Bloggende wetenschapper ≠ journalist

testtubeHet gaat niet goed met de wetenschapsjournalistiek. In Amerika bezuinigen kranten en omroepen massaal op hun science reporters. CNN schrapte een paar maanden geleden de complete wetenschapsredactie. In Nederland gaat het al niet veel beter. Ondertussen zijn er heel wat wetenschappers die bloggen. Kunnen zij de wegbezuinigde journalisten vervangen?

Sabin Russel schreef 23 jaar voor de San Francisco Chronicle over medische wetenschap. Hij is gespecialiseerd in besmettelijke ziekten en won in 2001 een prijs voor zijn verslaggeving over chaotische toestanden bij de productie van griepvaccins. In maart van dit jaar moest de krant bezuinigen en kon Russel vertrekken. Ironisch genoeg was dat ook de tijd dat de eerste geruchten de ronde deden over een nieuwe, dodelijke griepvariant. Het enige dat hij nog kon doen, zo vertelde Russel aan The Nation, was zijn oude werkgever waarschuwen: let op Mexico!

Er zijn veel Russels. In februari bracht de Amerikaanse National Association of Science Writers schokkende cijfers naar buiten. Van zijn 2000 leden waren er nog maar 79 full time in dienst van een krant. Tussen 1989 en 2005 halveerde het aantal kranten met een wetenschapsredactie. En toen moest de crisis nog echt beginnen.

Kaasschaaf
Precieze cijfers ontbreken, maar in Nederland is de situatie niet minder ernstig, zo zegt Govert Schilling, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wetenschapsjournalisten: “Er is een duidelijk zichtbare neerwaartse trend. De afgelopen jaren is flink bezuinigd op wetenschapsredacteuren en ook het aantal pagina’s in de krant loopt terug.” Een beeld dat wordt bevestigd door Martijn van Calmthout, chef van de wetenschapsredactie van de Volkskrant: “Over de hele linie wordt gekort, minder mensen, minder papier. Ook de redactie wetenschap ontkomt niet aan de kaasschaaf.”

Iedere bezuiniging gaat ten koste van de kwaliteit, maar voor de wetenschapsredactie geldt dat volgens Van Calmthout meer dan bij andere redacties. “Het terrein dat je verslaat is heel breed en tegelijkertijd heb je ook expertise op deelgebieden nodig. Halveer je de redactie, dan daalt de kwaliteit met 75 procent.” Hij maakt zich dan ook ernstig zorgen. “De kritieke massa is bijna bereikt.”

Hybride model
De onttakeling van de wetenschapsjournalistiek laat ook de wetenschap zelf niet onberoerd. Het tijdschrift Nature riep wetenschappers de afgelopen maanden tot twee maal toe op de journalistiek te hulp te komen. Bijvoorbeeld door mee te denken over nieuwe modellen of door samen te werken met journalisten. Of door te bloggen. Volgens het gerenommeerde tijdschrift is een weblog een prima mannier om expertise te delen met de journalistiek en de maatschappij.

Veel wetenschappers hebben de aansporingen van Nature niet nodig. Steeds meer onderzoekers bloggen over hun eigen vakgebied. Voor de lol, of voor een kleine vergoeding via een site als ScienceBlogs.com. Sommige van die blogs, zoals Pharyngula of In the Pipeline, worden door duizenden mensen gelezen. Zou de wetenschapsjournalistiek geen toenadering moeten zoeken tot deze bloggers? Een hybride model, waarbij een kernredactie van professionele journalisten samenwerkt met een groot netwerk van experts, kan heel goed werken. Kijk maar succesvolle sites als The Huffington Post en Gawker.

Klinkt leuk, maar Robert Lee Hotz, wetenschapsjournalist van The Wall Street Journal, ziet weinig in zo’n oplossing. Bloggende wetenschappers kunnen helpen bij het verbreiden van kennis over lopend onderzoek, zegt hij elders in Nature. Maar ze kunnen de journalist niet vervangen als kritische waakhond. Hij heeft dan ook weinig hoop voor de toekomst: “Independent science coverage is not just endangered, it’s dying.” Ook Schilling is sceptisch: “Een weblog kan een mooi kijkje in de keuken geven van een onderzoeker. Maar het kan de journalistiek niet vervangen. Je zegt ook niet dat de parlementaire journalistiek overbodig wordt als alle Kamerleden gaan bloggen en twitteren.”

