Schrijven voor radio: probeer het eens zo!
Hoe schrijf je een goed nieuwsbericht voor de radio? Waarschijnlijk antwoordt bijna iedereen die iets bij de radio doet: korte zinnen maken en geen moeilijke woorden gebruiken. Dit is dan ook het eerste wat je leert als redacteur op een radionieuwsredactie. De gedachte erachter is, dat de luisteraar het nieuws in één keer moet begrijpen. Hij kan natuurlijk niet, zoals een lezer, even een zinnetje opnieuw lezen of terugbladeren als de informatie niet meteen duidelijk is. Dus proberen we het nieuws in behapbare brokken aan te bieden. En zo’n brok is een korte zin, denken we.
Het resultaat is elk heel uur op de meeste zenders te horen. Maar het recept gaat voorbij aan de spagaat die radioredacteuren continu maken, meestal zonder dat we het door hebben: we schrijven, dus we gebruiken een middel dat is bedoeld voor teksten om te lezen. Maar aan de ontvangende kant zit geen lezer, maar een luisteraar. Terwijl schrijven en lezen aan de ene kant, en praten en luisteren aan de andere kant, heel verschillende takken van sport zijn. De taal die erbij hoort, verschilt enorm. Je merkt dat meteen, zodra je letterlijk opschrijft wat mensen zeggen. Je krijgt dan een hele rare leestekst: er staat bijna geen complete zin in, bijna geen punten ook, en het is ‘en toen en toen en toen’ wat de klok slaat. Brokjes van zinnen worden aan elkaar gebreid, met simpele verbindingswoorden, tot een lange woordenstroom. Vreemd om te lezen, maar perfect duidelijk zodra zo’n tekst wordt uitgesproken en gehoord.
Aanspreken in spreektaal
Als we de luisteraar echt goed willen bedienen, zouden we hem moeten aanspreken in spreektaal. Onze berichten zouden we dan dus in spreektaal moeten schrijven. Heel wat anders dan het recept ‘korte zinnen, makkelijke woorden’. Want in spreektaal bestaan nauwelijks zinnen. We zouden onze berichten moeten opstellen in tekstbrokjes, en die aan elkaar lijmen op de spreektaal-manier, met nevenschikkende voegwoorden.
Ik heb een keer met collega’s van Veronica Nieuwsradio een training gehad van Anne Boermans die in de buurt kwam. Hij liet ons berichten schrijven met zinnen die maximaal zes woorden mochten bevatten. Het leek onmogelijk, maar het bleek wel te kunnen. Het werden hele rare berichten als je ze op papier zag, maar toen we ze aan elkaar voorlazen bleek dat de informatie wel bleef hangen, bijna woordelijk. En dat konden we niet zeggen van de ‘gewone’ berichten waarmee we de sessie waren begonnen. En ander voordeel was, dat je ze eigenlijk niet ‘verkeerd’ kon voorlezen. In eke zin was maar één woord dat logischerwijs de klemtoon kon krijgen.
Een nieuw element per zin
Een andere leermeester, Jaap Brand bij RTL, hamerde er altijd op dat je per zin maar één woord mocht beklemtonen. “Maak je keuzes”, zei hij. De luisteraar zou in de war raken als er te veel woorden werden beklemtoond, omdat dan niet duidelijk zou zijn wat belangrijk is. Je moest je berichten dan wel zo schrijven, dat er maar één nieuw element per zin in stond. Dat woord kreeg dan de klemtoon.
Voortbordurend op Boermans en Brand kom ik tot het volgende recept voor een goed radiobericht: Neem als basis tekstelementen met maar één stuk nieuwe informatie per element. Deze elementen zijn automatisch rond de zes, zeven woorden. Verbind ze met elkaar met nevenschikkende voegwoorden. Zet voor het ritme hier en daar punten, komma’s en andere leestekens.
