In de negendelinge NPS tv-serie ‘De Oorlog’ wordt het verhaal van de bezetting verteld met nieuw materiaal en nieuwe inzichten – maar zonder acteurs, want Nederlanders zweren bij authenticiteit.
Presentator Rob Trip doet de deur open, zet een paar stappen in het lege huis en kijkt licht verbaasd in het rond, zonder tekst. Ook geen muziek. Pas na een halve minuut legt hij uit waar hij is: het huis van voormalig commandant Albert Gemmeker van doorgangskamp Westerbork in Drente. Het staat leeg, het ziet er nog net zo uit als het er in 1945 moet hebben uitgezien, toen Gemmeker eruit wegvluchtte bij de nadering van de geallieerden. Rob Trip zegt vervolgens dat hij het een raar idee vindt dat er maar een paar handenvol Duitsers in Westerbork rondliepen; het waren vooral Nederlanders die er de orde bewaakten en de massale joden-deportaties organiseerden.
Het is een typerende scène uit deel 5 van de serie De Oorlog die de NPS dit najaar uitzendt. Typerend bijvoorbeeld, omdat de presentator op de plek is waar het allemaal gebeurde. In de moeder van alle oorlogsseries, De Bezetting van dr. Loe de Jong uit de jaren zestig, zat de presentator achter een tafel en gaf hij les, als de nationale geschiedenisleraar. Hij vertelde zijn verhaal, in zijn zeldzaam nadrukkelijke dictie, met grote stelligheid. Ook dat is bij Rob Trip heel anders. Hij is weliswaar de verteller en ook de gids die de kijker langs de verhalen van de oorlog leidt, maar hij wekt niet de indruk alles te weten. Hij vraagt zich soms ook wel eens dingen af, bijvoorbeeld waarom er maar zo weinig Duitsers in Nederland vuile handen maakten bij de vervolging van de joodse bevolkingsgroep.
Presentator als gids
Aan zo’n gidsrol is de Nederlandse televisiekijker inmiddels al enigszins gewend. In korte tijd heeft hij Charles Groenhuijsen in actie kunnen zien in Verleden van Nederland en Geert Mak in In Europa. Allebei waren ze gids in historische tv-vertellingen. Groenhuijsen reisde daarvoor langs nagenoeg alle plekken die in de vaderlandse geschiedenis van belang waren, Geert Mak kwam meestal niet verder dan het station van Haarlem, maar omdat hij zelf de voice-overs in de serie voor zijn rekening nam, leek het er toch sterk op dat hij de kijker begeleidde op diens reizen langs historische gebeurtenissen in dit werelddeel.
Die presentator als gids door de geschiedenis is een internationaal verschijnsel in televisieland. Simon Schama liep zestien afleveringen lang door de Britse geschiedenis voor History of Britain. De voormalige Newsnight-presentator Peter Snow trok samen met zijn zoon Dan (een jonge historicus) langs de beroemdste slagvelden uit de geschiede-nis om uit te leggen wie daar de veldslag won en waarom. En ook in Amerika, Duitsland en Frankrijk is de rondtrekkende historicus/presentator niet van het scherm te slaan. Het is een geschikte vorm: een betrouwbare, geloofwaardige presentator houdt de aandacht beter vast dan in de meeste klassiek opgebouwde historische documentaires mogelijk is, dat moet de reden zijn van deze duidelijke trend.
Andere Tijden
Dat de NPS twintig jaar na de remake van De Bezetting het verhaal van de Tweede Wereldoorlog opnieuw gaat vertellen heeft een aantal achtergronden. Er is veel belangstelling voor, dat weten we uit de kijkcijfers van Andere Tijden. Dat programma haalt tegenwoordig wel tegen de 600.000 kijkers per uitzending en als er een verhaal uit 1940-1945 wordt verteld zijn de cijfers meestal boven het gemiddelde. En er is ook wat te mélden: er is de laatste decennia ongelooflijk veel onderzoek gedaan naar minder bekende aspecten van de oorlogsperiode, zowel internationaal als regionaal en lokaal. Het merendeel van de nieuwe inzichten die daardoor zijn ontstaan, is niet verder gekomen dan een beperkte kring van wetenschappers en specialisten. Tot het collectieve geheugen van het Nederlandse volk zijn die nieuwe ideeën niet of nauwelijks doorgedrongen.
De nieuwe serie De Oorlog gaat een poging doen dat te veranderen. En dan was er bovendien nog het project Erfgoed van de Tweede Wereldoorlog, bedacht en uitgevoerd door het departement van VWS, dat een groot project als dit als partner kon faciliteren.
Fantastische verteller
Alle goede bedoelingen ten spijt zal De Oorlog nooit zoveel impact kunnen hebben als in de jaren zestig De Bezetting heeft gehad. Destijds gebruikte Loe de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de serie onder andere om greep te krijgen op de ongekend brede en veelomvattende stof. Hij legde er eigenlijk de basis mee voor zijn grote geschiedwerk. De Jong deed ongeveer drie maanden over het schrijven van een tekst, die hij de wat overdreven titel ‘scenario’ meegaf: het was een tekst waarbij regisseur Milo Anstadt de beelden zocht. De Jong verzorgde in feite een lezing met lichtbeelden. Zodra er een aflevering klaar was, belde De Jong naar programmacommissaris Rengelink van de toenmalige NTS en bestelde de zendtijd voor de uitzending van zijn epos, op het enige televisienet dat Nederland toen had. Zo maakte hij in een periode van vijf jaar 21 uitzendingen, die een uur mochten duren maar soms wel drie kwartier uitliepen. Dat was niet zo erg, de belangstelling was immens, elk deel leidde tot enorm veel publiciteit, vaak ook tot heftige discussies.
