Hoe interactiever, hoe beter?

Column no. 11 van Bas Broekhuizen

Toverwoorden waren het, crossmediaal en multimediaal. Bij menig hoofdredacteur hangen ze nog boven het bed, maar wie ze in de mond neemt tegenover de nieuwe garde journalisten, valt genadeloos door de mand. Te onduidelijk, teveel oudemediadenken. Weg ermee. Maar hoe noem je als verslaggever nieuwe stijl dan wat je doet? Of het bij Plasterk werkt, moeten we afwachten, maar als je in de Verenigde Staten financiële hulp nodig hebt bij je journalistieke projecten, doe je er slim aan jezelf te presenteren als beoefenaar van Interactive Journalism.

Maar wat houdt dat precies in, interactieve journalistiek? Precies die vraag lag afgelopen week op tafel bij studenten Journalistiek & Nieuwe Media uit Leiden. Die berichten deze maand in opdracht van de Volkskrant intensief over alles wat te maken heeft met Schiphol en vanzelfsprekend doen ze dat conform de nieuwste trends in het vak. Dus ook interactief. Nog niet zo eenvoudig, want als je niet uitkijkt wordt dat begrip al net zo’n veelomvattend en daardoor nietszeggend als de broertjes cross- en multimediaal. Hoog tijd dus voor wat begripsafbakening, waarbij ik dankbaar voortborduur op het idee van collega Alexander Pleijter om onderscheid te maken naar verschillende soorten interactie.

Schoolvoorbeelden
Allereerst is er de interactie tussen mens en machine. Zo op het eerste gezicht heeft de journalist daar niet zoveel mee te maken. Totdat mensen massaal nieuwe machientjes gaan gebruiken waar je als journalist ook graag je verhalen op kwijt wilt. Dan wordt het opeens best handig te weten hoe mensen hun iPhone echt gebruiken.

In het verlengde daarvan ligt de interactie tussen mens en medium. Websitebezoekers klikken zich een slag in de rondte en als journalist kun je een hoop leren door te bestuderen waarop ze klikken. Van die enorme drang tot klikken kun je bovendien handig gebruik maken. Iedereen doet graag mee aan testjes, zelfs als ze gaan over Calvijn. En daar kun je leuk nieuws mee maken. Wie beschikt over genoeg tijd en talent, kan zijn journalistieke verhaal flink verbeteren door gebruik te maken van de interactiviteit van het medium. Als een plaatje meer zegt dan duizend woorden, dan vullen deze schoolvoorbeelden van interactiviteit boekenkasten vol.

De volgende vorm van interactie, is die tussen publiek en journalist. Lezers kunnen reageren op berichten, ze aanvullen of verbeteren of suggesties doen voor nieuwe berichten. In theorie. Want, zo legde een van de studenten de vinger op de zere plek, in de praktijk gebeurt er meestal bar weinig met die reacties. Volgens Pleijter is dat in ieder geval deels de schuld van de journalisten zelf. Iedere medium krijgt de reacties die het verdient. Wie lezers vraagt te ‘reageren’, zal vooral meningen oogsten. Wie nuttige inbreng verlangt, moet daar gericht naar vragen. Dus bij deze: wie kent er voorbeelden waarbij de samenwerking tussen journalist en publiek heeft geleid tot verslaggeving van ongekende kwaliteit?

1-9-90
Natuurlijk zijn al deze vormen van interactie kinderspel vergeleken bij de hoogste vorm: die tussen mensen onderling. Sociale netwerken zijn hard op weg het cement te worden van de samenleving, in ieder geval de digitale. Wie als journalist wil overleven, moet begrijpen hoe die netwerken werken. En dat is nog best lastig, want daar weten we eigenlijk nog maar heel weinig van. En al is de avant-garde van de vaderlandse journalistiek nog zo hard aan het twitteren geslagen, vooralsnog is het zoeken naar de echte journalistieke toepassingen. Tenzij gezellig aan de bar hangen voldoet aan die definitie.

