Feest voor het oor – Renaissance voor de radio
Er is meer radio dan ooit – maar de grote zenders lijken steeds meer op elkaar. Zijn bewerkelijke genres als de radiodocumentaire en het radiodrama daarom ten dode opgeschreven? Of staan we aan de vooravond van een miraculeuze wederopstanding van het elektronisch verspreide en kunstzinnig verantwoorde gesproken woord?
Er is iets merkwaardigs aan de hand met de verzameling van geluiden die vroeger radio werd genoemd. Een kleine halve eeuw geleden had je er niet zoveel van – en het leek ook nog allemaal heel erg op elkaar. Totdat ergens in de jaren zestig de rust en de stilte werden doorbroken door de piraten van Veronica en de dekselse kwajongens van de VARA en de VPRO. Muziek krijgt in de geschiedschrijving van die radiorevolutie meestal de meeste aandacht, maar minstens zo belangrijk waren de stemmen – en wat je ermee kon doen. Niet alleen maar aankondigen en informatie verstrekken. Ook schreeuwen, lachen, boeren, kreunen, opjutten, zeuren, zuigen, schelden en vooral eindeloos uitweiden en afdwalen. Toen pas is de gepasteuriseerde omroepstem van voor de oorlog definitief verdwenen, met medeneming van de complete Hoorspelkern en achterlating van nog slechts twee kleine hoekjes waarin plaats was voor droge galm en rollende r, namelijk de Waterstanden van Hedenmorgen voor de binnenvaartschippers en Mr. G.B.J. Hiltermann voor wie zichzelf graag rekende tot de (inmiddels trouwens ook spoorloos verdwenen) Hogere Burgerij.
Toeters en reclames
Radiostemmen bleken heel uiteenlopend te kunnen klinken, zodat je er een karakter bij kon verzinnen en een afkomst, ze kregen zomaar een sociaal of een regionaal accent. Dat alles werd bovendien gelardeerd en versterkt met toeters en reclames, met achtergrondgeluiden die volgens de makers een plaats op de voorgrond verdienden. Er ontstonden nieuwe uitzendvormen, zoals het totaalprogramma, al of niet gepresenteerd vanaf een exotische locatie maar vooral vaak van buitengewoon lange duur, en er was plaats voor absurdistisch radiodrama of zelfs puur geluid op de zender. Bijvoorbeeld in de vorm van angstaanjagende stilte. Toegegeven: dit is een wel heel korte en subjectieve samenvatting van vijftig jaar omroephistorie. Maar de herinnering laat op dit punt geen ruimte voor twijfel: die nieuwe mondigheid was een feest voor het oor.
Ontploffende kruitfabrieken
Nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw is er ontzaggelijk veel meer radio – en het lijkt weer allemaal heel erg op elkaar. Het geklaag daarover duurt inmiddels ook alweer twee decennia. Al aan het eind van de jaren tachtig stelden bezorgde omroepmedewerkers de steeds beperktere ruimte en de steeds geringere middelen voor lange buitenlandse documentaires aan de orde, ze hekelden het steeds grotere belang dat aan luistercijfers werd gehecht, ze ergerden zich aan de plotselinge meldingen betreffende files en ontploffende kruitfabrieken wanneer die een inbreuk vormden op een met veel zorg gemonteerd klankspel of een grondig voorbereid twistgesprek. De concurrentie van commerciële zenders en de komst van coördinatoren maakten het er allemaal niet beter op. Serieuze radiomakers leken de afgelopen jaren op een bedreigde diersoort, bewoners van een steeds sneller smeltende en afbrokkelende ijsschots of een door overmatige houtkap nauwelijks nog bewoonbare jungle. En zo gedroegen ze zich vaak ook: kermend, protesterend, grommend zonder indruk te maken, ten slotte vaak moedeloos op zoek gaand naar een reservaat in de vorm van een nachtelijk kwartiertje of een nauwelijks beluisterde frequentie op de middengolf, in de hoop daar dan misschien weer even met rust te worden gelaten. De publieke omroep, die zijn bestaansrecht toch ontleent aan dat wat zij anders en beter doet dan de louter op geld beluste concurrenten, bleek als het om het programmeren van radiozenders ging louter bevolkt door slechte mensen die er op uit waren iedere vorm van kwaliteit en journalistiek of artistiek vernuft te beknotten en in een hoek te drijven, alwaar het – al naar gelang het humeur van de slechterik van dienst – langzaam mocht sterven of meteen voorzien werd van een genadeschot. Zo hebben tenminste veel radiomakers het beleefd.
