Voor waarnemers van de sociale en politiek kaart van Nederland is de route bekend. De politiek weet niet waar ze heen moet, durft en kan, benoemt een commissie met een oud-minister van het CDA aan het hoofd, en raapt uit het maatschappelijk middenveld voldoende vrouwen, mannen, werkgevers, werknemers, blinden en doven bij elkaar om ‘draagvlak’ te creëren. Het rapport, onveranderlijk voorzien van creatief verzonnen titel mét woordspeling – De Volgende Editie -, raakt soms aan de kern, spaart zoveel mogelijk kolen en geiten, gaat mee in de illusie dat de wereld in Den Haag begint en eindigt, doet wat onschuldige aanbevelingen en schuift ingewikkelder vragen door voor nader onderzoek. Het Rapport van de Commissie Brinkman.
‘De commissie is primair geïnteresseerd in de toekomst van de journalistiek,’ noteren ze in de inleiding nog dapper. Daarna volgt een analyse in extenso van de krant als medium. Interessant en wat langdradig, maar niet waar het over zou moeten gaan. ‘Innovatie en Toekomst Pers’, maar waarom gaat het dan niet over álle nieuwsvoorziening, over kranten, radio, televisie én internet? Was het met alle mediawetenschappers in en rond zo’n commissie te moeilijk de ‘kwaliteit van de journalistieke infrastructuur’ te beschrijven, toch des Pudels Kern en moeten de ‘publieke innovatiemiddelen’ zorgen voor ‘de verkenning’ daarvan?
Waarom staat er niet in het rapport hoeveel advertentiegeld er eigenlijk verstookt wordt op die internet nieuwssites? Waarom is niet meteen goed uitgezocht, voorzover mogelijk, waar de netto € 226 miljoen resultaat van de STER-reclame blijft als je de Publieke Omroep reclamevrij maakt? Dat onderwerp ligt sinds jaren op tafel, dan volstaat toch niet een gesprekje met een onwillige reclamemaker? Is het niet een heel klein pietsje ironisch uit de pen van Elco Brinkman de aanbeveling te lezen om de omroepgegevens vrij te geven, als hij daar in zijn zeven jaar als minister van Omroepzaken (1982-’89) wat aan had kunnen doen en natuurlijk niet deed – net zoals het er nu niet van gaat komen? (Zijn voorganger, Harry van Doorn, had zoiets tussen 1973 en ’77 ook al geopperd).
Crisis van de democratie
‘Er is sprake van een crisis in de journalistiek,’ schijnt het, journalisten weten het ook allemaal niet meer. Gelukkig is de journalistieke crisis een paar alinea’s verder uitgegroeid tot een ‘crisis van de democratie’. Het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos, zoiets. ‘De krant is geleidelijk aan het monopolie op het nieuws kwijtgeraakt,’ vertelt het rapport in een onbedoeld anachronisme, want gaat dit rapport over de razendsnelle opkomst van de radio of zijn we volgens de commissie bij de televisie aangekomen?
De crux ligt natuurlijk ergens anders, kernachtig verwoord door Nicolas Lemann, de dean van Columbia School of Journalism en geciteerd in de Volkskrant van 26 juni j.l.: ‘Het gratis publiceren van unieke verhalen van verslaggevers wordt door steeds meer mensen gezien als een historische strategische blunder.’ Voortgestuwd door de pioniersachtige sfeer rond het begin van internet en de slierten hippiecultuur die daar in hun plaats vonden – Wired en Silicon Valley, Grateful Dead en Jefferson Airplane – moest alles gratis zijn. Onder invloed van internet zou ‘eigendom’ vanzelf oplossen, zo profeteerden de goeroes met Francisco van Jole.
We zijn er aan verslaafd geraakt maar het is natuurlijk te gek voor woorden. Voor elk eenvoudig lijkend nieuwsberichtje – dat is de journalistiek infrastructuur – hoort een vakkundige verslaggever op pad te zijn, veel te weten, veel te checken, veel te lezen. Dat kan niet voor niets, niet bij kranten, niet bij radio, televisie of internet. En helemaal niet door burgerbronnen. ‘Het is moeilijk je voor te stellen hoe enig business model kan werken zonder dat de lezer een paar uitgangspunten accepteert,’ schreef Alan Cowell van de New York Times die ooit zijn berichten nog met postduiven vanuit Matabeleland verstuurde, ‘nieuws is cruciaal voor de democratie, het is de zuurstof van de vrijheid, de basis van belangrijke beslissingen; en nieuws kost geld’. Zoiets had één van de hoofdconclusies van een rapport moeten zijn.
Voor nop op internet
Zo’n conclusie betekent ook dat de Publieke Omroep geen gratis toegankelijke websites moet vullen met uit publieke middelen gefinancierde nieuwsvoorziening. Enkele honderden gekwalificeerde journalisten worden geacht dagelijks aan NOS Nieuws op radio en televisie te werken. Van die media heeft een gemiddeld dagblad weinig te duchten, die aanpassing ligt ver achter ons. Anders wordt het als diezelfde journalistieke inhoud voor nop ook op internet staat, direct concurrerend met de websites van Telegraaf tot en met NRC Handelsblad. ‘Journalistieke samenwerking,’ roept de commissie. En Pieter Broertjes springt er meteen in. NOS en ANP samen, roept Marc Josten, die doet alsof Den Haag behalve over private banken nu ook over private persbureaus gaat. Zullen we dan ‘’s lands mediabestel’ (Brinkman c.s.) ook vast uitrusten met ’s lands redactie in een Nationaal Programma over alle netten, zenders, kranten en websites?
Naarmate de ‘convergentie’ – een favoriete term in dit soort stukken – tussen de verschillende media toeneemt, wordt het absurder een deel van de nieuwsvoorziening neer te leggen bij door de overheid én reclame gefinancierde publieke omroep waarmee ‘Den Haag’ zich zo intensief wenst te bemoeien dat elke eindredacteur het mobiele nummer van Joop Atsma – van wie? – permanent in de aanslag heeft, de kerstgratificaties door de Tweede Kamer moeten worden goedgekeurd en het wegens incompetentie wegsturen van een conservatieve columnist zo ongeveer aanleiding is voor de oprichting van twee nieuwe ‘publieke’ omroepen. Geef mij dan maar een noodlijdend dagblad.
6 reacties