Webdocumentaire komt op. Adieu auteursrecht?
In haar stuk geeft Do Groen een bondig en inspirerend inzicht in de opkomst van de webdocumentaire. Ze analyseert hoe de kijker een gebruiker en co-auteur is geworden. Hij is actief en medeverantwoordelijk voor de uiteindelijke betekenis van het werk. Ik zou willen aanvullen dat de rol van de maker daarmee ook drastisch is veranderd. Want als de kijker co-auteur kan worden, is de documentaire geen monoloog meer maar een dialoog.
De maker is dan ‘gesprekspartner’ en het gemaakte werk is geen afgerond eindproduct, maar een proces, een halfproduct dat door inbreng van buitenstaanders vorm krijgt. Hij is niet meer ‘eigenaar’ van het werk en heeft steeds vaker het materiaal niet zelf gemaakt, maar richt zich nog meer dan voorheen op de verbindingen waarbinnen het werk betekenis krijgt. En die verbindingen zitten niet alleen in het werk zelf besloten, maar vooral daarbuiten, ook in het momentum, de plekken waar het terecht komt, waarmee het wordt ‘gelinkt’, wie erover spreekt, eraan meewerkt, hoe en waar het wordt gereproduceerd.
Nieuwe omstandigheden
De betekenis van het werk houdt direct verband met de wijze waarop het nieuw leven krijgt in de media-ruimte. De regisseur treedt op als maker van voorwaarden en richt zich op de condities die het proces sturen. De mentaliteit waarmee iets wordt gemaakt is dan van doorslaggevend belang voor de uiteindelijke kwaliteit en de wijze waarop het wordt opgepikt. Want nog meer dan ‘het verhaal’ is het deze mentaliteit die overgebracht wordt.
In dit verband wil ik wijzen op het recent gepubliceerde essay ‘Adieu Auteursrecht, vaarwel culturele conglomeraten’ (Joost Smiers en Marieke van Schijndel, Boom Juridische uitgevers, 2009) waar gepleit wordt voor het afschaffen van auteursrecht en het drastisch herzien van de voorwaarden waarbinnen intellectueel eigendom wordt beschouwd.
Webdocumentaires scheppen nieuwe omstandigheden, zijn niet meer alleen een ‘creatieve behandeling van de werkelijkheid’, maar zijn zelf een nieuwe werkelijkheid geworden. Dat roept nieuwe en belangrijke vragen op over auteurschap.










1 reactie:
8 juli, 2009
Met de redenering van Annelys zou er geen auteursrecht meer hoeven te zitten op computerspelletjes _omdat_ de speler zelf bepaalt wie en op welk moment hij overhoop schiet. Maar het is de structuur, voor mij part de programmering, die de auteur heeft aangebracht die de inbreng van de gebruiker stuurt.
De rol van de kijker/gebruiker als co-auteur wordt dus bepaald door de structuur die de auteur heeft aangebracht en daardoor ontbreekt vaak het uniek creatieve element dat zo kenmerkend is voor het verkrijgen van auteursrecht. Hoe mooi iemand ook meezingt op de muziek van een karaoke-systeem, het geeft de zanger niet het recht het auteursrecht van anderen te betwisten.
Een extremer voorbeeld is een tekstverwerker. Zou Microsoft het auteursrecht over zijn producten verliezen als iemand een bestseller (of een ‘wellseller’) schrijft met MS-Word? Natuurlijk niet. Omgekeerd heeft Microsoft ook niet het auteursrecht van alle teksten die met MS-Word zijn geschreven. Sterker, veel teksten zijn zo weinig uniek dat ze niet eens auteursrechtelijk te beschermen zijn.
Het ‘probleem’ dat De Vet schetst bestaat niet.
De manier waarop wij met met het auteursrecht omgaan, en vooral de daar aan verwante rechten, is inderdaad aan een herziening toe, maar hetgeen De Vet zegt heeft daar naar mijn mening weinig mee te maken. Het huidige auteursrecht biedt juist prima mogelijkheden om nieuwe bijdragen aan een bestaand werk te beschermen, zelfs als het oorspronkelijke werk niet (meer) auteursrechtelijk beschermd is. Daardoor kon Disney aan de haal gaan met tal van sprookjes en historische figuren. Hoewel dat laatste misschien een van de redenen is waarom het auteursrecht aan herziening toe is, is de complexiteit van de vraag wie welke auteursrechten bezit nog geen reden om het auteursrecht overboord te gooien.
Voor zover ik begrepen heb uit de avond in De Balie waar het essay van Joost Smiers en Marieke van Schijndel werd gepresenteerd, gaat het essay vooral over het ongewenste effect dat mediaconglomeraten door de bescherming via het auteursrecht in staat zijn negen van de tien werken buiten de schijnwerpers te houden, waardoor de makers van die onderbelichte werken geen geld kunnen verdienen. Kort gezegd is de stelling van Smiers en Van Schijndel dat het auteursrecht moet verdwijnen omdat die negen makers ook geld moeten kunnen verdienen.
Juristen in de zaal gaven aan dat auteursrecht niet één ding is en dat ieder onderdeel van de verschillende rechten op een werk afzonderlijk beschermd en beschikbaar kunnen worden gesteld. De visie die in het essay wordt gegeven is een versimpeling die er juist wel van uit lijkt te gaan dat er op een werk slechts één (auteurs)recht rust en dat het een binair principe is waarbij auteursrecht alleen ‘aan’ of ‘uit’ kan staan. Dat hoor ik nu ook weer terug in het artikel van De Vet. Maar door dit onjuiste uitgangspunt is het essay en ook het verhaal van De Vet al een stuk minder interessant.
Overigens vraag ik me af hoe maf je moet zijn om een boekje als ‘Adieu Auteursrecht, vaarwel culturele conglomeraten’ bij BJu uit te geven. Er is nauwelijks een betere manier te bedenken om duidelijk te maken dat je niet in je eigen verhaal gelooft.