Ode aan het bluswater: de stadskrant heeft toekomst

De dagbladjournalistiek is in een beslissende fase aangekomen. Wordt ze een marginaal verschijnsel, dat zich nestelt in een niche van de markt en zich daar koestert met de gedachte dat ze kwaliteitsjournalistiek mag heten, maar er verder niet meer toe doet, of zijn er mogelijkheden voor een nieuw elan? De positie van de stadskrant is van doorslaggevend belang voor de toekomst van het betaalde dagblad.

Warna Oosterbaan en Hans Wansink publiceerden in De krant moet kiezen (Amsterdam 2008) hun visie op de toekomst van de kwaliteitskranten in Nederland. Ze serveren in dat boek een behartenswaardig inzicht in wat het kloppend hart van een krant hoort te zijn: veel eigen en betrouwbaar nieuws en de duiding daarvan. De twee auteurs hebben echter een blinde vlek voor de realiteit van het handwerk zelf. Dat zou namelijk wel eens aan het uitsterven kunnen zijn. Goede, geschreven journalistiek begint en eindigt in de regio en dan met name in de steden. Op lokaal niveau worden de voorwaarden voor bloei of verval van het vak geschapen; niet op de postdocopleidingen journalistiek, waar afgestudeerde academici leren hoe ze met hun kennis op een andere wijze hun brood kunnen verdienen dan in het onderwijs alleen.

Voor velen binnen de sector van de dagbladjournalistiek is het geen nieuws dat de regio- en stadsverslaggeving ernstig ziek is geworden. Op landelijk niveau is het besef van de draagwijdte van dat gegeven echter nog maar mondjesmaat doorgedrongen. Men vindt het misschien sneu voor die paar collega’s in Beetsterzwaag of Eindhoven die er nog wat van probeerden te maken en nu het loodje moeten leggen, maar realiseert zich onvoldoende wat het zou betekenen als de regionale en stedelijke kranten ten onder gaan. Dit betoog gaat over regionale kranten, en dan met name de stadskrant.

Kritisch onderzoek
De algemene opinie is dat bedrijfstakken komen en gaan. Als de regionale schrijvende pers verdwijnt dan komt daar wel weer iets anders voor in de plaats. En zo is het. Maar wat keert er dan terug? Ik acht lokale bloggers, advertentiebladen of de regionale televisie er niet toe in staat kritisch onderzoek te doen naar de bedenkelijke achtergronden van een door het lint geknalde Turkse horecaondernemer, zoals onlangs in Almelo. Het landelijke programma Zembla, een van de weinige televisierubrieken die nog aan research doen overigens, zette de zaak in de schijnwerper, maar dagblad Tubantia zal handel en wandel van de plaatselijke bestuurders die in het geding bleken nu toch moeten blijven volgen. Als er geen plaatselijke professionele pers meer is die bestuurders op de huid blijft zitten, wie doet dat dan wel?

Of neem het geval van de Goudse kwestie, waar een incident met Marokkaanse jongeren in 2008 door landelijke media en politici, tuk als die nu eenmaal zijn op applaus van een landelijk publiek, tot ver buiten de lokale proporties werd opgeblazen. Was het overigens niet opvallend dat redacteuren van de plaatselijke krant in de opinieprogramma’s van radio en televisie pijnlijk ontbraken? Sign of the time, vrees ik. Waar Hilversum doorgaans kapseist van de deskundigen die aan boord worden genomen, zag men uitgerekend deze ervaringsdeskundigen geheel over het hoofd. Dat is waarschijnlijk geen onwil, maar — veel erger nog — onwetendheid.

De komst van de commissaris van de Goudse politie naar de actualiteitentalkshow Pauw & Witteman was in elk geval een beschamende vertoning, voor laatstgenoemden wel te verstaan. De wijze waarop de commissaris bejegend werd verraadde een diepe desinteresse voor het plaatselijke. Naar het verhaal van de commissaris werd hoegenaamd niet geluisterd, hij was immers alleen maar uitgenodigd om de algemene onvrede over het gebrek aan veiligheid op straat te voeden. Maar dat was nu precies wat de commissaris niet deed met zijn kijk op de feiten. Het ging juist veel beter de laatste jaren, het incident was een ongelukkige uitzondering, legde hij uit. En zo spoorde de nuance van het lokale even niet met de tunnelvisie van het landelijke perspectief. Zoals de toepassing van de wet BIBOB – waarbij plaatselijke overheden (criminele) lastpakken in de gemeente het leven zuur mogen maken — in de lokale praktijk (van Almelo) er opeens veel weg van had een instrument te zijn ten voordele van de belangen van regenten. De plaatselijke pers is er om die nuance aan te brengen.

