Chris O’Brien: management het meest gekant tegen vernieuwing

obrienSan Jose Mercury News-verslaggever Chris O’Brien schrijft normaal over bedrijven in Silicon Valley. Zijn kennis van de hightech-economie kwam hem goed van pas toen hij in 2007 en 2008 het Next Newsroom Project uitvoerde voor The Chronicle, de krant van Duke University in North Carolina. Aanleiding was de aanstaande verhuizing van The Chronicle, waarvoor O’Brien zelf schreef toen hij studeerde, naar een nieuwe campus. Een unieke kans om de redactie van de toekomst neer te zetten, meende O’Brien. Om te bepalen hoe die eruit moest zien, onderzochten hij en zijn team met 40.000 dollar van de Knight Foundation twintig reguliere, universiteits- en buurtkranten in Amerika. Het Next Newsroom Project leverde een reeks aanbevelingen op waarmee alle kranten hun voordeel kunnen doen. O’Brien geeft er lezingen over en zet het debat voort op zijn website.

Beschrijf eens hoe de Next Newsroom eruit ziet.
“We hebben vijf punten opgesteld: stel de gemeenschap centraal, maak innovaties tot prioriteit, publiceer op alle platforms, werk samen met andere kranten en bevorder transparantie. Maar elke krant moet die op zijn eigen situatie toepassen. Er is niet één ideale Next Newsroom, er zullen er vele zijn. Het wordt een ecosysteem van bloggers en andere informatie-leveranciers. En als je de redactie naar een multi-platformwereld vertaalt, komt er een hele groep nieuwe banen bij, zoals cybrarian, aggregator, community manager en innovation director.”

Hoe stimuleer je dat journalisten innovaties als prioriteit gaan beschouwen?
“Het management moet journalisten aantrekken die in staat zijn te vernieuwen. Het moet in hen investeren en hen belonen. Maar daarvoor moet eerst het management zelf aan boord komen. Dat is nu vaak het meest gekant tegen vernieuwing.”

Een van je meest opmerkelijke aanbevelingen is dat kranten op alle platforms, ook in druk, moeten publiceren. INternetgoeroe en hoogleraar Clay Shirky zei juist in een veel geciteerde blogpost dat de gedrukte krant gedoemd is te sneuvelen.
“Het verbaast me dat zijn betoog op Internet zoveel bijval heeft gekregen. Ik ben het totaal oneens met de notie, aangedreven door mensen in de digitale wereld, dat kranten niet langer op papier moeten verschijnen. Ik geloof heilig in de toekomst van de gedrukte krant. Miljoenen lezers hebben er nog steeds een duidelijke voorkeur voor en adverteerders betalen er ook meer voor. De meeste kranten halen tachtig tot negentig procent van hun omzet uit gedrukte advertenties.”

Maar hoe moeten kranten hun gedrukte versies vernieuwen zodat ze beter worden gelezen?
“De oplages begonnen eind jaren tachtig, al voor de komst van internet, te dalen. Kranten kampen met een fundamenteel probleem dat niets met internet heeft te maken: het dagelijks leven en de lezers-demografie zijn ingrijpend veranderd. Eens per dag het nieuws in één vorm consumeren werkt niet voor veel mensen. Dus denken redacties: we publiceren kortere verhalen en veranderen de lay-out. Daar moeten ze mee ophouden, want ze hebben de lezers niet teruggekregen, maar ondertussen wel hun belangrijkste product slechter gemaakt. Geen enkele industrie heeft ooit zo zijn problemen opgelost. Redacties moeten aan lezers van de gedrukte krant vragen hoe je die voor hen kunt verbeteren. Publiceer dan het brekende nieuws online voor een groot publiek en geef het nieuws meer context in de gedrukte versie voor een kleiner publiek, waaraan je geld vraagt. Op die manier wordt de gedrukte krant geassocieerd met kwaliteit.”

