Hoe lang gaat de papieren krant nog mee? Voorlopig kunnen we onze vingers nog wel zwart maken aan de kranteninkt, maar de ontwikkelingen richting de elektronische krant gaan hard. En deze kan net als de ‘gewone’ krant meegenomen worden in de trein, omdat er steeds meer mobiele documentlezers komen met schermen die een goede leesbaarheid niet meer in de weg staan. In het zojuist afgeronde MePaper-project hebben vier dagbladen twee jaar lang samengewerkt om formats te ontwikkelen voor die mobiele elektronische krant. Niet alleen voor de lezers hebben deze ontwikkelingen consequenties, natuurlijk ook voor de makers. Daarom was een belangrijk bijkomend aspect van het project de redactionele inrichting: hoe en met welke middelen moet zo’n krant gemaakt gaan worden? Om daar iets over te kunnen zeggen, moest eerst boven tafel komen wat de huidige situatie is in binnen- en buitenland. Daartoe werd een enquête gehouden onder negen Nederlandse dagbladen. Met opmerkelijke uitkomsten.
Geen enkele uitgeverij van kranten kon er de afgelopen jaren aan ontsnappen: de omvorming van traditionele krantenredacties tot multimediale newsproviders. Maar op welke manier is dat gebeurd of gaat dat nog gebeuren?
Voor de inrichting van redacties voor verschillende platforms (print, online, mobile) binnen één uitgeverij zijn globaal drie modellen aan te wijzen, terwijl in de praktijk verschillende tussenvormen voorkomen.
De drie modellen waar het om gaat zijn:
- De geïntegreerde redactie, waarbij één en dezelfde redactie de content selecteert, bewerkt en plaatst voor de verschillende media.
- De mediumspecifieke redactie, waarbij de web- en de mobileredactie volledig onafhankelijk opereren van elkaar en van de printredactie. Ze leveren ieder ook eigen content.
- De hybride redactie. Hierbij is weliswaar sprake van een aparte web- en/of mobileredactie, maar deze is nog steeds in grote of wat minder grote mate afhankelijk van de content die door de printredactie of via andere feeds (persbureaus e.d.) wordt aangeleverd. Deze wordt verrijkt, of herschreven of ongewijzigd geplaatst. Maar volledig eigen content wordt niet geleverd.
Inmiddels zijn er uitgeverijen die het werk van de onlineredactie geoutsourcet hebben (TMG met Sp!ts bijvoorbeeld). Dit is eerder een bijzondere vorm van model 2 (mediumspecifiek) dan een aparte aanpak.
Trends in Nederland
Met internet inmiddels al ruim 10 jaar gemeengoed en alle mooie woorden en dito intenties ten spijt, werkt de Nederlandse dagbladwereld over het algemeen nog altijd niet onvoorwaardelijk mediumspecifiek. Dat blijkt uit een enquête over de redactionele inrichting – en dan met name de plaats van online-/mobileredacties – bij negen Nederlandse dagbladen (zie het overzicht in dit pdf-bestand). Vijf van deze kranten waren betrokken bij het MePaper-project, te weten de Barneveldse Krant, het Eindhovens Dagblad, het Financieel Dagblad, Sp!ts en de halverwege uit het project gestapte Volkskrant. De andere dagbladen die hun medewerking verleenden aan het onderzoek zijn De Telegraaf, NRC Handelsblad, Dagblad van het Noorden en AD Rivierenland.
Uit de enquête kwamen enkele interessante punten naar voren. Zo blijkt dat vrijwel alle kranten weliswaar een internet-/multimediaredactie hebben -bij de Telegraaf is deze zelfs bijna 40 man groot- maar van een volledig zelfstandige unit die zelf content genereert is slechts in enkele gevallen sprake. Bijna alle webredacties zijn in meer of mindere mate afhankelijk van de toelevering van de printredactie en van externe feeds. De content wordt door de webredactie geselecteerd, eventueel verrijkt en soms zelfs herschreven, maar zelf content genereren blijft toch vooral de taak van de printredactie.
