De culturele sector als voorbeeld voor journalistiek
Kan het model van de culturele sector als voorbeeld dienen voor de journalistiek? Richard Tofel, general manager van onderzoeksjournalistiekinstelling ProPublica denkt van wel. ‘Bepaalde vormen van journalistiek zijn een publiek goed’, zei hij onlangs op een bijeenkomst georganiseerd door het Center for Future Civic Media op het Massachusetts Institute for Technology.
“Ze zijn belangrijk voor de samenleving, maar zijn tegelijkertijd erg duur en de markt kan ze niet in stand houden.” Journalistieke organisaties moeten dus op zoek naar andere organisatiemodellen en kunnen zich daarbij laten inspireren door theatergezelschappen of musea. Ook universiteiten kunnen een rol spelen bij het in stand houden van publieke diensten als journalistiek, stelde Tofels collega Joe Bergantino van het New England Center for Investigative Reporting op dezelfde bijeenkomst.
Hoe zien deze organisaties er in de praktijk uit? Wat voor journalistiek bedrijven zij? En hoe werken ProPublica en het NECIR samen met bestaande journalistieke instituties? Tofel doelt met zijn verwijzing naar de culturele sector op de manier waarop die in Amerika wordt gefinancierd. ProPublica, officieel een ‘bedrijf zonder winstoogmerk’ voor onderzoeksjournalistiek, voldoet voor een deel aan dat model. De organisatie wordt grotendeels bekostigd door giften van liefdadigheidsstichtingen. De Sandler Foundation, opgericht door de voormalige bankiers Herb en Marion Sandler is veruit de belangrijkste met een gift van 10 miljoen dollar per jaar. (zie dit, dit en dit artikel van Helène Schilders over onder meer de oprichting van ProPublica en haken en ogen van private financiering).
De New York Times publiceerde ook een uitgebreid artikel over de Sandlers. Ook andere stichtingen dragen bij aan het budget, en lezers kunnen via de webpagina geld schenken.
“Meer leren van culturele instellingen”
Geld van de overheid of van grote bedrijven wil Tofel niet aannemen om zijn onafhankelijkheid te bewaren. “Wel zouden we nog meer kunnen leren van culturele instellingen”, denkt Tofel. In de Verenigde Staten krijgen deze doorgaans veel minder overheidssubsidie dan in Nederland en werven fondsen via lidmaatschappen, museumwinkels, sponsorbijdragen, speciale ‘fund raising events‘ en giften. Het onderhouden van de band met het publiek is van groot belang voor deze organisaties. Ook de Amerikaanse publieke televisie en radio-omroepen PBS en NPR zijn op dit model gebaseerd.
Joe Bergantino gaf tijdens de bijeenkomst nog een andere toekomstige mogelijkheid voor publieke diensten zoals onderzoeksjournalistiek. Zijn eigen stichting, het New England Center for Investigative Reporting heeft een thuisbasis gevonden op Boston University. Ook hier geldt dat er in Amerika een langere traditie is waarin universiteiten betrokken zijn bij de organisatie en financiering van activiteiten in de culturele sfeer, variërend van toneelgezelschappen tot kunstmusea.
Op zoek naar macthsmisbruik
De organisatiemodellen van ProPublica en het New England Center hebben een geheel eigen opzet. Propublica heeft ‘onderzoeksjournalistiek’ een specifieke invulling gegeven. “We zijn op zoek naar zaken die gaan over machtsmisbruik, of over personen die het publieke vertrouwen hebben geschaad”, zegt Tofel. Kort maar krachtig: “Onderzoeksjournalistiek is voor ons onderzoek doen naar die dingen die personen of instituties eigenlijk geheim willen houden”. De medewerkers zijn vooral op zoek naar voorbeelden van machtsmisbruik of van overheidsgeld dat niet goed wordt besteed. Meer sociologische onderwerpen vallen buiten de boot. Dat heeft deels ook te maken met de visie van de Sandlers. Zij willen niet zozeer de journalistiek op zich levend houden, maar willen vooral voorkomen dat de waakhond-functie van de journalistiek verdwijnt.
Propublica heeft daartoe 32 journalisten in dienst, die zowel technologie van traditionele als nieuwe media gebruiken. Zo is er op de website een voortdurend doortikkende ‘beloftenklok waarin het aantal dagen, uren en minuten wordt bijgehouden sinds een politicus een bepaalde belofte heeft gedaan, vergezeld van de vorderingen die er al dan niet gemaakt zijn om de belofte ook daadwerkelijk uit te voeren. Ook is er een Changetracker te vinden, een programma dat de website van het Witte Huis in de gaten houdt en melding maakt als er een pagina is veranderd. “Zo kun je ontdekken hoe de regering haar eigen geschiedenis steeds herschrijft”, zegt Tofel.
Op die manier ontdekten ze hoe de officiële visie op onderwerpen als Irak en Katrina opeens veranderden. Maar de meeste aandacht besteedt ProPublica aan het ouderwetse spit- en graafwerk. De artikelen die dat oplevert worden opvallend genoeg niet als eerste op de eigen site gepubliceerd. “Het doel is niet om een alternatieve krant of tijdschrift te beginnen, maar om zoveel mogelijk impact te hebben op het publieke debat”, zegt Tofel. Als een journalist een zaak rond heeft, wordt het verhaal daarom gratis aangeboden aan een krant, tijdschrift of televisiestation. “We kijken bij ieder verhaal in welk medium we de grootste impact kunnen hebben en peilen dan of er bij dat medium interesse is.” Het verhaal wordt vervolgens exclusief aangeboden. “Wij denken dat we meer impact hebben als we een enkel medium uitkiezen om het verhaal te publiceren, in plaats van het op zo veel mogelijk plekken uit te zetten.” Daarbij wordt meestal in een vroeg stadium contact gezocht. “Zodra we het idee hebben dat we ergens beet hebben, benaderen we een eindredacteur van een krant en vragen of die interesse heeft. Vanaf dat moment is die eindredacteur dan ook betrokken bij de verdere ontwikkeling van het verhaal. Stijl en invulling worden ook aan het betreffende medium aangepast.”