Wie weet is het verstandig om bij die zoektocht naar interactieve journalistiek af en toe even te denken aan de wet van 1-9-90. Twee jaar geleden beschreef Jacob Nielsen hoe van iedere honderd gebruikers er één vol overgave zelf informatie toevoegt aan het web. Negen anderen participeren af en toe, de rest neemt passief kennis van het aanbod. Al verschillen de precieze getalletjes per geval, in hoofdlijnen blijkt de regel te kloppen voor uiteenlopende websites als Youtube, Wikipedia en Flickr. Het moet nog worden uitgezocht, maar de cijfers liggen vast niet anders voor LinkedIn, Hyves en Twitter.

Het zet je aan het denken. Eén procent is online echt actief. Zijn dat niet precies die webloggers en burgerjournalisten waarover op deze site al zoveel is geschreven? En die negen procent die af en toe een bijdrage levert, kennen we die niet als de vaste deelnemers aan opiniesites, de harde kern van reaguurders. Kortom, de groep waarmee journalisten én webloggers interacteren? Als dat zo is, dan bestaat de resterende negentig procent gewoon uit dezelfde lezers, kijkers en luisteraars als altijd, maar dan op een ander medium. Laten we oppassen te denken dat die erop zitten te wachten om de hele dag te participeren in de nieuwsgaring. Voor je het weet, is interactie het nieuwe toverwoord.

8 reacties

  1. De 1-9-90 wet lijkt op het Pareto principe, ofwel de 80/20 regel. 20% van de bezoekers zorgt voor 80% van de content.

    Maar wat wordt verstaan voor zelf informatie toevoegen aan het web? Je voegt datatechnisch al informatie toe aan Hyves als je inlogt. Op dat moment verspringt je avatar bij andere gebruikers in het profiel omhoog in de hiërarchie. Van die 55% van Nederland die minimaal een keer per maand op Hyves zit logt het merendeel in en draagt dus actief bij aan de website.

  2. lia schreef op 23 januari 2009 om 00:08

    Ja, heel goed, interactiviteit tussen journalisten en burgers want hopelijk verandert er dan eens wat. Ons journalistieke gedachtengoed vond zijn oorsprong immers in de verzuiling, waarbij men niet nieuwsgierig was naar hoe men leefde in een andere zuil en er (dus?) geen vragen werden gesteld aan hen die leefden in de andere zuil. Het ging om beeldvorming, en de ene journalist wist en weet het ene verhaal net zo stellig te brengen als de andere journalist het andere verhaal. Dát was journalistiek in Nederland, en dat lijkt nog geen steek veranderd. Er worden nog steeds geen vragen aan elkaar gesteld, er is nog steeds geen interesse voor elkaars gedachtengoed. Hoe goed kan ik mij nog de twee docenten journalistiek, en journalist, voor de geest halen die los van elkaar eens tegen mij zeiden: ‘ik doe mij bij interviews altijd wat dommer voor dan ik ben.” Wat een rare gewoonte, en wat een onderschatting van de gesprekspartner. Het zou niet verkeerd zijn als dergelijke journalisten eens de moed zouden hebben zich open voor anderen te stellen. Komt de wereld er ineens heel anders uit te zien.

  3. Inderdaad, zoals Stephan zegt, wat is participatie? het geven van een review, het geven van een comment op een blog, actief zijn opp een forum, het rondkijken en lezen,taggen & bookmarken, het doorsturen zijn allemaal activiteiten. Niet iedereen is gewoon in staat om vanbuit niets iets te maken, alleen het internet kan snel en gemakkelijk iets “remixen” of er andere zaken mee doen/toevoegen en daarmee wel iets wezenlijks bijdragen. Beetje vergelijken van de appels en de peren wat mij betreft, zeker om dat de meeste zaken die ik noem nauwelijks of niet gemeten worden, anders dan af en toe een Forester onderzoekje. Wat er daadwerkelijk “binnen” de netwerken gebeurt is momenteel de “holy grail” in het doorgronden van sociale netwerken.

  4. @Stefan: bedankt voor je aanvulling. Je hebt natuurlijk gelijk dat ‘informatie toevoegen’ op velerlei manieren kan worden uitgelegd. Het voorbeeld dat je noemt, valt onder wat ik ‘interactie tussen mens en medium’ noem: alleen al door wat rond te klikken kunnen bezoekers waarde toevoegen. Een mooi (journalistiek) voorbeeld is en.nl. De 1-9-90 wet slaat meer op het toevoegen van eigen content in de vorm van tekst of (bewegend) beeld.

