Oud-hoofdredacteur van het NOS-journaal, Nico Haasbroek, en ik zelve ontmoeten elkaar zo af en toe voor een zakelijke kwestie. Het leuke van dergelijke ontmoetingen is dat we, na gedane zaken, onze gedachten de vrije loop laten (een ongekende luxe!) over wat je met een vreselijk woord ‘het vak’ zou kunnen noemen, in ons geval dus de journalistiek. Het prettige – of moet ik zeggen: het lastige? – van deze gesprekken is dat telkens blijkt dat ons in de tussentijd, onafhankelijk van elkaar, min of meer dezelfde dingen zijn opgevallen en dat het ongeloof over de richting waarin de journalistiek zich beweegt alsmaar toeneemt, al is de humor gelukkig nooit ver weg en kunnen we er ook om grimlachen.
Voorbeeld: één van ons beiden hoeft maar ‘De Wereld Draait Door’ te zeggen, of we beginnen in een vreemde mengeling van bewondering en afschuw te ginnegappen over dit succesvolle Vara-programma. De paradox van deze watervlugge talkshow is immers dat er weliswaar interessante gasten aan tafel zitten, dat de interviewer van dienst kundig en eloquent is, dat er af en toe boeiende dingen worden gezegd, maar dat al het talent, voor en achter de schermen, zich uitlevert aan een format dat eist dat elk onderwerp binnen vijf á zeven minuten naar een conclusie wordt gejaagd. Het is alsof je een batterij vijfsterren koks een seizoen lang kroketvullingen laat fabriceren.
De afnemer bepaalt de vorm
Er is het onderlinge besef dat DWDD symbool staat voor een dilemma waaraan geen medium zich, helaas, meer schijnt te kunnen onttrekken: de veronderstelde afnemer bepaalt de vorm. Ochtendlijke forensen hebben haast, dus produceer je een snelle krant vol ‘kortjes’. De ‘boodschappers’ komen moe terug van hun werk, dus lardeer je actualiteiten met score-muziek en een dramatische voice-over. De werkende Nederlander hangt volgens de statistieken in veel gevallen tegen een burn-out aan, dus maak je een nieuwe glossy over yoga en boeddhisme en noemt het ‘Maria’. In één simpel woord kun je deze voorspelbare keuzes in de media benoemen als ‘doelgroepenterreur’.
Nog los van de vraag of afnemers wel voortdurend willen afnemen wat ze zeggen te willen afnemen en de bevlogenheid van journalisten wel floreert binnen de door marketeers opgelegde formats, prikt het primaat van de vorm in een veel wezenlijker dilemma: staat de journalistiek nog aan de kant van de nieuwsgierigheid? Is het nog een kracht die onderzoekt, twijfelt, gist, punnikt, fantaseert, zich verwondert? Of is het definitief onderdeel geworden van de bestaande orde? Van de antwoordensector in plaats van de vragensector? En wordt ze (steeds meer) gezien als gesneden uit hout, waar ook reclamespots, PR-shows en politieke toespraken van worden gemaakt? Zo ja, heeft de journalistiek daarmee zijn ‘ziel’ al een tijdje niet gewoon uit handen gegeven? En is DNR (en ook Twitter) niet al een tijdje een quasi-actieve echoput van ontzielde vakgenoten? Vragen, vragen…
Omdat de discussie op DNR wat mij betreft te vaak over nieuwe technieken en distributiewijzen gaat, lijkt het me geen kwaad kunnen deze kwestie nog eens onder de aandacht te brengen. Ik hoor veel mensen al roepen dat mijn voorstelling van zaken ‘te romantisch’ is of ‘te elitair’, dat journalistiek anno nu ‘gewoon business’ is. Dat moge misschien zo zijn, maar dan zeg ik op mijn beurt: stop in al die hippe clubjes eens met al het gewauwel over innovatie, crossmediale platforms, verdienmodellen, camjo’s en al of niet invloedrijke blogs en erken dat aan al die vormkwesties een veel wezenlijker kwestie voorafgaat: is een door en door verzakelijkte journalistiek, die steeds krampachtiger op zoek moet naar sponsordeals en verdienmodellen, überhaupt nog in staat mensen te raken? En wijst de verbeten strooptocht niet op het antwoord ‘nee’ of ‘steeds minder’?
‘Doelgroepenterreur’
In dit verband is het zo ontzettend jammer dat ook bij de Publieke Omroep de ‘doelgroepenterreur’ tot in de hoogste regionen heilig is verklaard. Dat de commerciële pers probeert te voldoen aan de eisen en verwachtingen van de klant en zich derhalve bijna automatisch dient te conformeren, is hen onmogelijk voor de voeten te werpen. Ze doen daar gewoon hun werk (en dat doen ze, binnen de mogelijkheden, vaak heel aardig). Maar dat alles ‘van betekenis’ in het netmanagersoverleg van Nederland 1, 2 en 3 wordt geschrapt of aan de randen van het uitzendschema wordt gedumpt, is, welbeschouwd, een grof schandaal. Zelfs binnen de hekken van de Publieke Omroep is het dus één lang DJDD: De Journalistiek Draait Door.
6 reacties