Science2.0
Wetenschappers die actief zijn op het web stonden afgelopen maandag ook op de agenda in Utrecht, waar Anita de Waard een lezing hield over wetenschappelijke communicatie met behulp van sociale media. De Waard, die onderzoek doet naar de semantiek van wetenschappelijke artikelen, is een groot voorstander van Science2.0. Ze vertelde aanstekelijk over wetenschappers die het publiek actief betrekken bij hun onderzoek, bijvoorbeeld door je uit te nodigen bij te dragen aan een wetenschappelijke wiki of door je te vragen spelenderwijs mee te helpen sterrenstelsels te classificeren. Daarmee werd een schooljuf uit Drenthe Limburg zelfs wereldberoemd.

Maar ook De Waard gelooft, ondanks haar enthousiasme over de mogelijkheden van sociale media, niet dat wetenschappelijke blogs de redding zijn voor de journalistiek. “De bloggende onderzoekers die ik ken, schrijven vooral voor vakgenoten, niet voor een breed publiek,” vertelde ze na afloop. “Bovendien is journalistiek een moeilijk vak, waarvoor je hard moet werken. Dat doe je er niet even bij.” Daarmee is Schilling het roerend eens: “Als 1 procent van de wetenschappers goed kan schrijven, dan is dat al veel.” Met die 1 procent wil Van Calmthout overigens best graag samenwerken: “Goede bloggers binden aan de krant is best interessant. Maar dan moet je ze gewoon behandelen als freelancers en dus ook betalen. Anders blijft het hobbyisme.”

9 reacties

  1. Frank van Vree schreef op 16 september 2009 om 14:32

    Dit is niet alleen een verontrustende ontwikkeling, maar zal bovendien een averechtse uitwerking nlijken te hebben. Uit vroeger onderzoek is immers gebleken, dat b.v. academici vrijwel al hun kennis – buiten hun eigen specialisme, waarvoor ze vakbladen raadplegen – uit algemene media halen. Ik maak mij sterk dat dit nu veel anders is, immers, juist het aanbod van een (overigens van medium to medium zeer uiteenlopende) selectie is aantrekkelijk. Je begint niet in het wildeweg op internet te zoeken. Kortom: wordt hier niet wederom een kind met badwater weggegooid: weer een reden minder, althans voor een deel van de consumenten van serieuze media, om zich te abonneren op een krant of tijdschrift.

  2. Sent Wierda schreef op 16 september 2009 om 15:49

    Het is een verontrustende ontwikkeling. Maar wat nog veel belangrijker is: hoe is het gesteld met de kwaliteit van de wetenschapsjournalistiek? Kwaliteit is nog veel belangrijker dan kwantiteit.
    Ik word soms moedeloos van de kwaliteit en ik ben niet de enige: Johannes van Dam heeft in Het Parool van 5 september ongezouten zijn mening gegeven.

  3. Interessant stuk, maar als wetenschapsjournalist vraag ik me wel af: klopt het ook?

    Het zit hem in die twee woorden: ‘cijfers ontbreken’ – waarna Martijn en Govert hun klaagzang mogen aanheffen en eenstemmig vaststellen dat het in Nederland niet anders is dan overzee.

    Hoe enorm ik Govert en Martijn ook waardeer, ik kan het niet helpen dat mijn alarmpje afgaat. Twee rijpe rotten uit het ‘oude’ krantenvak die steen en been klagen, what else is new?

    De gang naar de toekomst is ook een tocht naar andere, meer doelgroepgerichte en meer gespecialiseerde journalistiek.

    En als ik om mij heen kijk, zie ik bij de omroep dat de redacties van VPRO en Teleac bloeien zoals vele jaren niet het geval is geweest, dat er meer populair-wetenschappelijke tijdschriften zijn dan ooit, en talloze websites en initiatieven die er tien jaar geleden helemaal niet waren.

    Ook in mijn eigen bedrijf hebben we eerder meer dan minder wetenschapsjournalisten aan het werk dan tien, twintig jaar geleden het geval was. Of kijk naar Quest: een armada van een wetenschapsjournalist of twintig, is daar nu werkzaam.

    Intussen puilen de tv’s en radio’s uit van de nieuwe wetenschapsprogramma’s, bloeien de wetenschapsredacties van de universiteiten en de wetenschapsmusea, en hebben zelfs ANP en nu.nl een wetenschapspoot opgetuigd. Gewoon, omdat de journalistieke trend er ook een is van genre-specialisatie.

    Nogmaals – ik zeg helemaal niet dat Martijn en Govert ongelijk hebben, ik weet het gewoon niet. Ik vraag me af hoe het zit en of er geen vertekening is door de crisis (tijdelijk effect) en of er geen ruis op de lijn zit door het geleidelijke verval van de oude krantenimperia.

    Ik sluit helemaal niet uit dat er door de bank genomen méér wetenschapsjournalisten aan het werk zijn dan een jaar geleden.