De mate waarin de webredacties afhankelijk zijn van printcontent loopt overigens nogal uiteen bij de onderzochte kranten. De Barneveldse Krant kent bijvoorbeeld geen eigen webredactie. De printredactie plaatst zelf nieuwsberichten (zoals politienieuws) en verkorte, licht bewerkte teksten van verhalen die ook in de krant komen. Aan de andere kant van het spectrum zitten de eerder gememoreerde Telegraaf en ook het Financieel Dagblad, dat weliswaar veel minder menskracht beschikbaar heeft voor de internet-/techniekredactie (vijf fte) maar wel min of meer zelfstandig opereert. Slechts Sp!ts heeft een volledig onafhankelijk opererende online/-mobileredactie. Wel zijn de redacties van de krant en van de website preferred supplier van elkaars nieuws
Een andere indicatie dat de online-/mobileredacties nog geen op zichzelf staande units zijn is het gegeven dat redacteuren van online-/mobileredacties binnen het bedrijf vooralsnog vrijwel nergens een specifieke opleiding krijgen die puur gericht is op deze media. De noodzaak hiertoe lijkt niet te worden gevoeld. Bij het Dagblad van het Noorden waren er weliswaar plannen “om de hele redactie te trainen, maar dat is wegens bezuinigingen geschrapt”. Kortom, een specifieke opleiding voor ‘nieuwe media’ hangt bij het gros van de uitgeverijen aan de spreekwoordelijke achterste mem. Als er bezuinigd moet worden – dezer dagen verplichte kost voor elke redactie – sneuvelen potjes voor dergelijke cursussen al rap.
Een teken aan de wand is verder dat online niet alles wordt ‘weggegeven’ wat in de krant staat; voor die content wordt immers betaald. Als compensatie wordt hier en daar ‘uitgesteld publiceren’ toegepast: artikelen op sites laten verschijnen als de papieren krant al op de mat ligt. Er wordt ook vrijwel overal rekening gehouden met het moment van publiceren als het om scoops of ‘near scoops’ gaat: pas online publiceren als de krant van de concurrentie al gezakt is. Het moge duidelijk zijn: in de mediahiërarchie gaat print nogal altijd ruimschoots voor online/mobile.
Opvallend is verder dat ondanks alle online-beschikbaarheden er vooral vanuit één gezamenlijke werkplek wordt gewerkt. Of zoals de Volkskrant het stelt: “Verder worden redacteuren geacht zoveel mogelijk op de krant te werken. Een redactie gedijt het best bij samenscholing, denken we hier.“
Discussies op het internationale vlak
Redactionele organisaties overal in de wereld zijn sinds halverwege de jaren ’90 voortdurend op zoek naar een goede multimediale invulling. Dat begon met de pioniers die hun krant – in print vaak zeer gerenommeerde instituten – op de website publiceerden. Later bleek dat bij deze sites de wet op de remmende voorsprong van toepassing was. Kleine websites met flexibel werkende redacties die korter en puntiger nieuwsberichten publiceerden, bleken voor de internetbezoeker veel interessantere bronnen. Zo werden de krantensites overvleugeld door de websites gespecialiseerd in webnieuws en moesten de internetredacties van de kranten zich aanpassen aan de verschuivende nieuwsvoorkeuren.
Ook nieuwe uitingsmogelijkheden op internet werden door kranten aangegrepen. Veel sites werden opgetuigd met RSS, geluidsfragmenten, podcasts enzovoort. Kranten maken sinds begin deze eeuw in toenemende mate gebruik van de mogelijkheid om via internet video aan te bieden. Camerajournalisten werden op pad gestuurd om de artikelen op internet met video’s te illustreren. Bewegende foto’s, eerder dan volwaardige videoverslagen.
Maar overal bleek het moeilijk een professionele multimedia-afdeling kostendekkend te laten werken. Nog steeds worden formules gevormd en vervormd om een online verdienmodel te krijgen. In deze fase zitten de meeste kranten aan het eind van het eerste decennium van de 21ste eeuw. Overal wordt gezocht naar de beste manier om de organisatie klaar te stomen voor een multimediale toekomst. Het leidt tot studies zoals de Newsroom Outlook van de WAN en het heeft zijn weerslag op de vele discussies op internationale journalistieke fora over dit onderwerp. Deze spitsen zich veelal toe op de vraag of de print- en online-redacties geïntegreerd of juist separaat moeten functioneren.