    @Ronald: ik ben het helemaal met je eens dat er veel meer onderzoek gedaan zou moeten worden naar het gebruik van onder meer sociale netwerken. Zie ook mijn vorige bijdrage aan deze site.

  5. @ Broekhuizen.

    En.nl is een stap naar innovatie bij PCM. Maar het staat qua bezoekersaantallen nog niet eens in de schaduw van de populaire sociale nieuwssite van Microsoft: MSN Reporter (http://reporter.nl.msn.com/). De site plugt haar content door naar MSN Messenger en de hoofdsite van MSN Nederland: MSN.nl. Hierdoor weten ze een grote groep mensen te bereiken waarvan dan die 1+9 procent toch voor een lopend platform voor ‘nieuws’ zorgt. Los van de inhoud, want de site is voor meer dan de helft gevuld met Showbizz.

  6. @Stefan: Dank voor het voorbeeld. Zou interessant zijn de 1-9-90 regel te toetsen aan MSN Reporter. Hoeveel bezoekers trekt de site op een willekeurige dag? Hoeveel reporters posten hoeveel berichten en hoe vaak wordt er per dag gestemd op een bericht? Enig idee?

  7. @ Broekhuizen.

    Het is lastig om te zeggen hoeveel bezoekers MSN Reporter trekt. Volgens Alexa (Lees ook over de betrouwbaarheid van Alexa op http://www.marketingfacts.nl/berichten/hoe_betrouwbaar_is_de_alexa_ranking/) is msn.nl de nr. 6 site van Nederland. MSN Reporter is slechts een onderdeel van deze site, maar de headlines van MSN Reporter staan wel op de voorpagina.

    Hoeveel reporters er zijn is mij niet bekend en hoe vaak er gestemd wordt op een bericht kan je per bericht zien. Dat is het aantal positieve + het aantal negatieve stemmen dat is uitgebracht op een bericht. Het aantal berichten wat op de site wordt gezet verschilt per week. Volgens mij is een paar honderd per week. Elke week worden er oudere berichten gewist.

    Een jaar geleden heb ik de site een tijdje onderzocht. Toen kwam vooral naar voren dat de nieuwsbronnen waar in de berichten naar gelinkt werd vaker dezelfde waren.

    De ‘reporters’ op msn zijn weinig zeggend. Iedereen kan een MSN Account aanmaken en dan weer onder een nieuwe naam voor hetzelfde bericht stemmen.

    Zo waren er gebruikers die content van andere nieuwssites kopieerden en dan op een eigen site (vol met reclame) zette. Want als je op de voorpagina van msn.nl verschijnt met je MSN Reporter bericht kan je aardig wat hits krijgen.

  8. Beste Bas Broekhuizen,

    Samen met Michiel Zonneveld schrijf ik voor de Volkskrant de serie Etalage voor Goede Ideeën. In de serie besteden we aandacht aan ideeen die hun waarde in de praktijk hebben bewezen. Wij hebben precies dat gedaan dat je aanbeveelt. Niet vragen naar meningen van lezers, maar naar praktijkvoorbeelden. In de eerste aflevering hadden we dat niet duidelijk genoeg opgeschreven. We kregen toen veel reacties, maar het waren vooral ideeen die nog niet in de praktijk waren gebracht. Daarna vroegen we specifiek naar praktijken die een oplossing boden voor een probleem dat wij in de aflevering daarvoor aankondigden. Schooluitval, gebruik van jongeren bij overlast, andere omgang met bezwaarschriften. Het is ons niet gelukt om ook op die specifieke vragen veel antwoorden te krijgen. De voorbeelden die we wel telkens vinden, hebben we verkregen door eigen speurwerk.
    De interactie was dus nog geen doorslaand succes.

    Kijk op Volkskrant.nl/opinie en dan Etalage.

    Met vriendelijke groet,

    Pieter Hilhorst

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>