Rapport Brinkman: het kan nog best eens meevallen wat ermee gebeurt
Debat rapport cie-Brinkman (1)
Vier leden van de Tijdelijke Staatscommissie Brinkman ken ik persoonlijk. Stuk voor stuk achtenswaardige collega’s met een aanzienlijke staat van dienst in ons mooie oude journalistieke ambacht. Daarom getuigt het in ieder geval van morele moed dat zij zitting hebben willen nemen in een commissie waarvan iedereen vooraf al wist dat er geen hemelbestormende plannen uit zouden kunnen komen die de kwijnende dagbladjournalistiek in één klap van alle sores zouden verlossen. Want er is de laatste jaren al bijzonder veel geredekaveld over allerlei oplossingen, dus het toernooiveld was al in voldoende mate verkend. Maar alle wijsneuzen die dat zelf dondersgoed weten, zullen nu ’s avonds aan de toog staan te oreren dat het werk van de commissie toch wat tegenvalt, ‘zwak rapportje’.
Binnen de krantenwereld is ook sprake van een grote verdeeldheid over de vraag hoe de ideale toekomst moet worden bereikt. De Telegraaf streeft met alle kracht de val van de publieke omroep na, en probeert al jaren recht te krijgen op de programmagegevens. Dat laatste gaat nu lukken, het eerste gelukkig niet.
De NRC is tegen iedere vorm van staatssteun en de rest vindt wel dat er iets moet gebeuren en ook heel snel, maar wat precies? Typerend voor het mediale moeras is het verlammende enerzijdsanderzijds commentaar over de commissie in de Volkskrant dat eindigt in de meest troosteloze maar ook lusteloze slotzin die een commentator alleen maar kan bedenken als hij er zelf niets meer van weet te bakken: ‘Het rapport biedt desondanks een prima handreiking voor het debat over de toekomst van de journalistiek.’
Die zin zal nog dagenlang nagonzen en worden doorverteld onder al degenen die zich onledig houden met het mediadebat.
‘Weet je al wat de Volkskrant ervan vindt?’
‘Het rapport biedt desondanks een prima handreiking voor het debat over de toekomst van de journalistiek!’
‘Nou, nou, die durven.’
Ongekende bende
Naast alle interne wirwar in het vak had de commissie ook nog eens de eer op te komen voor een bedrijfstak die er zelf de laatste decade een ongekende bende van heeft gemaakt. Er zijn weinig delen van de Nederlandse bedrijvigheid waar zich zoveel mismanagement, hovaardij en wanbeheer heeft voorgedaan. Dat maakt het voor een fatsoenlijk mens ook niet makkelijk grote sommen geld vrij te maken om de boel eerst te schonen en daarna te redden.
De leden zullen ook zelf beseft hebben dat het vindingrijke voorstel om het gebruik van internet te belasten ten faveure van de gedrukte media, het niet lang zou maken. De snelheid waarmee minister Plasterk het opzetje onderuit haalde was toch nog weer verrassend. Maar dit kan het acute punt waar het geld dan wel vandaan moet komen alleen maar aanwakkeren. En wat in ieder geval blijft hangen is de dierbare oneliner: Nieuws Is Niet Gratis.
Allerlei voorgestelde vormen van samenwerking tussen kranten onderling bij drukken en bezorgen en tussen kranten en omroepen, zijn eigenlijk zo logisch dat het vooral ook de vraag oproept waarom die doorbraak er nog steeds niet is gekomen. Waarschijnlijk omdat de urgentie tot aan de komst van dit rapport nog steeds niet in voldoende mate is onderkend.
Weinig verkeerds
Zo is een rapport ontstaan waar, als je het negatief wilt benaderen, weinig verkeerds in staat, maar dat (positieve benadering) wel het moment kan markeren om allerlei gepraat om te zetten in concrete daden.
Dat de commissie gelukkig niet kiest voor het aloude pappen en nathouden blijkt alleen al uit het feit dat er nu eindelijk door de overheid serieus moet worden gekeken naar ‘de effecten van reclame bij de publieke omroep (lokaal, regionaal en landelijk) om vast te stellen of en hoe dit fenomeen het concurrentieveld in de mediasector beïnvloedt’. Een hele keurige zin die toch aangeeft dat deze veel bekritiseerde concurrentievervalsing nu eindelijk bespreekbaar wordt.
Heel bijzonder is de zin die in aanbeveling 9 onverhoeds in het rapport is gedwarreld: ‘De overheid start een interne discussie over de grote hoeveelheid communicatie-functionarissen gericht op beïnvloeding van de journalistiek door de overheid’.
Verrassend hoe hier plotseling de bijl wordt gezet in de wildgroei van voorlichters die ons vak overschaduwen in tal en last. Een bijkomend voordeel van minder voorlichters is ook dat journalisten zelf weer op pad moeten in de samenleving en minder kunnen leunen op persberichten.
Die aanbeveling 9 is kennelijk ’s avonds laat bedacht nadat de commissie zichzelf al een dag lang suf had vergaderd. Dan ontstaat de rubriek ‘Wie weet er nog wat?’ Pal onder de zin over de voorlichters staat: ‘Daarnaast roept de commissie de overheid (met name provincies en gemeenten) op bij haar communicatiestrategie gebruik te maken van de regionale printmedia.’ Dat heeft niets te maken met het welkome terugdringen van het aantal voorlichters, maar het is op zichzelf een nuttig idee. Overheid: adverteer in de krant! Maar bij veel regionale kranten is de overheid nu al de grootste adverteerder, wat tevens aangeeft hoe dramatisch de zakelijke advertentiemarkt ineen is gestort.
Oneerlijke concurrentie
Wat zullen we ons over een jaar nog van de commissie Brinkman herinneren, behalve dat nieuws niet gratis is?
Ik denk, maar het kan ook een vorm van hoop zijn, dat het rapport toch meer invloed zal hebben dan nu te verwachten valt op grond van de plichtmatige reacties. Als we mogen beleven dat al die aanbevelingen uit het rapport ook werkelijkheid worden, dan zijn allerlei hindernissen in ieder geval opgeruimd en bepaalde vormen van oneerlijke concurrentie aangepakt.
Journalisten hoeven dan alleen nog maar kranten te maken die zo interessant en geestverkwikkend zijn, dat weer meer mensen daarvoor het internetscherm even laten doven.










3 reacties:
24 juni, 2009
Goede vraag blijft waarom bijvoorbeeld gemeenten nog meer in de (regionale) krant zou moeten plaatsen. Voorbeeld, in de stad waar ik woon (75.000 inwoners) zijn slechts 7000 mensen abonnee van de “grootste” betaalde krant in deze regio. Bereik dus <10%.
Bereik op weekniveau van de lokale televisie ligt hier (bij bewegende beelden) rond de 20%. Tarieven zijn vrijwel gelijk. Dus waar doet men verstandiger aan? Juist. Dan maar geen printmedia.
24 juni, 2009
De aanbeveling om de overheid meer gebruik te laten maken van regionale printmedia is niets anders dan een illustratie van het onbegrip van de commissie over het communicatievak. De juist overweging is het bereik bij je doelgroep,niet het steunen vaneen medium. En als overheden iets moeten doen, is het juist actiever worden in de online media.
25 juni, 2009
Ook in de Volkskrant zijn de overheid en van de overheid geheel afhankelijke organisaties de grootste adverteerders. Bekijk de zaterdagkrant eens. Je zou dat ook indirecte subsidie kunnen noemen.