Democratie
De eigen stad of streek is de plek waar de democratie begint. Het is de ruimte waar we wonen en concreet samen moeten leven, hoeveel tijd we ook in de virtuele ruimten van Hyves, YouTube of De wereld draait door investeren, de buurman komen we steeds weer tegen en de gemeentelijke politiek is van direct belang voor de groenvoorziening in de stad. Sociale spanningen, corruptie en het falen van onderwijs en gezondheidszorg zijn van heel dichtbij zichtbaar. Ook het denken over oplossingen begint dichtbij, in de wijken en de commissies van de gemeenteraad. Van wat er in de wijken en commissies gebeurt, behoort verslag gedaan te worden, als het nodig is. Daarvoor zijn journalisten nodig die ter plekke zijn en in staat hun waarneming te analyseren, hun informatie te schiften en bondig samen te vatten. Diezelfde journalisten moeten de achtergronden van de ontwikkelingen kennen en min of meer zelfstandig kunnen oordelen over de belangenstrijd die zich elke dag weer voor hun ogen afspeelt. Daarnaast heeft het stedelijke kunst- en sportleven een kritisch maar gastvrij podium nodig. Datzelfde geldt voor de vormgeving van de stad in architectuur en planologie.

Er is een tijd geweest dat wat dichtbij was, niet op sympathie kon rekenen. In de jaren zestig gold de eigen stad – met uitzondering van ‘magisch centrum’ Amsterdam – als te gewoon. De echte wereld was elders. In wereldsteden als New York, Parijs en Rome speelde zich het ware leven af. Men was liever kosmopoliet dan provinciaal of, nog erger, nationalist. Dan was je al bijna een fascist. In deze tijd van toenemende globalisering heeft kosmopolitisme een bijsmaakje gekregen. Wereldburgerschap is niet altijd vrij van snobisme. Ik heb een keer een debat meegemaakt van hoge ambtenaren buitenlandse en Europese zaken, kort na het Nederlandse nee tegen de Europese grondwet, waar ik schrok van het dédain dat daar ten toon werd gespreid ten opzichte van de neestemmers. Het was kosmopolitisme tegen chauvinisme, zei men. Weldenkend internationalisme tegen benepen provincialisme, verstand tegen angstige behoudzucht. Nu begrijpen we dat zo’n standpunt vooringenomen en elitair kan zijn, bedoeld om zich te onderscheiden van het gewone volk en de eigen bevoorrechte positie veilig te stellen.

Inmiddels is het tij aan het keren. Het wordt niet meer als kortzichtig gezien aandacht te hebben voor de eigen leefomgeving. Het concrete leven speelt zich af in de steden. De wereldculturen zijn er rijk vertegenwoordigd. Dus kosmopoliet kun je ook in eigen stad zijn. Het is interessant dat de geboorte van het dagblad heeft plaats gevonden in de metropolen van Europa en later die van de Verenigde Staten. Vele namen herinneren nog daaraan. The Washington Post, The New York Times, Frankfurter Allgemeine Zeitung, de Nieuwe Rotterdamse Courant; de eerste krant van Nederland (en mogelijk van de wereld) heette de Opregte Haerlemsche Courant (1664). In de achttiende en negentiende eeuw was de metropool meteen de hele wereld. Pas na de komst van de telegrafie maakte de krant een groei door naar nationaal en internationaal niveau. Ondertussen is de stad voor veel mensen nog steeds de concrete leefwereld. Het is niet toevallig dat de stedelijke edities van het AD (Utrecht, Den Haag, Rotterdam) onder de lezers een hoge waardering krijgen. Het is ook de wereld waar het persoonlijke samenkomt met het nationale en internationale. Burgerschap én wereldburgerschap beginnen hier. De basis van de democratische, multiculturele samenleving ligt in de stad.