De hele serie leidde tot veel meer kennis over de oorlog. Talloze Nederlanders hoorden het verhaal voor het eerst. De betekenis van de serie kan moeilijk overschat worden.De laatste maanden zijn De Jongs programma’s opnieuw te zien geweest op het digitale televisiekanaal Geschiedenis24. Je zag daar de oude De Jong, een fantastische verteller, alles live zonder hapering, met veel pathos, en ook met een duidelijk kader: collaboratie contra verzet, goed contra fout. In de jaren zestig is De Jong daarin veel uitgesprokener dan in zijn grote werk, dat bij herlezing oneindig veel genuanceerder blijkt te zijn.
Egodocumenten
Zulke televisie kan nu niet meer. In De Oorlog ligt veel meer nadruk op het beeld, er is verbazend veel nooit eerder vertoonde archieffilm te zien (opgespoord door filmresearcher Gerard Nijssen). Met opmerkelijk veel kleurenmateriaal, dat het verleden nóg veel dichterbij brengt. In de nieuwe serie komen ook ooggetuigen aan het woord. Dat gebeurde bij De Jong ook al. Zij legden, in het stoomtijdperk van de tv, destijds verklaringen af, moesten van De Jong vaak ook in de camera kijken: hij zette ze als het ware op een spreekgestoelte. In De Oorlog gaat het veel informeler toe – ooggetuigen bladeren in fotoalbums of bekijken bonkaarten – interviews zijn veel meer tot scènes geworden. Het zijn er ook niet zo veel, veel ooggetuigen zijn dood of te oud. In De Oorlog wordt die functie van de ooggetuigen vaak overgenomen door citaten uit dagboeken, meestal voorgelezen door acteurs of mensen met een stem die past bij het dagboek. Daarvoor is gekozen omdat dagboeken uit de Tweede Wereldoorlog zo’n rijke bron vormen. Duizenden mensen begonnen op 10 mei op te schrijven wat ze meemaakten, en naarmate de geschiedschrijving zich meer gaat bezighouden met het dagelijks leven en met de beleving van gewone burgers, worden die dagboeken waardevoller. Er zitten trouwens schitterende exemplaren tussen, en er worden nog geregeld heel bijzondere egodocumenten ontdekt. Zoals kort geleden, door een researcher van De Oorlog: het woedende dagboek van een joodse vrouw die bericht vanuit de deportatiemachine.
Geen docudrama
Wat er in de serie De Oorlog ontbreekt zijn gedramatiseerde scènes, en andere middelen uit de gereedschapskist van de speelfilmregisseur. En dat is eigenlijk wel opmerkelijk. Want in de meeste landen wordt er geen historische documentaire meer gemaakt zonder nagespeelde scènes. Zelfs de Duitse tv-makers hebben op dat punt alle remmen los gegooid – de serie Die Deutschen (het equivalent van Verleden van Nederland) wemelt van de acteurs. En in De Oorlog zijn ook geen archief-beelden nagemaakt, zoals tegenwoordig overal heel gewoon geworden is.
Op een congres over geschiedenis op televisie heb ik enige jaren geleden een gelauwerde regisseur glimmend van trots horen vertellen hoe hij met zijn eigen super 8-camera opnamen maakte die in de computer van de juiste beschadigingen en jaren veertig-kleuren werden voorzien. Niemand protesteerde.
In Nederland doen we dat niet. We zouden de documentaire politie op ons dak krijgen: een paar jaar geleden zette Matthijs van Nieuwkerk tijdens zijn talkshow op het Nederlands Film Festival in Utrecht geregeld een politie-pet op, als hij over het in scène zetten van gebeurtenissen in een documentaire begon. Wij, hier in Nederland, zweren bij authenticiteit. Wij zijn als de dood dat de kritische kijker ons helemáál niet meer gelooft als we hem bij sommige scènes in het ootje nemen. Belangrijker is misschien nog wel dat we weinig er-varing hebben met docudrama’s en er al helemaal geen geld voor hebben, maar dat punt van de authenticiteit speelt wel degelijk een rol.
Calvinistisch standpunt
Ik ben heel benieuwd hoe lang we dit calvinistische standpunt kunnen volhouden. De hele wereld speelt scènes na, alleen wij niet. En naarmate we meer historische programma’s gaan maken uit de tijd dat er nog helemaal geen film wás, zal de verleiding groter worden. En dan gaan we dat vak vanzelf leren.Voor het jeugdige publiek zijn dit soort overwegingen niet van belang. Tegelijk met De Oorlog lanceert de NPS de serie 13 in de Oorlog, bedoeld voor kinderen van tien jaar en ouder. Daarin worden, ter onderbreking van het documentaire macroverhaal, steeds micro-scènes nagespeeld, met jonge én volwassen acteurs. Het is, naar mijn idee, bijzonder goed gedaan en het wérkt. Bij testvertoningen voor schoolklassen bleek niemand met deze mengvorm moeite te hebben. Vandaar mijn voorspelling: het historische docudrama komt eraan…
Vanaf zondag 25 oktober om 20.25 uur zendt de NPS wekelijks de negen-delige televisieserie De Oorlog uit. De serie wordt gepresenteerd door Rob Trip. Voor meer informatie zie: http://deoorlog.nps.nl. Naast De Oorlog zendt de NPS de kinderserie 13 in de Oorlog uit. Deze is vanaf 25 oktober om 18.15 uur te zien bij de NPS.Mediafonds oktober 2009 609 – cultuur en media 5
Eén reactie