De restaurateur en de boekhouder – een modern media-sprookje
De discussie over online nieuws gaat nog maar over één ding: gaat de consument betalen? De verantwoordelijkheid ligt kennelijk bij de klant. De andere kant van de toonbank blijft buiten schot: hoe wordt eigenlijk de prijs bepaald die klanten moeten betalen? Terwijl er in die nieuwswinkel grote veranderingen plaatsvinden: afdelingen worden samengevoegd en personeel ziet banen veranderen. Maar eerst een sprookje…
Gert-Jan Bikkers heeft een restaurant. Zijn klanten betalen grif 70 euro voor een couvert (schuim van walnotentruffel op een bedje van woudrucola) en bestellen er zonder probleem een ‘chateautje’ van 50 euro bij. Maar het gaat door de recessie minder goed dan hij zou willen. Verderop loopt het storm bij McDonalds. Bikkers vindt de hamburgers naar karton smaken maar komt op een idee. Als hij nou eens lekkere hamburgers gaat maken: limousinvlees, een broodje van Hartog en Westfriese veldsla. De chef-kok vindt het een geinig plan, de staf kan het er tussendoor doen en ze moeten toch elke morgen naar de groothandel. Naast de ingang wordt het hamburgerloket gemaakt. Misschien, denkt Bikkers, krijg ik wel nieuwe klanten via mijn hamburgers. Maar die klanten weigeren zichzelf up te graden naar het 70 euro-couvert. De staf gaat morren, liever werken ze in het restaurant om “schuim van walnotentruffel op een bedje van woudrucola” te serveren. Ook de boekhouder is niet tevreden: “Het levert niks op”. Bikkers is niet overtuigd: “het kost niks, alleen wat grondstoffen, de koks zijn er, de keuken is er, de inventaris ook, en kijk eens hoeveel extra klanten we hebben!” “Nee”, zegt de boekhouder, “je moet alles omslaan: personeel, huisvesting, inventaris, onderhoud, overhead”. “Maar dan maken we verlies!” zegt Bikkers. “Precies”, zegt de boekhouder.
Kosten- en batenrekening
De situatie van Bikkers en zijn boekhouder lijkt op die waarin veel media zitten – men exploiteert een restaurant (krant, tijdschrift, omroep) en een fast-food loket (website) waarbij het laatste weinig oplevert. Het probleem is niet dat er te weing klanten zijn, dat het nieuws geen kwaliteit heeft of dat het gratis is. Nee, het probleem is dat het maken van dat nieuws meer kost dan het opbrengt. Voor veel media is het zelfs niet duidelijk hoeveel het kost. Van journalisten wordt gevraagd om multimediaal te werken: voor print en online, fotograferen als het moet, bloggen als het kan. Gevolg is dat de kosten- en batenrekening onoverzichtelijk is en de toerekening van andere kosten (huisvesting, ICT, overhead) vaak niet gebeurt: “het gebouw stond er toch al”.
Zolang mediabedrijven winst maken is de noodzaak scherp aan de wind te varen met de digitale boekhouding niet echt nodig, in totaal komt er toch genoeg binnen terwijl het ‘nieuwsmerk’ meer lezers krijgt. Maar de economische recessie heeft het speelveld veranderd. De oorzaak voor het falende online business model wordt nu bij de niet-betalende bezoeker gelegd. Kranten zouden het probleem over zichzelf hebben afgeroepen door online gebruikers niet te laten te betalen, maar een minstens even grote original sin is het niet in de gaten houden van de kosten. En zelfs als gebruikers gaan betalen voor content, is het nog steeds van belang de kosten en baten duidelijk toe te rekenen aan de platformen waar ze gemaakt worden.
De troebele kosten- en batenstructuur is één van de onbedoelde gevolgen van de integrated newroom, waarmee niet gezegd is dat zoiets per se een slecht idee is – het is alleen een onduidelijk economisch model. De standaard reactie van uitgevers is dat internet een prachtig medium is maar dat ze vergeten zijn er een werkend business model bij te leveren. De vraag is dan natuurlijk wie “ze” zijn – is het niet de taak van de uitgever zelf om het business model te maken bij een nieuwe activiteit?