Web 2.0
De toekomst van de papieren krant staat over de hele linie op het spel. De krant is al een ”dinosaurus” genoemd, een log en massief instituut dat de meteorietinslag van de nieuwe media niet zal overleven. In de analyses keren drie zaken steeds weer terug: (1) Gratis dagbladen bedreigen het betaalde dagblad. (2) Jongeren hebben andere nieuwsbronnen en zullen hun informatieconsumptie niet meer aanpassen ten gunste van de papieren krant. (3) Adverteerders worden weggezogen naar internet en radio en televisie. Vele dagbladjournalisten hebben aanvankelijk niet kunnen geloven dat het verval zich zo door zou zetten, maar het lijkt er nu toch echt op. In de Verenigde Staten gaat het heel hard. Wat in het intellectuele debat in Nederland bovendien ernstig onderschat wordt is de logge logistiek van de papieren krant. Je kunt als journalist nu wel menen dat je een kwaliteitsproduct op de markt brengt, als de bezorging niet functioneert en de dagelijkse druk- en transportkosten relatief een te grote last worden voor een blad dat in oplage steeds verder slinkt, helpt het allemaal weinig. De toekomst van het betaalde dagblad, kortom, is precair.

Met die constatering kun je ook afvragen of de professionaliteit van het journalistieke ambacht op het spel staat. De web-2.0.generatie heeft geen behoefte meer aan kennisinstituten waar informatie geproduceerd wordt volgens regels van check and double check, hoor en wederhoor, gestreefd wordt naar scheiding van feit en emotie en gespecialiseerde redacteuren werkzaam zijn op deelterreinen van het nieuws. Iedereen die een beetje handig is met internet en een videorecorder kan tegenwoordig verslag doen van wat er om hem heen gebeurt. En iedereen die een beetje handig is met zoektermen en vertaalfuncties kan op het web vinden wat hij wil weten. Is aan deze bloggers en surfers de toekomst?

De vraag stellen is haar beantwoorden. Toch is dat de kwestie niet. De kwestie is of het wénselijk is dat de nieuwsvoorziening straks geheel in handen is van individuele bloggers, communicatiebureaus van bedrijven en overheidsinstellingen, op entertainment gerichte websites als Geenstijl.nl en persbureaus die niet anders functioneren dan als toeleverancier van nieuws(berichten). Ik vind van niet. Een democratische samenleving kan alleen functioneren als de nieuwsvoorziening zo objectief mogelijk is, terzakekundig en voorzien van een duiding. De professionele journalist die verbonden is aan een orgaan of netwerk van deskundigen, die op die organisatie kan terugvallen en zijn bijdragen in een groter geheel van berichtgeving en analyse invoegt, is daarom een onmisbare figuur in onze samenleving. Zo’n organisatie hoeft zeker niet een instituut te zijn dat er dagelijks tonnen papier en drukinkt doorjaagt, maar het moet wel een groot publiek bereiken, digitaal of anderszins.

De Rommeldamse Krant
Het prototype journalist dat ik op het oog hebt, en dat functioneert en publiceert binnen zo’n kader, is het stripfiguurtje dat Marten Toonder laat optreden voor de Rommeldamse Krant, de journalist Argus. Het is een opdringerig, nieuwsgierig en soms wat flemerig type — een teckel met sigaretje in de spitse snuit — dat voortdurend in de weer is met de krant en ”de lezertjes”. Hij is weliswaar een buitenstaander in de Rommeldamse gemeenschap, maar staat met zijn neus ook overal vooraan. Wat mij aan deze Argus zo bevalt is dat hij nog het type journalist is dat het nieuws zelf gaat halen. Hij werkt in een stadsgemeenschap, dus hij zal wel moeten. Argus heeft in het kleinsteedse Rommeldam nog niet de hulp van gemeentelijke websites en voorlichters die zijn werk proberen over te nemen. Hij moet er (gelukkig dus) zelf op uit. Argus is de journalist die zoals de romantici uit het vak dat liefkozend noemen, “met zijn poten in het bluswater” pleegt te staan. The man on the spot, maar dan op micro-niveau.

