Maar liefst 25 meest jonge journalisten ‘solliciteerden’ enkele maanden geleden naar de functie van ‘Zomerreporter’. Lex Boon, inmiddels op pad, werd uitgekozen. Aan de ‘afvallers’ – althans de jongeren onder hen – vroeg De Nieuwe Reporter in een essay hun eigen toekomst of de toekomst van de journalistiek te schetsen. Vandaag de eerste aflevering. Thijs Kuipers volgt het bijvak Journalistiek en Nieuwe Media (JNM) in Leiden, naast een bachelor Geschiedenis in Utrecht.Hij stelt vast dat er momenteel sprake is van een tussenfase die zich laat kenmerken door een krimpende ruimte voor de journalistiek
Eind mei moest ik tentamen Internetjournalistiek doen. De stof: deze literatuurlijst. Wat mij pas laat tijdens het leren opviel, was dat het overgrote merendeel van de artikelen vrij recent is. De meeste komen uit de periode 2007-heden. De uitzondering die de regel bevestigt, het artikel van Meg Hourihan, komt uit 2002. Zelfs dat is naar academische begrippen nieuw. Hoe vaak is het immers niet zo dat een boek van enkele tientallen jaren geleden nog iets toe te voegen heeft aan de actualiteit?
Als alle inzichten zo recent zijn, is het debat over de toekomst van de journalistiek in beweging. Het bevestigt het verhaal van Clay Shirky. We leven in een transitieperiode van print naar digitaal, vergelijkbaar met de overgang naar de drukpers rond 1500. Het is chaos troef, en we weten niet wat de toekomst zal brengen.
Dat weerhoud weinigen ervan toch de glazen bol erbij te pakken en een voorspelling te wagen wat de toekomst ons zal brengen. Niet zelden levert dat vage toekomstvisioenen op. De kern van waarheid die er in zit is vooral te danken aan die vaagheid: hoe minder precies je de toekomt benoemt, hoe groter de kans dat het waarheid wordt.
Tot op bepaalde hoogte lijkt er overeenstemming te zijn in het te debat. Als journalist moet je je ook bezighouden met distributie, economische levensvatbaarheid en andere dingen die voor journalisten voorheen als randzaken gezien werden (1). We zijn bezig met een zoektocht naar hét online verdienmodel (2). En Google is het leidende voorbeeld (3). Het entrepreneurschap en het zoeken naar een online verdienmodel kunnen samengevat worden onder het toverwoord ‘innovatie’. Experimenteer en/of innoveer als een gek, en je vínd dat succesvolle online verdienmodel. Dat is tenminste het beeld dat heerst, zo bleek ook onlangs weer toen de commissie Brinkman zijn rapport presenteerde.
Geen écht eurekamoment
Wat houdt dat geinnoveer in de praktijk nou in? Eind mei gaf Mark Deuze een ‘spreekbeurt’ op de Universiteit Leiden. De ‘special guest’ was Erik Louwes, formulemanager bij Wegener. Hij is iemand die die ‘innovatie’ vorm moet geven, en hij vertelde dan ook over de diverse, soms experimentele, nieuwe producties binnen het concern. Daar zaten zeker aardige dingen tussen, zoals het project waarin één straat gevolgd werd. Creatieve journalistiek is het zeker, maar of het de toekomst van de journalistiek veiligstelt is een tweede. Al te bewust experimenteren leidt volgens mij namelijk zelden tot een écht eurekamoment.
Bij de zoektoct naar succesvolle innovatie wordt vaak gekeken naar Google. Het bedrijf is uitermate succesvol op het web. Wil je succesvol zijn op het web, dan moet je dus altijd iets doen dat een beetje lijkt op wat Google doet. Dat helpt je misschien om een beetje bij te blijven, maar het zal je niet tot de Aldus Manutius van de eenentwintigste eeuw maken. Dat geldt evengoed voor iedereen die bewust het experiment opzoekt in de hoop ‘het’ te vinden, zoals bij Wegener.
Kijk naar Google zelf. Page en Brin waren innovators, maar ze waren daarin erg bescheiden. Ze zagen dat zoekmachines een essentiële rol gingen spelen op het web en bedachten er een verbeterd recept voor. Dat ze de reikwijdte van hun uitvinding niet direct overzagen, blijkt wel uit het feit dat ze de zoekmachine in eerste instantie te koop aanboden aan andere partijen. Het is maar de vraag of de volgende Larry Page wél direct doorheeft goud in handen te hebben.
Er wordt wel gezegd dat er altijd behoefte blijft aan goede journalistiek, of dat nu op papier of online staat. En het lijkt er op dat het web meer toekomst heeft dan papier, zoveel is zeker. De markt zal er voor zorgen dat er iets als ‘journalistiek’ blijft , zo gelooft bijvoorbeeld Birgit Donker. Dan zou het dus zo moeten zijn dat de journalistiek als het ware aan het verhuizen is van het papier naar het digitale. Iets concreter: bijvoorbeeld Nu.nl zou kunnen starten met een onderzoeksjournalistieke tak (waarom niet?).
Tussenfase
Terwijl we wachten op een wat definitievere vorm voor de journalistiek in het digitale tijdperk, heeft het er nu alle schijn van deze tussenfase zich laat kenmerken door een krimpende ruimte voor de journalistiek. Hoe diep het dal zal zijn, bepalen we echter zelf. Zolang de overheidssteun –want daar hebben we het dan over- loopt via het Stimuleringsfonds voor de Pers is de angst van Birgit Donker voor de ‘schijn van afhankelijkheid’ niet gegrond. Ze heeft gelijk als ze zegt dat ‘we juist innovaties nodig hebben waarmee we kunnen verdienen’, maar als we al precies wisten welke innovaties dat waren, zou er helemaal geen probleem zijn. De aanbevelingen van de commissie Brinkman zijn zo bezien zo gek nog niet.
5 reacties