Van iedereen
Maar is het ook zo? Om een genuanceerder en ook iets opbeurender antwoord op die vraag te vinden heeft het zin om nog eens te bekijken hoe die veelheid aan geluid tegenwoordig wordt verspreid. Radio is allang niet meer het juiste woord daarvoor. Natuurlijk wordt er nog veel de ether ingestraald en via antennes door de luisteraar opgevangen, maar de mogelijkheden om iets te horen zijn door de komst van kabel, computer, mobiele telefoon, digitale compressie enzovoorts enorm toegenomen en van die mogelijkheden wordt ook volop gebruikt gemaakt door publieke omroeporganisaties, zowel landelijk als regionaal als plaatselijk, en door commerciële stations, maar ook door telefoonmaatschappijen, computerfabrikanten, kranten, muziekproducenten en liefhebbers over de hele wereld – want wie wil, kan zonder al te veel kosten en moeite op internet zijn eigen zendertje beginnen. Wat radio was, is van iedereen geworden. Wat audio is, valt nu ruwweg uiteen in drie categorieën, die elk eigen eisen stellen en zich anders gedragen.
Smaakpatroon
De eerste categorie is die van de muziek. De vrijwel onbeperkte beschikbaarheid van distributiekanalen heeft de producenten van platen en cd’s, maar ook de artiesten, gedwongen om hun hele industrie op nieuwe leest te schoeien. Verdiend wordt er nu eerder met nummers dan met albums, vaak meer met een concerttournee dan met een cd. Voor traditionele radio – dat is: het achter elkaar uitzenden van liedjes of muziekstukken – betekent het dat er streng moet worden geformatteerd. De luisteraar die bij het omdraaien van de knop iets hoort dat meer dan enkele graden afwijkt van zijn muzikale smaak kan immers met een kleine, en steeds kleiner wordende moeite omschakelen naar de stijl van zijn keuze. Via zijn mp-3-speler bijvoorbeeld. Of via een dienst als Last.fm, die het smaakpatroon van de luisteraar analyseert en er steeds het passende geluid bij levert. De Arbeidsvitaminen kunnen niet meer zoals vroeger na de Selvera’s de Stones programmeren, op straffe van massale desertie van het luisterpubliek. Voor traditionele radiostations komt daar nog eens bij dat een flink publieksbereik, net als in de politiek, alleen te realiseren is in het midden, in de buurt dus van de grootste muzikale gemene deler. Dit verklaart waarom ondanks een flinke toename van het aantal zenders de muzikale bandbreedte van het geheel nauwelijks groter is geworden. Melodieuze rock uit de jaren tachtig en negentig geeft de toon aan, zelfs op de nieuwszenders, en de twaalf themakanalen die de publieke omroep onlangs in het leven riep zijn vooral veilige variaties op de Mega Top Vijftig. Er is werkelijk niks buitenissigs aan.
Nieuws en achtergronden
De keuze voor ingewikkelde muziek mag dan steeds lastiger zijn geworden, voor nieuws is en blijft de radio onbedreigd het snelste en minst gecompliceerde medium. Nieuws en de achtergronden bij het nieuws vormen de tweede grote categorie. Door zijn betrekkelijk eenvoudige techniek buigt radio zich moeiteloos naar de actualiteit, kan er direct geschakeld worden tussen verslaggeving en reflectie, is radio altijd bij de tijd. Die mogelijkheden zijn als het om nieuws gaat tegelijkertijd ook eisen. Toen Veronica tot het Bestel toetrad en ‘de wereld in een half uur’ als nieuws-format introduceerde, werd er schamper op gereageerd. Maar een half uur wachten is veel te lang als er werkelijk iets gebeurt. Dan moet de radio er onmiddellijk bij zijn. Tijdens het ongestoord beluisteren van een marathoninterview kan de beurs zelfs wel twee keer instorten, kan het warenhuis om de hoek in brand gevlogen zijn en geblust en is men wellicht reeds met de wederopbouw begonnen. Er is geen excuus voor levende radio om niet zo actueel mogelijk te zijn.