Zijn opschrijfboekje is wat mij betreft verder symbolisch voor de betrekkelijke onafhankelijkheid van de geschreven nieuwsvoorziening. Beelden zijn altijd selectiever, manipulatiever maar ook verhullender dan het notitieboekje, omdat wat de camera in beeld brengt de rest van de werkelijkheid verdringt. Hans Goslinga heeft daarover gesproken in zijn Anne Vondeling redevoering (Hans Goslinga, De journalist en de macht van het beeld, Mets en Schilt, Amsterdam 2008 ). Ik schrijf ”betrekkelijk”, omdat volledige onafhankelijkheid en onbevooroordeeldheid niet bestaan, behalve als norm. Ik ontken verder niet dat er hele goede reportages gemaakt zijn met de camera, ik verdedig alleen de wendbaarheid en reflectiviteit van het geschreven woord. In combinatie met het geheugen van de verslaggever is dat een sterk wapen, dat maar moeilijk is te verslaan. Goed opletten, direct noteren wat van belang is, en later wat er eventueel nog aan toegevoegd moet worden. Vervolgens is het ook nog eens zo dat een goed geschreven nieuwsartikel een opbouw kent die in het beeld niet te vinden is, het geeft structuur aan een feitenrelaas.

Ambachtelijkheid
De ambachtelijkheid van de stadsjournalist heeft misschien nooit hoog op de lijst van eervolle zaken gestaan, maar ze is van grote betekenis voor het hele vak van de schrijvende journalistiek. Die kan zich voeden met het handwerk uit “de regio”, zoals het betaalde voetbal (vroeger) rustte op een stevige basis van bloeiende amateurclubs. In vroegere tijden werden journalisten in opleiding vaak in de regio of de stadsverslaggeving geplaatst. Daar kon je het vak leren, midden in de samenleving, zo was de redenering. Daar leerde je hoe belangrijk het was je feiten heel zorgvuldig te controleren, want een klein foutje leidde vaak onmiddellijk tot boze reacties van de gedupeerden. Je kreeg inzicht in de samenhang van de samenleving op meso-niveau en leerde veel over het spel van belangen van bestuurders, gemeenteraadsleden, bedrijfsleven, sport, cultuur en onderwijs. Maar niet alleen dat: je sprak al deze mensen ook en leerde — als het goed was — hoe je hen te vriend moest houden, maar toch ook op afstand, zodat je geen makkelijke prooi werd voor de plaatselijke notabelen, aannemers en middenstand. Die praktische distantie was een niet makkelijk te overschatten sociale vaardigheid voor een journalist; je kon haar alleen opdoen in de praktijk, zoals je daar ook jammerlijk kon mislukken. Stadskranten zitten vol praxis, ze ontstaan midden tussen het onderwerp waarover ze schrijven.

Het spreekt van zelf dat journalisten van gespecialiseerde afdelingen op landelijke redacties de eigenschap van de distantie ook nodig hebben. En ik ken dan ook heel wat collega’s bij wie dat het geval is; een flink deel van hen heeft zijn ambacht opgedaan op regionale redacties. Meer en meer echter komen gespecialiseerde journalisten uit de collegebankjes. Ze brengen een gedegen achtergrondkennis mee, dat heeft zijn waarde maar er zijn ook nadelen. Een journalist, of hij nu over de financiële wereld schrijft, sport of literatuur, behoort eigenlijk ooit wel eens tussen de oudejaarsrellen gestaan te hebben, hij moet weten hoe een gevangenis er vanbinnen uitziet, hoe pooiers hun zaken regelen, hoe het uitgaansleven van jongeren eruitziet en wat er zich achter de schermen van de gemeenteraad kan afspelen. Bij wijze van spreken dan want niet iedereen is hetzelfde en capaciteiten verschillen per individu, maar een zekere street wisdom is voor een journalist belangrijk. En waar doe je die wijsheid beter op dan in de eigen stad?

Oosterbaan en Wansink daarentegen draaien het om: ze pleiten voor inhoudelijk hoogopgeleide, lees academische, journalisten, maar willen nu ook weer niet ontkennen dat op straat veel te leren valt. Het lijkt er dan toch op dat journalisten in hun ogen intellectuelen moeten zijn die iets handig op weten te schrijven. Ondanks hun pleidooi voor behoud van de onderzoeksjournalistiek, zien ze onvoldoende in dat je daarvoor een bepaald door de wol geverfd type nodig hebt dat – en ik gebruik de term nu ook maar eens – veel in het bluswater heeft gestaan en niet alleen in bibliotheken en archieven goed de weg weet.

