En daar stond hij dan op de voorpagina van NRC Handelsblad: zakenman Louis Reijtenbagh. ‘Rijk van andermans pech’, kopte de krant afgelopen zaterdag. De van fraude verdachte Nederlandse superspeculant werd in de krant uitgebreid geportretteerd. Eindelijk, na vele maanden wachten had het immorele graaikapitalisme in Nederland een gezicht gekregen. Topverhaal? Nee. De wellust waarmee NRC zich op Reijtenbagh stortte, staat eerder model voor het opportunisme van de Nederlandse journalistiek.
Al sinds september wacht ik op de Nederlandse Michael Lewis. De Amerikaan schreef eind jaren tachtig het beroemde Liar’s Poker, het ongecensureerde verslag van een jonge derivatenhandelaar op Wall Street. Het is een verhaal over hysterische hebzucht en meedogenloze ambitie. Lewis’ verhaal ontleedt in het kleinste detail de totaal verziekte geest van de zakenbankiers van Salomon Brothers. Het is een historisch verslag gebleken dat nog steeds verbazing oproept. Wie het recentelijk nog heeft gelezen vraagt zich onherroepelijk af hoe het toch in godsnaam mogelijk is dat onze toezichthouders deze financiële crisis niet in een vroeg stadium hebben herkend en onschadelijk hebben gemaakt.
De publicatie van Liar’s Poker betekende het einde van John Gutfreund, de toenmalige CEO van Salomon Brothers. Hij werd meer nog dan de superfraudeurs Michael Milken en Ivan Boesky de personificatie van de lelijkheid van Wall Street. Omdat Lewis er zo helder verslag van had gedaan.
Onze Nederlandse banken zijn de laatste jaren opzichtig bezweken voor de verlokkingen van dezelfde cultuur van hebzucht zoals die in het boek van Lewis wordt beschreven. We hebben er alleen nog geen gedetailleerd achtergrond verhaal over kunnen lezen. Geen onthullende kijkjes achter de schermen van het Nederlandse bankwezen, geen genadeloze reconstructies over het doen en vooral het laten van de onze toezichthouders. Wel werden ze allen keurig geïnterviewd. Echt kritische vragen bleven meestal achterwege.
Dikke vlezige kop
Als de crisis een gezicht kreeg dan moesten we ons tevreden stellen met de koppen van Bernard Madoff en Allen Stanford. Gelukkig hebben we nu dan Louis Reijtenbagh. En wat is hij lelijk. Een van de weinige foto’s die van hem beschikbaar is, stond afgelopen zaterdag ook in NRC afgedrukt. Opmerkelijk genoeg niet in het economische katern maar in de sectie kunst. Reijtenbagh heeft dikke vlezige kop met een verlepte pet van stevig rood haar. Een aardappelneus, een bril met daarachter twee ijskoude ogen maken het plaatje compleet.
‘Kunst is voor hem alleen maar belegging’, was de kop op pagina zeven. Wat volgde was een uitgebreid verslag, waarin overigens weinig nieuws viel te ontdekken. Reijtenbagh verdiende vele miljoenen aan de neergang van verschillende grote bedrijven. Een aasgier, een lijkenpikker wiens solvabiliteit opeens is verdwenen. Ik heb het de laatste tijd vaker zien gebeuren. Vooral bij instellingen die voorheen als zeer solide te boek stonden. Een enkele advocaat mocht zijn gram halen. Reijtenbagh blijkt een niets ontziende graaier, een waar sieraad voor de mensheid.
De advocaat vertelde over hoe Reijtenbagh tijdens de Classic Car Rally Amsterdam – Beijing zich als een verwende zonderling gedroeg die koste wast kost de eindzege moest behalen. Ik dacht gelijk aan het boek de Prooi van Jeroen Smit waarin een overeenkomstige anekdote staat beschreven. Alleen was Rijkman Groenink daarin de hoofdrolspeler. ‘Het maakt hem niet uit of iemand een oplichter is, of niet’, was een van de pull quotes bij het verhaal. Bij het lezen daarvan dacht ik gek genoeg weer aan bankiers. En aan advocaten natuurlijk.
Onbeschadigd
Het stuk over Reijtenbagh klopte, alleen deugde het niet. Waarom, vroeg ik me af, stond er nu een dergelijk gedetailleerd verhaal over een vermeende fraudeur in mijn krant? Met naam en toenaam. Een man die weinig anders doet wat vrijwel alle zakenbankiers, hedgefondsmanagers, derivatenhandelaren al decennia lang uithalen.
En toen wist ik het. Reijtenbagh is een eenzame opererende boef die geen grote naam achter zich heeft staan. Hij loopt los van de kudde. Op een man als Reijtenbagh kan geschoten worden zonder dat dit journalistieke repercussies heeft. Want wat zou een onthullend portret van een belangrijke Nederlandse zakenbankier van ING bijvoorbeeld voor gevolgen kunnen hebben voor een krant als NRC? Waarom geen genadeloze analyse van het falen van Nout Wellink? Waarom investeert geen krant in Nederland in het soort journalistiek waarmee Michael Lewis twintig jaar geleden de essentie boven tafel wist te halen?
Ik vrees dat ik het antwoord ken. Het zit hem in het Pauw & Wittemanprincipe. Dat verklaart waarom Jeroen Pauw en Paul Witteman dagelijks belangrijke gasten in hun programma weten te krijgen. Die gasten komen alleen aan tafel in de wetenschap dat ze er onbeschadigd weer vandaan kunnen lopen. Dat principe staat ook model voor de schrijvende journalistiek in Nederland die de confrontatie niet werkelijk aan durft te gaan. Ons landje is er te klein voor. Je komt elkaar overmorgen weer tegen en ook dan moeten er weer stukken in de krant komen. Maar oh wee als je toevallig in je eentje los van de kudde komt te staan…
Dit artikel verscheen eerder op Pluspost.
3 reacties