Om de methode te testen heb ik hem toegepast op een paar taaie zinnen, uit persberichten uit de ministerraad. Zoals deze:
Omdat er, zoals recent uit onderzoek is gebleken, ook in Nederland behoefte is aan goed gereguleerd legaal aanbod wil het kabinet onderzoeken onder welke voorwaarden het mogelijk is kansspelen via internet te reguleren. (Persbericht ministerraad 11-09-2009)
Deze onmogelijk lange en ingewikkelde zin bevat deze elementen (de elementen tussen haakjes zijn impliciet aanwezig):
- (Gokspellen op internet zijn verboden.)
- Er is wel vraag naar.
- Dat is uit onderzoek gebleken.
- (Dat is een probleem.)
- (Het kabinet wil dit oplossen.)
- Het kabinet wil een onderzoek.
- Het wil regels voor internetgokspellen.
- (Gereguleerde gokspellen zijn wel toegestaan)
Als we nu de elementen die ertoe doen eruit pikken en verbinden met nevenschikkende voegwoorden, zou dit het radiobericht kunnen worden:
Gokspelletjes op internet zijn verboden, maar er is wel vraag naar, en dat is dus een probleem. Het kabinet wil dat oplossen: het wil regels voor de spelletjes, en gaat nu kijken welke regels. De spelletjes-sites moeten zich daar straks aan houden en dan mogen ze wél.
Makkelijk voor te lezen
De zinnen zijn niet heel kort, maar wel begrijpelijk, doordat ze bestaan uit nevengeschikte elementen. Dat benadert de spreektaal, waarin je ellenlang achter elkaar door kan praten zonder dat de lengte van je woordenstroom uitmaakt voor de begrijpelijkheid. Als bijkomend voordeel is dit bericht ook nog eens makkelijk voor te lezen. Ook als een nieuwslezer dit op het laatste moment onder haar neus geschoven krijgt en het meteen live moet voorlezen, weet ze nog vanzelf waar de klemtonen moeten komen. Dus, mensen op de radionieuwsredacties: stap af van het recept ‘schrijf korte zinnen’, stap helemaal af van zinnen als bouwstenen voor een bericht, en begin te schrijven zoals we écht praten!










8 reacties:
21 oktober, 2009
Het valt mij op dat radionieuwsberichten vaak beginnen met belangrijke informatie die later niet meer terugkomt. Bijvoorbeeld: “Vanmiddag zijn in Apeldoorn bij een grote brand vier personen omgekomen.” Als luisteraar ben je vaak niet meteen bij de les, maar hoor je alleen het laatste stukje tekst: “vier personen omgekomen.” Waardoor? Waar wat dat? Wanneer? Die informatie is al geweest en kan je dus niet meer terughalen.
In de krant heb je een kop die de aandacht van de luisteraar trekt. Vervolgens lees je verder om de details te lezen. Op de radio heb je zo’n aandachtstrekker niet en is de informatie weg voor je er erg in hebt.
Waarom niet zo: “Grote brand in Apeldoorn. Vier doden.” En dan pas de details vertellen.
21 oktober, 2009
Helemaal met Renee Postma eens. Ik heb dat eerlijk gezegd ook altijd wel zo geprobeerd. En als correspondent heb je (had je ook toen al) toch vaak een vraag/antwoordspelletje met de presentator, waardoor je taal meteen al spreektaal is. Als je ‘koppen’ maakt, zoals Alexander Pleijter voorstelt, krijg je iets gekunstelds – wat ze tegenwoordig (al weer jaren) bij het Acht uur Journaal doen. Ik vind dat irritant. Liever herhalen: Apeldoorn, daar-en-daar, wanneer, hoe, enz.
22 oktober, 2009
Goed doorwrocht, verplicht leesvoer voor NOS en Radio 1, en bijna geen speld tussen te krijgen.
Nou, één dan. Je trekt namelijk met dat ‘impliciet’ conclusies uit een persbericht, oftewel, je gaat ervan uit dat de basisgegevens kloppen en dat je tussen de regels ook nog meer kunt lezen dan er staat. Daarmee is er een levensgrote valkuil geopend; namelijk een bericht waarin uiteindelijk onzin staat.
