Henk Blanken spreekt van een ‘canard’ als hij terugblikt op de Volkskrant-opening van maandag 12 oktober (“Voortbestaan DSB aan zijden draad”). Een nadere lezing van de tekst van die opening leert dat er geen sprake is van een blunder. Wel laat de kwestie voor de zoveelste keer zien dat journalisten zich verre moeten houden van het doen van uitspraken over wat nog staat te gebeuren. Het optekenen van het verleden is al lastig genoeg.
Even naar de sleutelpassage in het Volkskrant-bericht van die bewuste maandag. We lezen:
De rechter zou vannacht op verzoek van toezichthouder DNB de zogenoemde noodregeling toepassen op DSB Bank. Dat is vergelijkbaar met een surseance van betaling. Direct na een rechterlijke uitspraak was een persconferentie gepland door DNB-president Nout Wellink en minister van Financiën Wouter Bos. Deze persconferentie heeft echter nog niet plaatsgevonden.
Er lijkt me geen speld tussen te krijgen. Het woordje ‘zou’ geeft aan dat een toestand wordt beschreven die bestond in de uren voor de krant ter perse ging. Dat er een persconferentie gepland was, lijkt me feitelijk ook niet onjuist. En dat deze persconferentie nog niet plaatsvond, doet de waarheid ook geen geweld aan.
Ook de kop boven het artikel (“Voortbestaan DSB aan zijden draad”) lijkt me gerechtvaardigd. Dan de lead boven het bericht:
Het doek lijkt gevallen voor DSB Bank. De Nederlandsche Bank (DNB) staat klaar om het bewind over te nemen bij de bank van Dirk Scheringa. De bank zou technisch failliet zijn. De Nederlandse staat schiet de bank niet te hulp. Dit melden bronnen rond het ministerie van Financiën.
Ook hier zie ik in de verste verte geen canard in.
Is er dan helemaal niets op te merken over het stuk, los natuurlijk van het gegeven dat het een knap stukje journalistiek-onder-tijdsdruk betreft (dat mag ook wel eens gezegd worden)?
Toch wel.
Terughoudend
De geschiedenis heeft ons geleerd dat journalisten slechte voorspellers zijn. Ze zijn zelfs matige beschrijvers van het verleden. Maar wanneer ze hun core-business (wat is er gebeurd?) verlaten en zich werpen op het voorspellen van de toekomst (wat gaat er gebeuren), gaat het met de regelmaat van de klok mis.
Dat zou ons zeer terughoudend moeten maken om uitspraken te doen over wat nog gaat komen. En dat druist weer in tegen de natuur van journalisten: de wereld ordenen, inclusief het krijgen van grip op wat ons nog te wachten staat.
Als ik de letterlijke tekst lees van de DSB-opening, doet de redactie het in mijn ogen niet verkeerd. Het woordje ‘zou’ geeft aan dat beschreven wordt hoe de voorgaande nacht de zaak in elkaar zat. Toch kwam dat – denk ik – anders op lezers over. Het subtiele ‘zou’ kon voor lezers wel eens minder helder zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat Henk Blanken schrijft: “De scoop dat de rechtbank de bank zondagnacht onder curatele zou stellen, bleek een canard. Waarna de werkelijkheid het nieuws inhaalde.” Blijkbaar las ook hij iets anders dan er in werkelijkheid staat.
Hoe dan ook leert de kwestie ons (wederom) dat journalisten zich moeten realiseren dat het voorspellen van de toekomst een gebied is waar ze ver weg van moeten blijven. Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden. In dat licht zou – met de wijsheid van nu – de DSB-opening iets terughoudender hebben kunnen zijn. Er kan namelijk altijd iets gebeuren waardoor de gang der dingen een compleet andere wending neemt. Een rechter die onwel wordt, een elektriciteitsstoring, ga maar door. Misschien is het nog eens het onderzoeken waard hoe vaak journalisten een toekomstvoorspelling doen (en hoe vaak ze daarbij de plank misslaan).
Of de berichtgeving in de Volkskrant (en Het Financieele Dagblad) een bankrun tot gevolg had, weet ik niet. Dat zal de toekomst wellicht uitwijzen. En over die toekomst doe ik dus liever geen uitspraken.
6 reacties