    Maarten (NWT Natuurwetenschap & Techniek, Volkskrant)

  4. @Maarten. Dank voor je reactie. Op een dag dat Hans van Maanen er bij Leidse studenten in ramt dat ze kritisch moeten zijn als het gaat om cijfers in het nieuws (of het ontbreken daarvan), kan ik je natuurlijk niet anders dan gelijk geven. Het zou heel goed kunnen dat de malaise zich vooral voordoet bij kranten.

    Het zou een mooi onderzoek zijn voor een student: hoeveel wetenschapsjournalisten zijn er eigenlijk in Nederland (de VWN telt 140 ‘journalistieke leden’), welke definitie hanteer je daarbij en hoe zat dat tien en twintig jaar geleden? Wordt dus vervolgd.

  5. Simon Rozendaal schreef op 17 september 2009 om 22:50

    Geachte heer Broekhuizen,
    Wij kennen elkaar niet, voor alle duidelijkheid, ik zit bijna 35 jaar in de wetenschapsjournalistiek, heb de bijlage bij NRC Handelsblad opgericht, het een en ander op tv gedaan en zit nu al sinds mensenheugenis bij Elsevier (waar wetenschap heel veel ruimte krijgt).
    Een van de redenen waarom ik uit de vereniging van wetenschapsjournalisten ben gestapt is omdat ik vind dat het niveau van de wetenschapsjournalistiek abominabel is. De wetenschapsjournalistiek richt zichzelf ten gronde.
    De meeste wetenschapsjournalisten willen alleen maar uitleggen. Uitleggen is leuk maar slechts een van de driehonderd journalistieke instrumenten.
    Wetenschapsjournalisten schrijven niet over geld, ze plaatsen geen kanttekeningen bij de wetenschap (welke disciplines zijn te vertrouwen, welke niet), ze hebben niet in de gaten welke politieke belangen in de wetenschap spelen. Ze zijn zoals Frank Nuijens het pas tegen me zei ‘cheerleaders van de wetenschap’. Mede daardoor marginaliseert de wetenschapsjournalistiek zichzelf: waar politieke, economische en misdaad-journalisten wel maatschappelijk zichtbaar zijn (op radio en tv bijvoorbeeld), geldt dat niet voor wetenschapsjournalisten.
    Met andere woorden, ik vrees met grote vreze.
    Simon Rozendaal

  6. Behalve bloggende wetenschappers, nu ook – zo lees ik net – Amerikaanse universiteiten die zelf een nieuwssite beginnen om het wetenschapsnieuws onder de aandacht te brengen van een groot publiek. Omdat ze vinden dat er steeds minder aandacht in de gevestigde media is voor wetenschap, maar natuurlijk ook omdat ze vinden dat ze het beter zelf kunnen doen dan kritische of onwetende journalisten. Zie http://www.editorsweblog.org/newsrooms_and_journalism/2009/09/as_scientific_journalism_declines_us_uni.php
    Die wetenschapsnieuwssite ziet er overigens (nog) niet uit: http://www.futurity.org/

  7. @Simon
    Maar Simon, vanwaar dan deze tirade? Afgezien van dat ik vind dat je te veel generaliseert en je tamelijk hautaine toon me toch wat van je tegenvalt, zou je toch heel blij moeten zijn met het (vermeende!) verval van wetenschapsredacties? De cheerleaders worden nu weggeselecteerd, toch?
    Wat vrees je nu precies met grote vreze?

  8. Er worden in deze discussie een aantal verschillende dingen besproken. Ik geef wat commentaar op twee aspecten.

    Web 2.0
    Ik ben redelijk op de hoogte van een aantal web2.0-achtige activiteiten die met wetenschap te maken hebben. Er wordt ook op mijn Engelstalige blog http://www.sciencesurvivalblog.com regelmatig over gepubliceerd en op gereageerd. Mijn conclusie is eenvoudig: zolang als bloggers, reageerders en andere bijdragers dat publiceren en reageren doen onder schuilnaam, anoniem of valse naam blijft het bagger en wetenschappelijk irrelevant. En dus zeker geen antwoord op de – vermeende – ondergang van wetenschapsjournalistiek. Het is diezelfde anonimiteit van de reaguurders die ervoor zorgt dat GeenStijl geen factor van maatschappelijke betekenis is.

