Tijd voor de stringer
De correspondent als romantische avonturier á la Ryszard Kapuscínski bestaat al lang niet meer. Maar ook de vaste correspondent loopt op zijn laatste benen. Door de slechte financiële positie van veel journalistieke media wordt zonder meelij het mes gezet in de budgetten voor buitenlandverslaggeving. Bovendien is het veel goedkoper om buitenlands nieuws af te nemen van de grote internationale persbureaus. Gevolg is de opkomst van de stringer, de freelance buitenlandcorrespondent. Als freelancers zijn ze goedkoop en flexibel, en dus veel aantrekkelijker dan een dure vaste kracht. Maar de concurrentie is groot, het werk onzeker en de verdiensten laag. Wie wil er eigenlijk nog buitenlandcorrespondent worden?
Voor ik in oktober op het vliegtuig stap om als stringer in Mexico aan de gang te gaan, zal ik nog menige slapeloze nacht beleven. Uiteraard kan ik niet wachten aan de slag te gaan, kijk ik uit op het avontuur en de vrijheid en de sensatie als journalist te werken in een ander land, wat altijd een droom van me is geweest. Maar ook vraag ik me wel eens af waar ik aan begonnen ben. De onzekerheid van werk (zitten de Nederlandse lezers wel te wachten op verhalen uit Mexico?) en bovenal de berichten over lage verdiensten spelen me bij tijd en wijlen parten. Ik besloot een aantal vakgenoten aan de tand te voelen over hun ervaringen. Hoe bereidt een stringer zich voor? Is het moeilijk om voldoende verhalen te slijten? Kan je er eigenlijk van leven?
Logische keuze
“Echt voorbereid heb ik me niet,” zegt Wies Ubags. Zij vertrok 6,5 jaar geleden naar Colombia om zich in Bógota te vestigen. Inmiddels is ze op freelance basis actief voor onder andere het ANP, Onze Wereld en dagblad De Pers. “Ik ben met twee koffers naar Colombia vertrokken, in eerste instantie voor een proeftijd van zes maanden. Daarna ben ik even teruggekeerd naar Nederland om wat dingen te regelen en vervolgens weer terug naar Colombia gegaan.”
Ook Michiel Hulshof, werkzaam in Shanghai voor Vrij Nederland en het ANP, is zonder veel soebatten vertrokken. “Al tijdens mijn studie geneeskunde heb ik meerdere keren voor korte en langere periodes in het buitenland gezeten. Als journalist heb ik in 2006 twee maanden in Berlijn voor de Tageszeitung gewerkt. Het was voor mij dan ook niet meer dan logisch dat ik voor langere tijd naar het buitenland zou vertrekken, al dan niet als journalist. In augustus 2007 heb ik samen met mijn vriendin een ticket gekocht naar Shanghai om te zien of we daar een bestaan konden opbouwen. We werden allebei aangetrokken door China, een land waar ‘het’ naar mijn gevoel op dit moment allemaal gebeurt.”
Olivier van Beemen, vaste medewerker voor Elsevier, de GPD en Het Financieele Dagblad in Parijs, wist al vroeg dat hij als correspondent aan de gang wilde. “Ik wilde vanaf mijn negentiende niets anders. Na mijn stage op de buitenlandredactie van Het Parool mocht ik het voor die krant direct al proberen in Parijs. Ik was nog half student, want ik moest mijn scriptie nog schrijven.” Evengoed was een voorbereiding voor hem niet nodig. “Ik was student Frans, kende Parijs al redelijk en was simpelweg uitzinnig dat ik geld zou krijgen om daar te wonen.”
Voor Dimitri Tokmetzis, standplaats New York voor onder andere ANP en Intermediair, speelde zijn partner een belangrijke rol in de keuze voor het correspondentschap. “Het is niet iets waar ik heel bewust voor heb gekozen. Mijn vrouw is hersenonderzoeker en sleepte twee beurzen in de wacht waarmee ze haar eigen salaris vier jaar lang kan betalen. We hadden de standplaatsen min of meer voor het uitkiezen.”