Een minstens even belangrijk punt is dat stadskranten van groot belang zijn voor de optekening van de stedelijke geschiedenis en daarmee indirect voor de ontwikkeling van een betrokken burgerschap en zo bijdraagt tot de identiteit van de individuele burgers zelf. Om met dat laatste te beginnen: het maakt wel degelijk wat uit als je in een stad woont waarvan het reilen en zeilen op de voet te volgen is. Wil je je mening vormen over het milieu- en groenbeleid van de gemeente waar je woont? Wil je kennis maken met de inzichten van de mensen die in jouw stad toneel en theater proberen vorm te geven? Wil je de verrichtingen van de verschillende hockeyclubs die de stad rijk is volgen? En vervolgens: wil je ook deelnemen aan deze activiteiten en je eigen bijdrage leveren? In dat geval kun je je informatie natuurlijk bijeen googlen op het net, gesteld dat er sites te vinden zijn die voldoende feiten leveren en actueel zijn. Maar de kans is groot dat de oogst vrij mager is, of uiterst onoverzichtelijk. Verreweg het interessants is toch om over een medium te kunnen beschikken waar de verslaggeving over al deze onderwerpen samenkomt, een informatieplein om het zo te zeggen van de eigen stedelijke wereld. En waar de informatie geplaatst is tegen een achtergrond. Zo’n plein moet bovendien druk bezocht zijn en vele bewoners hebben.

Een stadskrant is zo’n plein. Ze heeft een kritische massa (wordt door velen en verschillende belanghebbende partijen gelezen) en kent een variëteit aan onderwerpen en sectoren, zodat je niet alleen kunt vinden wat je zoekt (de hockeyuitslagen bijvoorbeeld) maar ook zaken krijgt aangeboden die je kunnen verrassen of je anderszins bij dingen betrekken. Het spreekt voor zich dat de krant in zijn traditionele papieren gedaante nog maar een fractie van zijn potentiële kracht ten toon spreidt, in combinatie met een goede onderliggende website kan de reikwijdte, invloed en informatiedichtheid nog vele malen worden vergroot. Dat geldt voor stadskranten misschien nog meer dan voor landelijke.

De stadskrant als informatieplein is niet alleen voor de individuele burger een klassiek goed, ze is ook een rijke, openbare bron waar de stedelijke gemeenschap in haar geheel veel aan kan hebben. Ze is een bron voor historici, en voegt, als het goed is, ook zelf zaken toe aan de geschiedenis door het onderzoek dat ze doet. Zaken die anders nooit zouden zijn gesignaleerd, komen alsnog in de annalen terecht. Daar zijn vele voorbeelden van. Ingrijpende of sluipende veranderingen vinden nergens hun neerslag beter dan in een dagblad. Dag in dag uit laat de krant een voor velen vaak versnipperd en caleidoscopisch beeld van het leven van alledag zien — achteraf blijkt er vaak systeem in te zitten, een patroon. Voor de plaatselijke geschiedschrijving is een dergelijke bron van niet te onderschatten betekenis. Het valt nog te bezien, welke sporen lokale websites en regionale zenders voor het nageslacht achter zullen laten. De openbaarheid van de stadskrant is duurzamer en meer omvattend dan van andere media, in elk geval op dit moment nog.

Redenen voor optimisme
Is dit pleidooi voor de stadskrant niet al te idealistisch? Gaat het niet voorbij aan het gebrek aan professionele kwaliteit dat de regionale pers ook wel heeft laten zien in het verleden, aan het eindeloos gezeur over hondenpoep, kritiekloze interviews met lokale regenten of het vrijwel ongeredigeerd afdrukken van persberichten? Een belangrijke vraag is ook: moeten we niet gewoon onder ogen zien dat het einde van de geschreven pers nadert, en dat de regionale pers – al was het alleen maar vanwege de schaalnadelen die ze heeft – het eerst het loodje zal leggen?

Het zijn realistische vragen die niet luchtig weg te wuiven zijn. Je kunt wel een voorstander zijn van de papieren krant omdat ze een wenselijk maatschappelijk instituut is, als er geen lezers en adverteerders meer zijn houdt alles op, zoals dat heet. Toch zijn er genoeg redenen voor optimisme. Ik noem er enkele, ze kwamen eerder vanuit een ander perspectief ook al aan bod. In de eerste plaats is er al enige tijd een tendens gaande dat mensen weer meer belang gaan hechten aan hun eigen werk- en leefomgeving. In jonge stedelijke gebieden als Almere en Zoetermeer is behoefte aan sociale en culturele hechting en verdieping. Hier vestigden zich indertijd de mensen die uit de stad wegtrokken, hun binding met het centrum verloren en daarmee met de stad van afkomst. In hun plaats kwamen indertijd vooral niet-kranten-lezende allochtonen de steden binnen. Inmiddels is er bij de wegtrekkers weer een behoefte aan binding ontstaan, terwijl in de oude stedelijke centra die behoefte nooit weggeweest is; bovendien, nu er een derde generatie migranten in opkomst is die maatschappelijk en politiek actief is, behoren ook zij tot de potentiële lezers van een goede stadskrant. Dat laatste is mijn tweede argument. Een en ander heeft uiteraard consequenties voor het karakter van de krant zelf. Dat zal een veel breder, multicultureel gezicht moeten krijgen, waar ze traditioneel voornamelijk op de witte, oorspronkelijke bevolking leunde. Die aanpassing werd trouwens toch tijd.

