De nerd als redder van de journalistiek
De waarde van journalistieke arbeid wordt schromelijk overschat. Je zou het niet zeggen als je de freelance-tarieven, ziet die de vaderlandse pers hanteert, maar journalisten krijgen veel te veel betaald voor wat ze doen. Dat schrijft althans Robert G. Picard in de Christian Science Monitor, de krant die in maart afscheid nam van z’n dagelijkse papieren editie maar voortleeft op een goed gevulde website. En Picard kan het weten, want hij is als hoogleraar in de economie van de media verbonden aan meerdere universiteiten.
Waarde, zo legt Picard uit, kun je onderscheiden in verschillende smaken. Iets kan intrinsiek waardevol zijn, vanuit zichzelf, zoals een kunstwerk. Of iets is instrumenteel van waarde: je hebt het nodig om iets anders te maken of te bereiken. En dan is er nog zo iets banaals als economische waarde, het bedrag dat consumenten overhebben voor een product minus de waarde van de componenten waaruit dat product bestaat.
Volgens Picard zien journalisten de waarde van hun arbeid bij voorkeur als intrinsiek, of op z’n minst als instrumenteel: journalistiek als waardevol instrument om de democratie goed te laten functioneren. Maar het huidige probleem van de journalistiek zit hem natuurlijk in de economische waarde, die door de komst van nieuwe technieken gedaald is tot nabij de nul. Zolang journalisten dat niet willen begrijpen en er niet in slagen hun werk op een nieuwe manier waardevol te maken, verdienen ze volgens Picard een lager loon.
Stroomversnelling
Mooi bedacht natuurlijk, en heel erg waar. Maar een echte oplossing biedt de hoogleraar vooralsnog niet. Net zomin als al die anderen die puntsgewijs en overzichtelijk of juist in een erudiet en zeer compleet verhaal beschrijven waar de huidige economische problemen in de journalistiek vandaan komen. En dat is ook niet erg. Voor je een probleem kunt oplossen, moet je het benoemen. De economische crisis heeft het hardop nadenken over de toekomst van de journalistiek in een enorme stroomversnelling gebracht, die wel lijkt te zijn begonnen met Clay Shirky’s invloedrijke essay Newspapers and Thinking the Unthinkable.
In zijn stuk beschrijft Shirky hoe we ons collectief bevinden in een revolutie, vergelijkbaar met de tijd vlak na de uitvinding van de boekdrukkunst. Iedereen kan zien dat het oude model niet meer werkt maar niemand kan voorspellen hoe de toekomst er precies uit zal zien. Wat we volgens Shirky wel kunnen (en moeten) doen, is experimenteren, vooral veel experimenteren. De grote meerderheid van alle probeersels zal op niets uitlopen, maar een enkel experiment zal slagen en misschien wel de toekomst van de journalistiek bepalen.
En geëxperimenteerd wordt er. Bedrijfjes die proberen op nieuwe manieren economische waarde te generen met journalistiek, schieten als paddenstoelen uit de grond. De jongste aanwinsten: CircLabs, dat een betaalsysteem voor gepersonaliseerd nieuws op de markt wil brengen en True/Slant, een nieuwssite waarvoor de journalisten zelf sponsors zoeken bij hun verhalen. Of het zal werken? Wie weet. De innovatieve slagkracht van dergelijke startups is op dit moment in ieder geval vele malen groter dan die van gevestigde ediabedrijven.
Waterval
Voor het welslagen van dit soort experimenten moeten journalisten leren ondernemen. Een klein deel van de huidige journalistiek kan misschien overleven met steun van de overheid, omdat we haar instrumentele waarde als waakhond van de democratie te belangrijk vinden om te laten verdwijnen. Maar het overgrote deel zal het toch moeten hebben van haar economische waarde. En dan helpt het als journalisten meedenken over manieren waarop ze waarde kunnen toevoegen aan de waterval van informatie waaraan we dagelijks het hoofd moeten bieden.
Misschien is daarvoor zelfs meer nodig dan ondernemingszin alleen. Wat kennis van techniek bijvoorbeeld. Verschillende journalistieke opleidingen in de Verenigde Staten proberen een brug te slaan tussen inhoud en techniek door hun studenten journalistiek te leren programmeren of door programmeurs de basisbeginselen van de journalistiek bij te brengen. Uiteindelijk is de bedoeling dat programmeurs en journalisten samen nieuwe journalistieke diensten en producten ontwikkelen die voorzien in een behoefte en dus economische waarde vertegenwoordigen.
De verwachtingen zijn hoog gespannen. Can Computer Nerds Save Journalism? kopte Time naar aanleiding van de eerste ideeën van deze ‘hacker journalists’. Dat ging Dan Gilmore, tegenwoordig directeur van het Knight Center for Digital Media Entrepreneurship, iets te snel. In een vrije vertaling van Shirky’s historische bespiegeling waarschuwt de auteur van We the Media voor euforie. Op de korte termijn ziet hij geen oplossingen voor de economische malaise in de journalistiek. De nabije toekomst zal een rommelige periode zijn, vol mislukte commerciële avonturen. Niet die experimenten an sich zijn volgens Gilmore hoopgevend, maar het feit dat er überhaupt geëxperimenteerd wordt: “Bewonder de ondernemingszin, het technologisch talent en de journalistieke verbeelding van de pionier, maar beschouw het experiment zelf als een kleine stap op de lange, lange weg die we nog hebben te gaan.”