Papegaainiveau
Wat het correspondentschap nieuwe stijl niet makkelijker maakt, zijn de beperkte verdiensten. Een freelancer moet sappelen om rond te komen, terwijl de kosten vaak relatief hoog zijn. Olivier van Beemen: “Het was de eerste twee jaar ook financieel niet altijd even makkelijk. Ik verdiende best aardig, maar betalingen laten vaak op zich wachten of zijn lager dan je hebt afgesproken. Parijs is een dure stad en ik woonde erg klein.”
“Juist in een tijd dat de wereld globaliseert geven Nederlandse media steeds minder geld uit aan een deugdelijke buitenlandverslaggeving,” stelt Michiel Hulshof. “Bovendien worden verhalen van over de grens steeds vaker geproduceerd door de bureauredactie in Nederland op basis van berichten van de persbureaus. Hierdoor stijgt het papegaainiveau en bereiken veel goede, interessante en verrassende verhalen de media niet.”
Helemaal lastig wordt het als je werkgebied niet hoog op het verlanglijstje van de nieuwsbehoefte staat. Neem Zuid-Amerika, het territorium van Wies Ubags. “Het is financieel nog geen vetpot, maar ik doe nu wat ik leuk vind en dat is het allerbelangrijkste. Het is wel lastig dat redacties in Nederland in het algemeen weinig geld hebben om artikelen uit het buitenland te kopen. Daarnaast verschraalt de belangstelling bij sommigen ook in inhoudelijke zin: het nieuws en de reportage moeten de roemruchte ‘Nederlandse link’ hebben. Dat vind ik persoonlijk wel erg mager, maar de klant is koning.”
Concurrentie
Dimitri Tokmetzis loopt in New York weer tegen andere beperkingen op. “De concurrentie is groot met meer dan dertig Nederlandse journalisten in en rond de stad. Of liever gezegd: er is geen concurrentie, want de taart is al verdeeld. Iedereen heeft zijn eigen opdrachtgevers en daar kom je niet aan, op zich wel begrijpelijk. De Nederlandse freelance journalistiek betaalt relatief toch niet zo goed en het leven is hier erg duur. Ik wist al van tevoren dat ik het in de eerste periode met de kruimels moest doen.” Werk zoeken in de plaatselijke journalistiek is niet echt een optie, voegt hij eraan toe. “Met werkloze journalisten kun je de Hudson dempen.”
Hoe moeilijk het soms ook is, geen van de vier heeft spijt van de keuze voor het onzekere bestaan. Olivier van Beemen: “Ik heb het altijd fantastisch gevonden. Reizen, mooie verhalen maken, interessante mensen ontmoeten en daar betaald voor krijgen. Wie droomt er niet van?” Ook Wies Ubags werkt nog dagelijks meet veel plezier in Colombia: “Eigenlijk was werken als freelancer in het buitenland altijd mijn droom waarvan ik dacht dat hij nooit werkelijkheid zou worden.”
Wat voor tips kunnen de correspondent aan collega’s in de dop geven? Wies Ubags: “Het is absoluut een pre als je al ergens hebt gewerkt waar je contacten aan over hebt gehouden.” En wat als die contacten er nog niet zijn, zoals in haar geval? “Ik ben gewoon begonnen met allerlei potentiële opdrachtgevers te mailen. En je moet sowieso iedereen laten weten wat je gaat doen.”
Zoveel mogelijk potentiële opdrachtgevers bellen dus, ook als je al in het buitenland bent. “Toen ik eenmaal in Colombia zat ben ik acquisitie blijven doen, ik liep alle mogelijke conferenties en symposia af om contacten op te doen. Ook heb ik heel veel geïnvesteerd in het krijgen van een Colombiaanse vriendenkring.” Ook Dimitri Tokmetzis noemt lokale contacten heel belangrijk: “Vanaf begin heb ik geprobeerd om veel Amerikanen te leren kennen. Daarnaast doe ik ook vrijwilligerswerk, waardoor ik veel dingen hoor en oppak, die je niet meteen hier in de media terugziet.” Ook niet vergeten: leg contact met de Nederlandse ambassade en de Nederlandse Vereniging, want opdrachtgevers hier zoeken immers steeds naar de ‘Nederlandse link’. Wel moet je je erop voorbereiden dat de positie van een Nederlandse journalist in den vreemde niet vergelijkbaar is met hier, benadrukt Olivier van Beemen: “In Frankrijk is het erg wennen dat je vrijwel nooit gemakkelijk iemand te spreken krijgt of dat mensen niet terugbellen als ze dat zeggen. Als vertegenwoordiger van een Nederlands medium stel je niet zo veel voor.” Dat is extra gecompliceerd in een ‘echt’ vreemd land als China, zegt Michiel Hulshof: “Als journalist in China ben je vanwege de taal altijd afhankelijk van een goede assistent die afspraken maakt en vertaalt tijdens interviews. Verder kent China geen vrije pers, waardoor je voor je gevoel ‘afgesneden’ bent van betrouwbare informatie. Je moet je constant afvragen of wat je hoort wel helemaal klopt.”