Een derde reden om niet bij de pakken neer te zitten is dat waar de kennis en ervaring van stadsredacties nog niet geheel geërodeerd is door vergaande bezuinigingen, er een goede uitgangspositie is om met nieuw élan de positie weer op te bouwen, zij het op een nieuwe manier. De schaalnadelen van een kleine, regionale krant, kunnen in hun tegendeel verkeren als een keten van stadskranten, zoals AD Nieuwsmedia die (nu nog) in handen heeft, kan ontstaan die de gehele Randstad van Nederland beslaat. Zo zou er dus een aantrekkelijke advertentiemarkt kunnen ontstaan.

Op zich zijn dit geen argumenten die van zelf tot een doorslaggevend succes leiden voor de toekomst van de stadskrant. Die toekomst echter is niet iets wat ons passief alleen maar overkomt, van buitenaf dus, maar voor een deel scheppen we haar mede. Je kunt afwachten wat er gebeurt, en dan is het zeker dat het verval van de (stads)krant steeds verder door zal zetten. Mijn pleidooi is de genoemde lichtpuntjes als kansen te zien een nieuwe en krachtige stedelijk informatieknooppunt op te zetten, met de traditionele papieren stadskrant als basis. De kracht van de stadskrant is, zoals ik dat al noemde, een openbaar informatieplein te zijn, waar nieuwe ontwikkelingen, meningsvorming, eigen onderzoek en een archieffunctie elkaar dagelijks en misschien zelf van uur tot uur vinden.

Als hoogwaardig informatiemedium kan de stadskrant gebruik gaan maken van het enorme kennisveld dat stedelijke samenlevingen zijn. Steden als Rotterdam, Den Haag en Amsterdam bezitten universiteiten en hogescholen, uitgeverijen, onderzoeksinstituten, musea, educatieve en medische instellingen. In samenwerking met deze instellingen kunnen stadskranten lokale thema’s aan de orde stellen die verrassende inzichten en informatie op kunnen leveren. Voor de plaatselijke politiek, de wereld van kunst en cultuur, en de stad in haar geheel. De digitale media kunnen zo in combinatie met papier een enorme meerwaarde leveren.

Landelijke dagbladen ontmoeten op het terrein van internationaal, parlementair en ander landelijk nieuws veel concurrentie in de radio en televisie, en internet. Stadskranten staan nog sterk wat dat betreft, ze hebben nog een leidende positie. Regionale radio en televisie leunen meestal zwaar op de schrijvende plaatselijk pers. Men volgt de gemeentelijke persberichten, spelt de regionale krant en laat voor het overige de zendtijd te vaak vullen door plaatselijke hobbyisten die gesubsidieerd plaatjes draaien. En van de initiatieven van de laatste jaren tot alternatieve kwaliteitsvolle weekkranten, die het gat van de krimpende regiopers zou moeten vullen, is nog weinig te zien geweest. Ze missen een groot podium, verschijnen niet dagelijks, zijn dus niet spraakmakend genoeg. Vaak gaan ze gebukt onder de onkritische publicatielust van gepensioneerde journalisten. Al zijn de regiokranten dus ernstig uitgehold, ze zijn er nog!

Het is mijn overtuiging dat de stadskrant nú, voordat de doodgravers haar hebben bijgezet op het veld van eer, zijn kans moet pakken. In een stedelijke samenleving waar alom gebrek is aan samenhang, maar waar burgers voortdurend op zoek zijn naar die samenhang, moet dat kunnen.