Print en online gescheiden
De voorstanders van gescheiden print- en online-redacties maken een principiële keuze. Beide media vergen een eigen gespecialiseerde aanpak. De printedities zetten in op kwaliteit en diepgang en op onderzoeksjournalistiek met een wat langere adem. Journalisten die hiermee bezig zijn mogen niet de ballast van de plichten rondom websites met zich meedragen. Daarvoor zijn aparte journalisten aangesteld die zich gespecialiseerd hebben in het snel inlezen in een onderwerp, dat meteen tot een online nieuwsbericht te verwerken en te voorzien van allerlei verrijkende onderdelen zoals (bewegende) beelden en hyperlinks.
Geïntegreerde redactie
Bij de discussie over het alternatief, de geïntegreerde redactie, wordt rekening gehouden met de afnemende economische waarde van journalistieke producten. Vroeger had een nieuwsbericht of achtergrondverhaal in een krant een vaste waarde die correspondeerde met de inspanningen die een journalistieke organisatie met zich meebracht. Nu is redactionele content soms een bijproduct van advertenties dat gratis te verkrijgen is op het internet of in gratis (dag)bladen. Dit vergt een efficiënte productie van deze content, met zo laag mogelijke kosten.
De noodzakelijke efficiëntie kan gehaald worden door het samenvoegen van print- en onlineredacties tot een geïntegreerde redactie. De journalisten in een dergelijke multimedia newsroom maken over een bepaald onderwerp zowel het online-nieuwsbericht als het achtergrondartikel in print.
Nog een stap verder is de geconvergeerde redactie. In die gevallen leveren de journalisten behalve de print- en online-inhoud ook nog het item voor een radiostation aan en treden ze indien gewenst op als interviewer voor het tv-item met dat onderwerp. Uiteraard is het nadeel van een geïntegreerde aanpak dat er onvermijdelijk concessies aan de kwaliteit worden gedaan, omdat er geen ruimte is voor specialisatie van de journalist of voor diepgravende analyse.
Cultuurprobleem
Bij geïntegreerde en geconvergeerde redacties is vaak sprake van een cultuurprobleem. Journalisten die vanuit een tientallen jaren oude traditie schrijven voor een gerespecteerd medium, moeten nu plotseling hun aandacht verdelen en mede besteden aan in hun ogen triviale producten. Een dergelijke cultuuromslag blijkt in de praktijk zeer moeizaam met vaak als neveneffect kwaliteitsverlies van het bestaande medium. Ook ontstaan er lastige discussies over wat te doen met primeurs. Redacties hebben de neiging die te reserveren voor hun papieren medium, met als argument dat de krant nog steeds voor de benodigde omzet moet zorgen. Maar deze handelswijze is ook een rem op de ontwikkeling van de nieuwe online media tot een serieus te nemen nieuwsbron.
Om een cultuuromslag te bewerkstelligen, moet voor alles de hoofdredactie duidelijke beleidskeuzes maken die herkenbaar zijn voor de journalisten. Van daaruit moet een programma worden opgezet van training en gewenning aan de nieuwe praktijk. Dan nog moet rekening gehouden worden met een forse gewenningsperiode.
Actuele ontwikkelingen
De ontwikkelingen in krantenland buitelen momenteel over elkaar heen. Terwijl kranten nog volop zoeken naar verdienmodellen op internet, schieten de nieuwsvoorzieningen op mobiele apparaten als paddenstoelen uit de grond. Vooral door het aanslaan van de iPhone en het platform dat dit apparaat biedt voor nieuwsbronnen, staan mobiele nieuwsvoorzieningen op het punt een grote vlucht te nemen. Kranten die producten ontwikkelen en leveren voor deze kleine schermen, proberen dat vooralsnog met zo gering mogelijke inspanningen van redacteuren. Meestal wordt dezelfde content gebruikt als voor hun internetsite. Met een zo klein mogelijke bezetting kan zo aan de toenemende vraag naar nieuwsvoorziening op deze mobiele apparaten worden voldaan. Maar als de vraag naar deze producten in het huidige tempo doorzet, zal er ongetwijfeld meer energie, tijd en geld in de productie ervan gestoken gaan worden.