Zo is er in dit geval twijfel mogelijk over de conclusie dat ´het probleem´ ligt bij ´vraag naar (illegaal) aanbod, laat staan dat het kabinet dat probleem wil oplossen. Impliciet lezend is er in feite alleen vast te stellen dat er sprake is van wildgroei; dat is altijd de reden van regulering.
Het gebruik van nevenschikkende woorden heeft trouwens ook een probleempje; zo suggereert ‘maar’ altijd een tegenstelling, terwijl die er vaak niet is.
Wat Alexander Pleijter voorstelt, is een gruwel. Zijn voorbeeld kan op een simpele manier worden opgelost; wat zou je in spreektaal doen? ‘Heb je al gehoord van die afschuwelijke brand?’ ‘Nee, wat is er gebeurd’?
‘Vier bejaarden zijn levend verbrand in Apeldoorn. Ze woonden in een bejaardentehuis dat in brand vloog. Het vuur verspreidde zich razendsnel en de vier bejaarden konden niet meer wegkomen.’
Of zoiets. Je doseert dus de wwwww-informatie…
22 oktober, 2009
Als (oud)nieuwslezer verbaas ik mij dagelijks om de zinscontructies en de slechte zins(luister)bouw.
Mijn mentoren o.a. Philip Bloemendal en Fons Jansen stampten er twee dingen in DUIDELIJKHEID : wat je zegt en uitspreekt.
Vroeger kreeg je een schorsing als je uitsprak: partai i.p.v. partij en aigenlaik i.p.v. eigenlijk.
Wij hadden een voorbeeldfunctie in spraak en uitdrukkingsvaardigheid !
25 oktober, 2009
Tekstschrijvers zijn vaak vastgeroest in het idee dat radioberichten moeten bestaan uit “korte zinnen en geen moeilijke woorden”. Alhoewel dit in essentie zo moet zijn is het nooit slecht om jezelf af te vragen waarom je dat doet. Je doet het namelijk, omdat je spreektekst schrijft en geen leestekst met korte zinnen en makkelijke woorden.
Ingaand op de reactie van Ton Luiting:
Sowieso is de uitspraak van woorden op radio en televisie schrijnend. Steeds vaker hoor ik de Gooise ‘r’ voorbij komen. Ook de vervanging van de ‘e’ in een ‘o’ in woorden als begrijpOnd, helpOn en schrijnOnd is walgelijk. Robert ten Brink en Nico Dijkshoorn hebben hier een handje van.
26 oktober, 2009
@Peer Zedenleer: Maar je kunt toch niet elk item beginnen met: “Heeft u al gehoord van…”?
26 oktober, 2009
Informatie moet je ook telkens opnieuw laten horen en je hoort eigenlijk geen verwijswoorden te gebruiken. Verwijswoorden in spreektaal wekken verwarring op.
27 oktober, 2009
Daar ben ik het niet mee eens: spreektaal is juist één en al verwijzing en dat gaat meestal goed. Juist het steeds opnieuw noemen van informatie maakt radioberichten houterig. Zeker als er synoniemen worden gebruikt: “Madonna is in Malawi. De popster bezoekt daar een meisjesschool. De 51-jarige zangeres heeft twee adoptiekinderen uit het Afrikaanse land”.
Als je Madonna één keer goed hebt neergezet in de eerste zin, hoef je daarna alleen maar te verwijzen met “ze”. Als het om één of andere reden van belang is om te weten dat Madonna 51 is, verdient die info een eigen tekstelementje: “Ze is 51 en heeft twee adoptiekinderen uit Malawi”, of zoiets.
Een kop boven berichten, zoals Pleijter voorstelt, zou ik ook niet doen, dat is niet erg spreektalig. Wel kan je een soort kop-achtig element gebruiken. “Heb je het al gehoord van” is dan één van de vele mogelijkheden.