Budgetten en redactiepolitiek
De afnemende partij hoeft voor het artikel niets te betalen. “Die paar duizend dollar die je voor zo’n verhaal zou krijgen, heeft nauwelijks invloed op onze begroting van tien miljoen per jaar.” Maar er is nog een belangrijkere reden om gratis te leveren: “Als je geld voor een artikel vraagt, wordt er op een redactie een zakelijke afweging gemaakt en krijg je te maken met budgetten en redactiepolitiek. Dan zegt een business guy: ‘Hoeveel kost het? Wat levert het op? En kunnen we daar niet zelf iemand opzetten?” Als je het gratis aanbiedt, wordt het aanbod op zijn journalistieke merites beoordeeld, denkt Tofel. Onderdeel van de afspraak is wel dat alle verhalen na verloop van tijd ook op de eigen ProPublica-website worden gepubliceerd.
Het New England Center for Investigative Reporting heeft een model dat net wat anders werkt. De thuisbasis van deze non-profit is het ‘College of Communication’ van Boston University. Verdere financiering komt van de Knight Foundation en van een aantal mediapartners, zoals de Boston Globe, het radiostation WBUR en het tv-station New England Cable News.
Journalistieke producties die het NECIR vaak samen met journalisten van de mediapartners uitwerkt, worden aan diezelfde mediapartners aangeboden. In de toekomst, zo hoopt Bergantino, zal het aantal mediapartners nog verder worden uitgebreid. “Uiteindelijk willen we uitgroeien tot een AP voor regionale onderzoeksjournalistiek.” Met als belangrijk verschil dan dat de financiering van zijn persbureau voor een deel verzorgd moet worden door instanties als de universiteit, fondsen en particuliere giften.










2 reacties:
25 mei, 2009
Dank Martijn,
Helder verhaal over het plan dat ons persbureau al een tijdje met toenemend succes in de markt aan het zetten is. Dit is een nieuw bewijs dat het levensvatbaar is.
25 mei, 2009
Wat de situatie in Nederland betreft, een vergelijkbare charitatieve media-ondersteunende cultuur zal ook hier nodig zijn maar moet nog grotendeels tot ontwikkeling komen. Hoewel ik met de financiering van meerdere media/journalistiek projecten bezig ben, zal ik me hier even beperken tot mijn ervaringen als hoofdredacteur van De Nieuwe Reporter.
Omdat De Nieuwe Reporter te weinig geld aan advertenties en vacatures overhoudt, we daardoor grotendeels afhankelijk zijn van de bijdragen van fondsen en zulke bijdragen nooit eeuwigheidswaarde hebben, verdiepte ik me de afgelopen jaren grondig in het vaderlandse fondsenwezen.
Het begin van een dergelijke zoektocht is ontmoedigend. Wie er het register van de “liefdadigheidsbijbel”, het zogenaamde Fondsenboek (730 pag.), op na slaat, krijgt de indruk dat journalistiek uberhaupt geen object van charitatieve steun is. De trefwoorden “kunst” en “cultuur” leveren lange reeksen fondsen op, maar er staan maar drie fondsen in vermeld die het tot (een van hun) doel(en) rekenen om financiele steun aan journalistieke projecten te verlenen: het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, de Stichting Lucas-Ooms Fonds, en de Stichting Nederlands Toneelverbond. De twee laatstgenoemde fondsen vallen direct af vanwege hun specifieke gerichtheid en geringe jaarbudget, zodat alleeen het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten overblijft. En het nadeel van dat fonds is weer dat het alleen steun verleent individuele personen, terwijl ook de hoogte van de steunverlening – de gemiddelde bijdrage is 8.500,- euro – tot enige terughoudendheid stemt.
Om nog even op het register van het Fondsenboek terug te komen: bij de trefwoorden “media” en “pers” vermeldt het zelfs helemaal geen mogelijke fondsen en donoren.
Mijn ervaring is dat het loont om het Fondsenboek met een ferme klap dicht te slaan en zelf te gaan praten en lobbyen. Ten eerste omdat niet alle fondsen in het boek vermeld staan: Stichting Democratie en Media en het Stimuleringsfonds voor de Pers, beide al ruim drie jaar tekenend voor financiele steun aan DNR – staan bijvoorbeeld niet in dit boek.
Ten tweede omdat er ook fondsen, families en personen bestaan die pas interesse voor journalistieke projecten ontwikkelen of tonen als ze met een goed plan benaderd worden.
Het vergt geduld, tact, diplomatiek werk en een dosis geluk maar vroeg of laat stuit je op personen en instellingen die behalve een gevulde portemonnaie een passie voor journalistiek blijken te hebben en tot financiele steun voor een goed project te porren zijn. Ook zijn er instellingen die financiele steun over hebben voor een samenwerking waarvan ze ook zelf in immateriele zin beter worden.
Het is nog net te vroeg om uit de doeken te doen waar ons dit in het geval van (de financiele toekomst van) De Nieuwe Reporter nu precies brengt maar daar gaat het eigenlijk ook niet om. Het belangrijkste is dat ook in Nederland een charitatieve, op maatschappelijk en democratisch belang georienteerde cultuur ontwikkeld wordt waarvan serieuze journalistiek en haar publiek de vruchten kunnen plukken.