Dat geldt evenzeer voor de het bedienen van de tegenhanger van de iPhones, de huiskamertelevisie die een geïntegreerde internetfunctie heeft. Deze technologie, die binnenkort aan de markt komt en snel standaard zal worden, maakt het voor omroepen mogelijk om een (digitale) krant te gaan uitgeven, en voor kranten om zonder ledenwerf-omwegen omroep te zijn. Wat dit perspectief van redacties zal vergen, is nog amper in te schatten.
Termijnscenario
Het is nog maar de vraag of de keuze voor geïntegreerde dan wel gescheiden redacties principieel gemaakt moet worden. Niet alleen zijn er, zoals geschetst, allerlei tussenvormen denkbaar en gangbaar, het zou ook kunnen zijn dat iedere variant hoort bij een van de ontwikkelfases in de omslag van papier naar digitaal. In de onderstaande tabel worden vier fases onderscheiden, die ieder een meestgeëigende organisatievorm (geïntegreerd of gescheiden) en werkhouding (experimenteren of consolideren) kennen.

Fase I hebben zo goed als alle redacties al achter de rug, de jaren van de ‘garage’-oplossingen, met bevlogen individuen die ruimte bevechten en verkrijgen voor vingeroefeningen met de krant op internet. Ze worden niet lastig gevallen maar evenmin erg serieus genomen. In fase II begint de gehele krant zicht te krijgen op het digitale alternatief, vaak onder de bezielende leiding van het redactioneel management. Iedereen moet multimediaal. De voordelen van deze strategie worden nu breed uitgemeten, de gevaren van het nalaten van deze omslag evenzeer. Gepoogd wordt de bestaande journalistieke routines aan te passen aan de nieuwe tijd. Tegelijkertijd schrijven, vormgeven en visueel verrijken van content met behulp van digitale technologie is het motto. In fase III wordt de zoektocht naar het haalbare geconfronteerd met de noodzaak van het betaalbare. Efficiency staat centraal, en de nadruk verschuift naar het definiëren van een bedrijfszeker verdienmodel voor digitaal uitleveren. Multimediaal OK, maar alleen als de middelen voorhanden zijn. Jammer dan als de kwaliteit daaronder lijdt.
Op dit moment is de focus op geld welhaast universeel. Maar we verwachten dat hierna nog een fase IV zal komen, waarin meerdere, relatief gespecialiseerde ‘business units’ er in slagen om efficiency met kwaliteit te paren. Print, special productions, online, mobile, al deze eenheden van de vroeger zo uniforme krant doen relatief zelfstandig hun ding. Waar mogelijk samen maar waar nodig (en dat is relatief vaak) in afzonderlijke teams. Dit wordt de fase van volwassen digitaal uitgeven.
Zo ongeveer zal de dynamiek van de redactionele organisatie er uit zien. Met nadruk op de krant als onderneming in de fases I en III, en aandacht voor de krant als ‘contentmachine’ in de fases II en IV. Met door de tijd verschuivende keuzes voor apart of juist samen produceren: gescheiden redacties in de fases I en IV, en geïntegreerde redacties in de fases II en III. Met de nodige variaties op dit thema uiteraard, want met geld en visie valt goed te versnellen.
Bij alle dynamiek en onzekerheid staat een ding vast: het primaat zal langzaam maar zeker van de papieren krant naar internet en mobiele nieuwsvoorziening verschuiven. Om helder te krijgen welke weerslag dat zal hebben voor de redactionele organisatie is nog veel studie, reflectie en boven alles trial and error nodig. Een belangrijk onderwerp dus voor het onlangs gestarte R&D-vervolg van het MePaper-project, onder de titel ‘Designing the Daily Digital’.
5 reacties