanceerder over. Bovendien hebben ook persbureau en persdienst de laatste tijd stevig op hun redacties en hun berichtenpakketten moeten bezuinigen. En hebben dagbladredacties aan het eind van de pijplijn wel zicht op de kwaliteit van wat een andere nieuwsorganisatie er aan het begin in stopt, en wat onderweg met de informatie gebeurt? Ons onderzoek laat een paar opmerkelijke voorbeelden zien van eenzijdigheden die er aan het begin of onderweg in kunnen sluipen. Eenzijdigheden die door het journalistieke lopendebandwerk wonderbaarlijk worden vermenigvuldigd.

Gegevens over het onderzoek zijn hier te vinden. Het uitgebreide onderzoeksverslag ‘De onafhankelijkheid van nieuwsbronnen en de kwaliteit van de journalistiek’ verschijnt bij het Etmaal van de Communicatiewetenschap op 12 februari 2009.

Kees Buijs

Kees Buijs is als docent verbonden aan de masteropleiding journalistiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij promoveerde op het onderzoek 'Regiojournalistiek en spagaat: De kwaliteit van het redactieproces in de regionale journalistiek.' Daarnaast schreef hij onder meer het boek 'Journalistieke kwaliteit in het crossmediale tijdperk'. Voorheen was hij lezersredacteur/ombudsman van De Gelderlander en lid van de Raad voor de Journalistiek.

Alle artikelen van Kees Buijs op De Nieuwe Reporter.