Moet er online ook weer worden betaald voor content?
“Dat is een lastiger vraag. Je zou ermee moeten experimenteren. Financieel gezien is het belangrijker dat abonnementen misschien twintig procent van de omzet binnenbrengen en dat de abonnees altijd betaalden voor veel verschillende dingen. Een krant is namelijk veel meer dan de journalistiek, het is de lokale marktplaats waar mensen dingen kopen en verkopen. De vraag moet daarom zijn: hoe creëer je een nieuwe marktplaats online? De Lawrence Journal-World in Kansas speelt in op het feit dat slechts 45 procent van de lokale bedrijfjes in Amerika een website heeft. Het multimedia-team van de krant maakt nu tegen betaling websites voor bedrijven in plaats van advertenties te verkopen. Het werkt heel goed voor die krant, al weet ik niet of het evenveel oplevert als advertenties.”

Je moedigt tevens co-opetition (co-operation en competition) aan. Hoe zie je dat voor je?
“Hier in Silicon Valley is dat een bekende term. Google, Cysco en andere grote tech-ondernemingen zijn elkaars concurrentie, maar werken op sommige gebieden ook samen. In de journalistiek kan co-opetition zo simpel zijn als naar elkaars artikelen linken, terwijl je tegelijk je eigen versie van het verhaal publiceert. Een ander voorbeeld is het Chauncey Bailey Project, waarin media samenwerken die elkaar normaal op het scherpst van de snede beconcurreren.”

Transparantie is belangrijker dan ooit nu er zoveel informatiebronnen zijn. Hoe kunnen journalisten transparanter te werk gaan?
“De uitdaging voor de consument is: hoe kan ik erachter komen wie ik kan vertrouwen? Een goed voorbeeld is het Common Language Project, gestart door drie journalistes uit Boston die met behulp van donaties buitenlandverslaggeving doen. Maar het onderdeel dat de meeste aandacht krijgt is hun blog waarop ze uitleggen wat zich achter de schermen afspeelt wanneer ze op reportage zijn. Redacties moeten dat proces openbaar maken, want het is vaak interessanter dan het eindproduct.”

Wat heb je niet kunnen doen tijdens het Next Newsroom Project dat je nog graag zou doen?
“Als ik de financiering en de hulp ervoor ooit kan rondkrijgen, wil ik het project uitbreiden naar het buitenland, naar Latijns-Amerika, het Verre Oosten en delen van Europa. Daar zijn meer media nog in het bezit van families en deze steken er meer geld in. In Athene bijvoorbeeld heeft de krant Eleftheros Tipos een spiksplinternieuw multimedia-redactiegebouw. In de VS hebben media-ondernemingen zich enorm in de schulden gestoken door andere kranten op te kopen. Omdat ze die schulden moeten aflossen, kunnen ze niet investeren in innovatie.”

Staan journalisten open voor wat je zegt wanneer je lezingen geeft over het Next Newsroom Project?
“Een van de grote verrassingen is dat journalistiek-scholen in dit opzicht vaak conservatiever zijn dan professionele journalisten. Dat komt onder meer omdat de scholen vastzitten aan de jaarcyclus, waardoor ze niet voortdurend kunnen experimenteren. Maar het ligt ook aan de leraren zelf. Ze verbinden journalistiek bijvoorbeeld niet met sociaal netwerken, terwijl ze lesgeven aan de Facebook-generatie.”

Je zei eerder dat het management van kranten het meest gekant is tegen innovatie. Bij de San Jose Mercury News maakte je deel uit van het Rethinking the Mercury News-project, dat uitzocht hoe deze krant moest vernieuwen. In hoeverre heeft de directie jullie aanbevelingen doorgevoerd?
“Het was onze bedoeling de hele redactie om te gooien, maar er is niets gebeurd met onze bevindingen. Verder kan ik er geen commentaar op geven.”


Geen reacties.


Laat een reactie achter »