2 reacties:
25 juni, 2009
Lijkt me een goed begin. Goed artikel.
28 juni, 2009
Als iemand die wel vaker journalistieke databases heeft ingezet, weet ik uit ervaring dat het maken van een goede internetproductie vele malen zwaarder is dan het maken van een los artikel schrijven of een tv-reportage.
Er zijn wat betreft internetjournalistiek twee fundamentele eisen en nog twee zeer belangrijke voorwaarden om een succesvolle internetproductie te maken.
Eis 1: Volledigheid. In een geschreven of gefilmd verhaal kun je volstaan het voorbeelden. “De meerderheid van…”, “Het is ene paar keer voorgekomen dat…” of “Niet alle partijen willen…” Een internetproductie vraagt al snel om een tabel met alle meningen, of een tijdlijn waarin alle belangrijke momenten zijn gevat. Het volledig en nauwkeurig op een rij zetten van alle meningen, feiten of momenten kost vreselijk veel tijd en dus menskracht.
Eis 2: Bijhouden. Als een artikel is gepubliceerd of een reportage is uitgezonden, is het klaar. Er staat een tijdstempel op en lezers/kijkers/luisteraars snappen dat het niet meer wordt bijgewerkt. Daarmee kom je met een internetspecifieke productie niet weg. Een tabel of tijdlijn of andersoortige uitkoppeling van een database dient altijd up-to-date te zijn. Ook na twee jaar. Het bijhouden van zoiets is een ware nachtmerrie en kost wederom veel inzet en veel commitment van redacteuren.
Een belangrijke voorwaarde is dat het CMS ruimte biedt aan internetspecifieke producties. Voor het maken en bijhouden van de data is geavanceerde software nodig. Nu zul je zien dat er veel apart wordt gemaakt, wat dus buiten de zoekmachine van de site (en soms zelfs buiten Google) wordt gehouden en waarvan het beheer lastig te organiseren is. Ook het koppelen van de internetproductie aan andere delen van de site (bv een gerichte tabel bij een artikel) zijn doorgaans erg lastig. Ook zou een CMS hergebruik van stukjes code moeten ondersteunen. Is ooit een geweldige tijdlijn gemaakt, dan zou met een druk op de knop een nieuwe aangemaakt moeten kunnen worden.
De tweede voorwaarde is dat de journalist inzicht heeft in de usability van zijn productie. Prachtig, zo’n mooie database met veel info, maar snappen sitebezoekers wel hoe het werkt. En gaan ze het gebruiken? Vooral bij de simpeler producties als een multimediale presentatie is hoe het eruit ziet vaak vele maken belangrijker dan hoe het is geprogrammeerd. Tools als flash en Jquery gaan steeds meer op lego lijken: het stapelen en interactief maken is een piece of cake. Maar het presenteren van de juiste info op de juiste plek, is een erg lastig vraagstuk.
Heeft het dus zin om journalisten te leren programmeren? Zeker wel. Het is altijd handig als ze snappen hoe een internetproductie tot stand komt en hoeveel tijd je ermee kwijt bent.
Moeten journalisten gaan programmeren? Ik denk het niet. Zoals gezegd kost het maken van een goede internetproductie vreselijk veel tijd en dan is een specialist altijd sneller dan iemand die twee disciplines doet.
Wat dan wel?
Zet meerdere disciplines aan één tafel. Twee redacteuren, een programmeur (die ook het cms erg goed kent!) een designer en een eindredacteur. Ja, dat kost veel geld. Maar vergeet niet dat voor een goed nieuwsitem van drie minuten soms een redacteur, een verslaggever, een geluidsman, een editor en erg kostbare apparaten en software nodig heeft.
Laat die mensen eerst goed brainstormen over wat de wensen zijn en wat wel en wat niet haalbaar is. Laat de redacteuren zoeken naar data die al beschikbaar is (cbs, freebase, gemeente, provincie) en laat de programmeur die data alvast liefst via api’s een database vullen, terwijl de designer een eerste schets maakt van de interface. Laat de redacteuren vervolgens die database verder verrijken (en laat ze de database vanaf dat moment ook dagelijks even updaten!), de programmeur kan dan aan de hand van de schets alvast e.e.a. in elkaar zetten. Liefst zo, dat de code makkelijk hergebruikt kan worden. De designer maakt het design af en de programmeur kan e.e.a. dan afmaken. Let wel: dit is bij grote projecten voor alle discplines meerdere dagen werk. De eindredacteur zal dat proces inhoudelijk, maar ook budgettair moeten begeleiden. En wellicht samenwerkingen zoeken met collega’s. (bv andere regionale omroepen)
Als de redacteuren wat kunnen programmeren en aan de hand van een stijlboek ook het design kunnen aanpassen, is het volgende project wellicht zonder al te veel hulp van de programmeur of de designer in te vullen.