Diepgravend en artistiek
Maar er is ook geen enkele reden om het marathoninterview, de audiodocumentaire, het audiodrama en nog heel veel andere al of niet met geluidsdecors aangeklede manieren om verhalen te vertellen als afgedaan te beschouwen. Er zijn, integendeel, nogal veel redenen om daar juist nu meer aandacht aan te besteden. Dezelfde techniek die de traditionele zenders een strakker keurslijf heeft aangelegd, biedt namelijk bijzondere kansen aan andersoortig, bijzonder, diepgravend en artistiek bedoeld gesproken woord. Voor programma’s die erbij gebaat zijn dat de luisteraar ze van begin tot eind hoort en die dus maar het beste kunnen beginnen wanneer dat die luisteraar goed uitkomt – bijvoorbeeld op het moment dat de kinderen naar bed zijn, de trein vertrekt, de auto start – en niet op het moment dat er ruimte is in een zendschema dat aan heel andere eisen moet voldoen. On demand is het jargonwoord daarvoor. Technisch is het allemaal mogelijk en het is een zegen, geen vloek voor de elektronische verspreiding van gesproken woord. Waarbij aangetekend moet worden dat lineair uitzenden en zelf kiezen elkaar vooral niet moeten uitsluiten. Een radio-expert vertelde me onlangs dat één van de meest gewaardeerde eigenschappen van radio is, dat de luisteraar met een simpele druk of draai van de knop ergens is waar hij graag wil zijn. Dat betekent voor deze categorie dat hij moet kunnen vertrouwen op een goede redactie, een club van mensen die een waarborg biedt voor kwaliteit en wel verrassingen in petto heeft maar niet al teveel teleurstellingen – en kan doorverwijzen naar een enorm bestand van gemakkelijk beschikbaar soortgelijk materiaal.
Goed nieuws
Er is meer goed nieuws voor radiomakers die dachten dat ze verdwaalde zeehondenbaby’s of zelfs al bijna dodo’s waren. De belangstelling voor gesproken woord was nog nooit zo groot. Niet alleen klept de hele wereld dag en nacht via mobiele telefoons, in de muziek wordt er gerapt bijna zonder ademhalen, in het theater is het al cabaret en stand-up comedy wat de klok slaat, de literatuur wordt steeds meer hardop en vanachter een microfoon bedreven of via een luisterboek verkocht, terwijl de talkshow het regerende genre op de televisie is. Het vertellen van verhalen lijkt terug van eigenlijk nooit weg geweest. Een even willekeurig als inspirerend voorbeeld: in de Verenigde Staten is het huiskamerinitiatief The Moth in een paar jaar uitgegroeid van een hit in theaters via een internet platform naar een uitzending op National Public Radio. Die drie heel verschillende platforms versterken elkaar en en passant hebben ze aan het gesprek over tegenstellingen als die tussen hoge en lage cultuur of amateurkunst versus professionalisme een hele nieuwe en interessante draai gegeven.
Stoute dromen
Ik realiseer me, op dit punt aangekomen, dat de analytische beschouwing van het radiolandschap dreigt om te slaan in een manifest. Een pamflet. Een oproep, niet zozeer aan de burgers als wel aan de radiobestuurders en de cultuurkardinalen, de radiomakers en de schrijvers, acteurs, geluidskunstenaars, theatermakers en wat dies meer zij. Want ik denk dat er iets moet gebeuren. En dat het ook kan. Misschien is dat iets een plek op internet waar de mooiste uitzendingen zowel live gestreamd als opvraagbaar te vinden zijn, maar waarop ook het gedicht van de dag en een kort verhaal, de documentaire en het audiodrama, een theaterexperiment en een lang gesprek, een gesproken column en een twistgesprek, een geselecteerd stukje oral history en de waargebeurde belevenis van een luisteraar onder de aandacht worden gebracht, desgewenst voorzien van schriftelijke toelichting en commentaar. Een plek waar al die verschillende auteurs van gesproken woord elkaar ontmoeten, in het belang van een geïnteresseerd publiek en van elkaar. Het kan niet alleen technisch, het kan ook financieel, want audio is niet duur en dankzij het beperkte bereik van de Nederlandse taal zijn ook rechtenkwesties overzichtelijker en makkelijker te regelen dan bij film en televisie het geval is. Het kan, maar alleen als de publieke omroep als organisatie bereid is over zijn eigen schaduw heen te springen en zoiets mogelijk te maken. Want een dergelijk iets is, wil het geen duur reservaat worden, afhankelijk van de dagelijkse interesse van traditionele radiozenders die voor promotie zorgen op de manier die hun eigen is: door het uitlichten van hoogtepunten, het wijzen op tegenstellingen, het kiezen tussen wat belangrijk en wat minder belangrijk is. Maar misschien ziet het ‘iets’ wat hierboven omschreven is er wel heel anders uit en klinkt het nog veel beter dan in mijn stoutste dromen. Het woord, jawel, het woord is namelijk hopelijk en uiteindelijk niet aan de financiers en de bestuurders maar aan degenen die werkelijk iets te zeggen hebben.