Samenvatting

  1. Stadskranten zijn belangrijk voor het hele metier van de schrijvende journalistiek. Ze vormen de basis van het journalistieke handwerk.
  2. De opkomst van de nieuwe media en de al bestaande regionale radio- en televisie vormen geen alternatief voor het totaalproduct krant. Deze hoeft niet van papier te zijn, maar slechts gedeeltelijk; de stadskrant is vooral een inhoudelijk product, een informatieplein.
  3. In de globaliserende wereld wordt het lokale weer belangrijker. Democratie begint in eigen stad of streek.
  4. Stadskranten hebben een democratische forumfunctie, zijn belangrijk voor het stedelijk geheugen en de identiteit van burgers.
  5. De stadskrant moet niet alleen willen overleven, maar zich in vele opzichten vernieuwen en verbreden.

Jan-Hendrik Bakker

Jan-Hendrik Bakker (1953) is journalist en filosoof. Hij werkte als verslaggever bij het Rotterdams Nieuwblad en de Haagsche Courant op de redacties stad, kunst en buitenland. Hij publiceerde verder over literatuur en (nieuwe) media in verschillende culturele tijdschriften. In 1999 promoveerde hij aan de Erasmus Universiteit op een proefschrift over lezen en schrijven (Tijd van lezen). Zijn laatste boek gaat over verstedelijking (Welkom in Megapolis, Atlas, Amsterdam 2008). Voor het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis schreef hij ''Hoe taai is Gutenbergs nakomertje. Over de overlevingskansen van het betaalde dagblad''. Hij is momenteel in dienst van AD Nieuwsmedia en schrijft over boeken en Haagse zaken.

Alle artikelen van Jan-Hendrik Bakker op De Nieuwe Reporter.

  • Bert Kok

    Mooie woorden, al zijn het er een beetje veel. Nu alleen nog even een businessmodelletje bedenken…

  • De auteur “is journalist en filosoof” en “is momenteel in dienst van AD Nieuwsmedia”.

    En wat schrijft deze journalist en filosoof: “Het is niet toevallig dat de stedelijke edities van het AD (Utrecht, Den Haag, Rotterdam) onder de lezers een hoge waardering krijgen.”

    Ik weet niet waar Jan-Hendrik Bakker (geen familie) de afgelopen heeft rondgelopen, maar in de leegloop in Utrecht, Den Haag, Rotterdam kan ik met de beste wil van de wereld geen bewijs van “hoge waardering” zien.

    Waar is deze merkwaardige opvatting eigenlijk op gebaseerd? “Niet toevallig?” Het is vooral niet waar.

  • Zoals Piet Bakker terecht vaststelt staan er dingen in dit stuk die niet helemaal waar zijn, maar er staan ook zaken in die aandacht verdienen. Je moet er toch niet aan denken dat er witte plekken ontstaan op de kaart: stukken van het land waar geen media meer zijn die het wel en wee van de samenleving volgen en zo nodig kritisch volgen

  • Jan-Hendrik Bakker

    Mijn hooggeleerde naamgenoot leest net iets te snel, en begint dan uit de flank te schieten. In mijn stuk doel ik op een lezersonderzoek onder de huidige AD-abonnees. Die waarderen het regionale karakter van de stadsedities hoog. Dat eerder duizenden abonnees van UN en HC bij de fusie wegliepen, was een drama maar sterkt ook mijn overtuiging dat stadskranten op de een of andere manier toekomst hebben.

    Jan-Hendrik Bakker

  • wim kramer

    Wat een onzinnig stuk. “Regionale omroepen die zwaar leunen op de schrijvende plaatselijke pers” Waar is de schrijver van dit artikel de laatste jaren geweest. Heeft hij gemist dat er door de kranten zwaar bezuinigd is op de edities, zeker bij het AD notabene. En zwaar leunen…..RTV Utrecht heeft vorig jaar kritisch onderzoek gedaan naar de brand in het Armandomuseum in Amersfoort en van alles boven tafel gekregen waar het AD driftig uit geciteerd heeft. Vorig jaar ook kritisch onderzoek gedaan naar de integratie van de Roma in Nieuwegein. Ook daar is door de plaatselijke geschreven media over bericht. Niks mis mee hoor. Wij doen met liefde onderzoeksjournalistiek.
    En voor de rest: alles wat door de schrijver wordt toebedicht aan de stadskrant werd vroeger geschreven door de stads- en editieredacteuren van de plaatselijke media. Niks nieuws dus.