4 reacties:
2 juni, 2009
Dit artikel doet me denken aan het verhaal dat de ontwerper Roger Black een jaar of tien geleden vertelde tijdens een Seybold Seminar. Hij schetste het beeld van de grafisch ontwerper die dat beroep had gekozen om mooie dingen te kunnen maken. Een paar jaar later zat die ontwerper met inmiddels verouderde apparatuur nog steeds op een klein kamertje te werken. De ontwerper zeurde dat hij zich te pletter werkte en dat hij toch niet rijk werd, terwijl Black inmiddels bekend en rijk was geworden. Dat komt ervan, volgens Black, als je een beroep kiest om de verkeerde redenen: ‘Jij koos toch dit beroep omdat je mooie dingen wilde maken en niet omdat je geld wilde verdienen?’
3 juni, 2009
Aardig verhaal, en wat Wies zegt over ‘de Nederlandse link’, da’s vaak erg irritant. Ik zit als freelancer in Turkije (ANP, Opzij, Wordt Vervolgd, Onze Wereld, VK Magazine, enzenz) en bood eens ergens een verhaal aan over babysterfte in Turkije. Dat vonden ze wel interessant, maar alléén als er een Nederlandse arts betrokken was bij het verbeteren van de zorg. Huh? Turkije als ontwikkelingsland? Ik heb nog een paar telefoontjes gewaagd aan het vinden van een Nl. verloskundige of gynaecoloog in Turkije die specifiek met dit thema bezig was, maar heb het gauw opgegeven omdat dat ook niet het wáre verhaal maar het gezochte verhaal zou vertellen.
Turkije is overigens een prima land voor een freelancer: het leven is beduidend goedkoper dan in Nl., en er is veel belangstelling voor dit land; zelfs bladen die weinig buitenland doen, willen wel eens een Turkije-verhaal (een vrouwenblad als Viva bijvoorbeeld). Ik had al 6 jaar in Nl. als freelancer gewerkt en daarvoor acht jaar een vaste baan in de journalistiek, dus een uitgebried netwerk heb ik ook, dat helpt enorm. En een paar vaste eindredactieklussen per maand die niks met Turkije te maken hebben. Kortom, ik kan er prima van leven, niks geen sappelen!
4 juni, 2009
door de post die hierna komt, ben ik alleen maar meer geintrigeerd geraakt.
Hoe kan je in NY, Parijs of Shanghai rondkomen als je slechts voor een of twee tijdschriften werkt? Als ik de tarieven erbij haal, lijkt het me dat je toch minstens 2000 woorden per week voor de Intermediair moet schrijven om alleen al de huur te kunnen betalen in New York.
Ik geloof dat de NY-correspondent van de Groene Amsterdammer is vertrokken, maar als het klopt dat die maar 10 cent per woord krijgt, zou hij de hele Groene vol moeten schrijven, iedere week weer, om maar een beetje rond te kunnen komen.
Geldt voor andere steden natuurlijk ook. Staat er iedere week een reportage uit China in de VN? Hoe vaak komt de pers met een exclusief verhaal uit Colombia?
De cijfers kloppen m.i. niet. Welke correspondent durft iets meer prijs te geven?
14 juli, 2009
[...] gaat over meer dan alleen maar Bulgarije. En passant schetst Hamilton een beeld van zijn leven als stringer, de contractloze avonturier die op de onderste trede van de journalistieke ladder staat; [...]