    Inhoud van wetenschapsjournalistiek
    Ik kan me wel vinden in de kritiek van Simon Rozendaal. Heel veel van wat wetenschapsjournalisten brengen, is het presenteren van weetjes. Die journalisten worden gebombardeerd met persberichten, emaillijsten en directe correspondentie over nieuwe vindingen. Iedereen (van Nature en Science tot de individuele wetenschapper uit Nijmegen) doet zijn best om zijn “waar” aan de journalist te brengen. De journalist filtert en herschrijft. Op grond van welke criteria wordt er gefilterd? Dat is mij niet duidelijk. Behalve dan dat hoe hoger het Nederlandgehalte is, hoe groter de kans dat er aandacht aan besteed wordt. Als ik de NRC of de Volkskrant opsla op zaterdag is de gedachte achter dat filter mij niet duidelijk. Het zijn lappendekens. Een beetje duurzaam. Een beetje bèta. Een beetje gezond. De onzinnige beloftes van de wetenschapper worden, in iets eenvoudigere bewoordingen, nagekraaid. Als het maar Alzheimer geneest. Volgens mij zijn al die fragmenten op zich niet zo interessant voor de buitenwereld. Behalve misschien dat het de lezer het (valse?) gevoel geeft “bij te blijven”. Juist omdat die gefragmenteerde doorbraakjes op zich niet zo interessant zijn, gaan ze vergezeld van ongeloofwaardige beloftes door wetenschappers. Prik daar door heen.

    Zoek eens uit wat diezelfde geleerde een paar jaar geleden al beloofd had. Zoek eens uit waarom er nu net op een bepaald ogenblik een persbericht verschijnt van een wetenschappelijke organisatie. Zet de ontwikkelingen van een vakgebied van de laatste 10 jaar eens kritisch op een rijtje. Probeer in ieder geval zichtbare structuur in dat filteren aan te brengen.

    Deze site
    Het zou wel handig – en ook wel modern – zijn als deze site preview van reacties mogelijk zou maken. Trackbacken mogelijk maken, zal wel teveel gevraagd zijn.

  9. margriet van der heijden schreef op 20 september 2009 om 10:42

    Ach, de arme wetenschapsjournalist. Zijn (of haar) terrein loopt van genen tot quasars. Van primaten tot vulkanen. Van archeologie tot astronomie. Van geneeskunde tot chemie. En het nieuws komt niet alleen uit Nederland, maar vanuit de hele wereld. Elke dag stroomt zijn mailbox vol.
    Een selectie moet hij maken. En als hij (of zij) ook schrijvend redacteur is, dan moet hij dat doen tussen het redigeren, nadenken over foto’s en beantwoorden van lezersmails door. Terwijl hij op veel redacties ook steeds vaker stukjes op internet moet plaatsen – en beeld daarbij moet zoeken.
    Internet en afgeleide hulpmiddelen versnipperen zijn tijd. En er is nog iets: ze maken permanent vergelijk mogelijk. Waarom heeft X wel dat nieuws en wij niet? Heeft NY times dat niet oneindig veel beter beschreven?

    Wij hebben bij de krant een tijdje geleden, in verband met een jubileum, de oude katernen tevoorschijn gehaald. Tot aan een kwart eeuw terug. Afgezien van kwaliteit, was één ding duidelijk: in wat voor rust werden die nog gemaakt én gelezen!

    Ligt het dan echt, zoals Simon, suggereert alleen maar aan die journalist die zichzelf te gronde richt door de cheerleader uit te hanegn? Of door, zoals Ad zegt, klakkeloos en kritiekloos na te kraaien wat wetenschappers beweren – als het maar Alzheimer geneest?
    De NRC-bijlage die gisteren op de mat viel en in de kiosk lag, bevatte, onder meer, een verhaal over 20 jaar het taaislijmziektegen en wat die kennis níet had opgeleverd. Het lijkt me dat Ad daarmee op zijn wenken werd bediend.
    Natuurlijk, het kan altijd beter; dat denk ik wekelijks. En het is goed het daarover te hebben. Maar deze kritiek vind ik iets te gemakkelijk.
    Relevant voor de discussie die het verhaal van Bas in gang zet, is volgens mij ook: hoe kun je onderzoeksverhalen blijven maken terwijl de versnippering toeneemt, en daarmee de werkdruk? Hoe kunnen, vooral de beginnende wetenschapsjournalisten op kleine redacties, zich daar tegen verweren? Hoeveel moet je je aantrekken van het vergelijken via internet en in hoeverre vaar je je eigen koers?

    Wat de cheerleaders betreft: die vind ik eerder op televisie, bij Hoe?Zo! (niet bij Hoe?Zo!radio ;-)) en bij EchtNiet !?. Programma’s die met scheppen overheidssubsidie gemaakt zijn. De verhouding tussen de omvang van de geïnvesteerde middelen en het gewicht/de relevantie van het resultaat: dat lijkt me ook een goed discussiepunt!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (678 van 891 artikelen)


Gaat Google dan toch de kranten redden? Het zoekbedrijf werkt aan een ...