,,Het stomste wat er in de wereld bestaat is een journalist die denkt dat hij het eigenlijk beter weet. Wij weten bijna altijd te weinig.’’ Deze uitspraak van André Spoor, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad (1970-1983) in M begin deze maand zal vele discussianten op deze site zijn ontgaan. Maar hij raakt hiermee terecht een gevoelige snaar waarover men zich in de voortdurende discussies op De Nieuwe Reporter zich druk zou moet maken.
Spoor stelt dat hij in zijn tijd één grote fout heeft gemaakt: het overdadig toepassen van de byline, ofwel het met naam en toenaam van de redacteur onder of boven een krantenstuk. Elke jongere die bij de krant kwam had ineens een stuk onder naam. Dat leidde er al gauw toe, zegt Spoor, dat ze in hun vriendenkring prestige kregen, en veel erger, dat ze zichzelf heel wat gingen vinden.
Zijn opmerkingen sloegen vooral op NRC Handelsblad, terwijl het bij deze krant eigenlijk wel meevalt. Bij andere landelijke dagbladen heeft de ‘naamsinflatie’ nog veel erger toegeslagen. Als trouw lezer van het populaire AD kom ik zelfs stukken tegen van pakweg 300 woorden, gemaakt aan de hand van gegevens van persbureaus of op basis van enkele gepleegde telefoontjes, waarboven zonder enige schroom twee namen van de (eigen) journalisten zijn gezet.
Aan het bureau maakte je vroeger zo’n stuk binnen een half uur. Je peinsde er niet over daarboven je naam te zetten, want het maken ervan behoorde tot je dagelijkse taken als ‘doorgeefluikjournalist’.
Actie
Het bewerken van informatie – eigenlijk ordinair jatwerk zonder bronvermelding – heeft zeker op internet een grote vlucht genomen. Al dan niet met de naam erbij van de nijvere (?), professionele journalist of van de burgerbeunhaas.
De uitspraak van de ‘ouderwetse’ Spoor – de jongeren zullen wel van hem gruwen – deed mij denken aan een ‘actie’ die ik in de jaren ’90 bij het Rotterdams Dagblad heb gevoerd. In een interne nieuwsbrief had ik opmerkingen geplaatst wanneer een naam boven een stuk niet zou misstaan. Dat was vooral gericht tegen de jongeren ter redactie die al snel dachten dat ze wat voorstelden in ons vak.
Mijn richtlijnen waren:
1. Het moet eigen en bijzonder werk zijn. Een nieuwsachtig bericht maken, dat elke andere concurrent heeft of had, is gewoon een kwestie van dagelijkse routine. Hierin heeft de journalist de taak informatie klaar maken voor de lezer. Niet meer en niet minder. Een sterke eigen primeur als nieuwsbericht kan natuurlijk wel aan de naam van de presterende redacteur worden gekoppeld. Net zo goed als sportverslaggeving die tegenwoordig heel vaak vooral analyserend en/of opiniërend is.
2. Dragende interviews waarbij de vragensteller (de journalist) duidelijk maakt dat hij de kennis heeft onderwerpen aan te pakken.
3. Reportages waarbij de eigen inbreng van de journalist zeer herkenbaar is.
4. Analyses en commentaren. Het moet hierbij gaan om stukken en verhalen waarin de journalist eigen kwaliteiten en kennis verwerkt.
Na mijn oproep heeft het een paar maanden geduurd voordat collega’s weer als veredelde ijdeltuiten boven de meest waanzinnige berichten en magere stukjes hun naam gingen zetten. Ook eindredacteuren durfden niet meer rigoureus de namen weg te halen.
Rest de vraag of het erg is dat Jan en Alleman in de (professionele) journalistiek bijna aan alles zijn eigen naam koppelt. Natuurlijk niet. Maar er zijn grenzen. In het doorgeven van nieuws zou je anders ook de naam van de externe medewerker (burger?) of van de verslaggever van het persbureau moeten melden.
5 reacties