De geïntegreerde redactie
In de geïntegreerde newsroom wordt ‘platform-neutraal’ gewerkt: pas in de loop van het productieproces wordt bepaald waar gepubliceerd wordt. Bij de Deense omroep DR zijn productie en publicatie gescheiden terwijl de beslissing over waar en wanneer gepubliceerd gaat worden (radio, tv, website) bij één persoon ligt. Bij het eveneens Deense mediaconcern Nordjyske produceren 250 mensen een dagblad, een zondagskrant, 17 huis-aan-huisbladen, een tv-journaal, nieuws voor twee radiozenders en diverse websites – één Media Conductor coordineert alles via de Super-Desk. In Zwitserland voegt uitgever Ringier de komende maanden dagblad Blick, zondagskrant SonntagsBlick, gratis krant Blick-am-Abend en alle websites samen. Iedereen gaat voor een ‘content-unit’ werken (en moet opnieuw solliciteren), channel-managers bepalen welke content naar welk channel gaat.
In maart 2008 werden door de World Association of Newspapers ruim 700 hoofdredacteuren en andere senior news executives geïnterviewd: “86% believe integrated print and online newsrooms will become the norm, and 83% believe journalists will be expected to be able to produce content for all media within five years”. In Nederland zijn NOS Nieuws en de Volkskrant bijvoorbeeld grotendeels geïntegreerd, terwijl De Telegraaf zegt bepaalde redacties samengevoegd te hebben.
Ofschoon men vaak veronderstelt dat integratie kostenbesparingen oplevert door meer efficiëntie en synergie, lijkt het tegendeel vaak te gebeuren. Bij de NOS was er een toename van overleg en coördinatie die tot vertraging leidde en tot meer hiërarchie volgens de scriptie van Klaske Tameling, bij de Deense DR bleek de veronderstelde kostenbesparing “een mythe”. Bij volledige integratie staat de chef-kok ook hamburgers te bakken. Als er voor de hamburgers genoeg betaald wordt (als er maar genoeg op de banners geklikt wordt) is dat geen probleem.
Gedeeltelijke integratie
Volledige integratie is in feite betrekkelijk zeldzaam, veel bedrijven integreren maar tot op zekere hoogte, één medium blijft leidend, ook in de beleving van de journalisten. Het in 2006 gelanceerde Oostenrijkse dagblad Österreich streefde naar volledige integratie maar kwam daar na verloop op terug – de print en online redacties werden op afstand gezet, print werd leidend. Dat volledige integratie lastig is, wordt vaak aan cultuurverschillen geweten; voor journalisten is het lastig platform-neutraal te werken terwijl het vaak ook extra coördinatie vereist.
Het Noorse concern Schibsted dat de gratis kranten 20 Minutes en 20 Minutos in Frankrijk en Spanje uitgeeft, hanteert een andere strategie. De redacties van de gratis dagbladen (marktleider in beide landen) zijn wel geïntegreerd maar voor de beide titels wordt apart over de print en de online krant gerapporteerd. In 2008 werd duidelijk dat print winst maakte en online verlies – voordien was dat onzichtbaar omdat er alleen over de totale operaties werd gerapporteerd.
Niet integreren
Bij de Franse krant Le Monde wordt wel samengewerkt tussen de print en de webafdelingen maar er is geen sprake van integratie. Desondanks is lemonde.fr een van de meest bezochte nieuwssites in Frankrijk. In België hanteert Het Laatste Nieuws zo’n strategie terwijl in Nederland Het Parool (niet toevallig ook van de Persgroep) ook voor niet-integratie heeft gekozen.
Bij niet-integratie worden vrijwel altijd vraagtekens gezet bij belangrijke elementen van volledige integratie: web-first en web-all: moet je alles online aanbieden en moet je altijd alles eerst online zetten? Zo’n strategie wordt bijvoorbeeld door The Guardian gevolgd: “a web first service that will see major news by foreign correspondents and business journalists put online before it appears in the paper.” Bij niet-integratie wordt expliciet getwijfeld aan dit model waarbij online in feite parasiteert op de printversie. Bij niet-integratie moet ieder publicatieplatform z’n eigen broek ophouden. (Wat niet wil zeggen dat het Guardian-model zinloos is, als je daarmee marktleider wordt en voldoende opbrengsten genereert, werkt het prima; als iedereen zo’n model toepast, wordt de markt verpest.)