9 reacties:
13 oktober, 2009
Nu nog even inspreken en als MP3-bestand publiceren, dan is het een stuk geloofwaardiger.
14 oktober, 2009
[...] op de debatbijdrage Feest voor het oor – Renaissance voor de radio, van Hans Maarten van den Brink, directeur van [...]
15 oktober, 2009
Wat mij betreft had de hoorspelkern nog jaaaaaren mogen draaien! En nu nog steeds wel, eigenlijk. Echt klote dat bijna alle drama van de radio geveegd is. En vergis je niet, daar zaten verdomd goeie acteurs bij, die hoorspelkern. Mijn favoriet is Jan Borkus, helaas overleden. Maar Andre van den Heuvel, ster van “Dubbelspion” (Carl Lans) leeft nog en schijnt te beeldhouwen, ergens in de hoofdstad (Gek, ik had hem ergens onder de grote riolen verwacht…)
Hoorspelen, Is dat niks voor omroep Max?
Ik groet allen
Aloha
19 oktober, 2009
[...] op de debatbijdrage Feest voor het oor – Renaissance voor de radio, van Hans Maarten van den Brink, directeur van [...]
19 oktober, 2009
[...] op het artikel Feest voor het oor – Renaissance voor de radio, van Hans Maarten van den Brink, directeur van het Mediafonds en de artikelen van Geert Lovink en Jan [...]
19 oktober, 2009
[...] is, wegens niet commercieel genoeg, zoals de hoorspelen. Maar lees zelf de beide commentaren: Feest voor het oor – Renaissance voor de radio (Hans Maarten van den Brink), en De Luisteraar als Goudzoeker (Marlies [...]
23 oktober, 2009
[...] den Brink heeft gelijk als hij zegt dat radiomakers zich de afgelopen jaren gedragen hebben als “een bedreigde diersoort. (…) kermend, protesterend, grommend zonder indruk te maken.” Zolang de Publieke Omroep blijft [...]
1 november, 2009
Extra luisteraars zal inhoudelijke radio onder de multitaskende 2 minuten generatie niet gauw werven Goed gemaakte radio verdient de volle aandacht, die krijg je niet als achtergrond bij andere activiteit. Al mijn neefjes multitasken, gebruiken geluid als behang bij andere activiteiten. Dan ontgaat je 90% van goed gemaakte geluidsachtergrond. Sowieso zijn er heel weinig terugluistersessies (zie bijdrage Jan Westerhof).
Daarom doen Radiomakers er beter aan zich te richten op de tradionele ether media en de handen ineen te slaan voor de ideale plek.
Indien LLInk wordt opgedoekt, komt er op zondagavond op Radio1 een prachtig slot vrij voor inhoudelijke radio. Etenstijd = radiotijd.
Dat timeslot heeft al jaren een inhoudelijke community opgebouwd (zie bijdrage Jan Donkers) … voorheen zat er Tros Forum, toen Opium, nu Atlas). Het zou een prima tijdstip zijn om Argos en andere inhoudelijke Toppers een voor langere tijd een plek in de luwte van luistercijferdruk te geven.
9 november, 2009
[...] Althans als het gaat om wat ik nu maar steeds gemakshalve als ‘gesproken woord’ aanduid. In een eerdere bijdrage heb ik er voor gepleit om het begrip ‘radio’ alleen nog maar te gebruiken voor de analoge vorm [...]