Het verst met niet-integratie gaat de Oostenrijkse kwaliteitskrant Der Standard. De krant heeft een succesvolle (winstmakende) website standard.at die losstaat van de printversie. De beide redacties zitten zelfs niet in hetzelfde gebouw. De website gebruikt wel nieuws van de papieren krant maar betaalt daar voor. Dat nieuws wordt dus eerst op papier gepubliceerd en daarna pas op internet.
In Nederland vertoont het model van Spits met de website Spitsnieuws hiermee gelijkenis. De website staat los van de krant: een andere redactie, een andere hoofdredacteur en een andere plek. Bovendien voert men een eigen boekhouding. SpitsNieuws, een voortzetting van de GeenStijl spin-off NieuwNieuws, kan wel nieuws van Spits gebruiken maar doet dat zelden. De beide platformen delen alleen de merknaam. Voor Spits verdwenen de kosten van de verliesgevende website terwijl de bezoekersaantallen van SpitsNieuws stegen.
Onaangename gevolgen
Voor online journalisten kan non-integratie onaangename gevolgen hebben. Je kan stellen dat journalisten afgerekend worden in relatie tot de waarde die ze toevoegen aan een product – die waarde wordt bepaald door wat de eindgebruiker ervoor over heeft. Aangezien internetnieuws significant minder oplevert dan de meeste andere vormen van nieuws, is de added value van journalisten bij dat medium kennelijk gering hetgeen tot uiting zou moeten komen in hun vergoeding. Bij Het Financieele Dagblad werd me dat al eens uitgelegd: “Waarom zouden we een dure expert, die stukken schrijft waar mensen veel voor over hebben, laten schrijven voor de gratis website?”
Er is daarnaast nog een andere reden om te twijfelen aan volledige integratie. Eén van de voordelen is dat de gebruiker (lezer, kijker, bezoeker) met één soort aanpak geconfronteerd wordt. Uitstraling en betrouwbaarheid zijn identiek. De vraag is echter of online gebruikers daarop zit te wachten – de overlap tussen traditionele en online gebruikers is over het algemeen niet groot, waarom zouden die (vaak incidentele en vluchtige) online gebruikers dan dezelfde (drie sterren) kwaliteit moeten krijgen?
Dat lezers niet betalen voor nieuws is een serieus probleem en een probleem dat een serieuze aanpak vereist: moet alles meteen online aangeboden worden, gaan we registreren, extra betaalde content aanbieden, alleen abonnees online nieuws bieden of alles achter een pay-wall zetten? Maar minstens zo serieus is de strategie en de boekhouding bij media zelf. Parasieten verdienen het om uitgeroeid te worden, ook online.
Bovenstaand artikel is mede geschreven in het kader van onderzoeksproject 3D (Designing the Digital Daily) waarvan Piet Bakker een van de onderzoekers is.










15 reacties:
20 november, 2009
“Maar MacDonalds maakt meer winst dan alle sterrenrestaurants bij elkaar” zegt Bikkers. “Precies”, zegt de boekhouder. En onderwijl gaat McDonalds rustig verder met zijn gedegen marketing, terwijl de sterrenrestaurants failliet gaan omdat de chefs zich bezig houden met zaken waar ze geen verstand van hebben.
Wie met een parabel begint moet het verhaal natuurlijk wel afmaken. ;)
20 november, 2009
Prachtig verhaal! En helemaal mee eens. Er is alleen toekomst voor producten als ze economisch renderen. Als ze dat na 15 jaar nog niet doen wordt het tijd om de bleeder uit zijn lijden te verlossen. Er is niks op tegen als een sterrenrestaureur ook een hamburgertent wil runnen. Maar hij is gekke Henkie als hij dit structureel verliesgevend doet.
20 november, 2009
Piet Bakker en Johannes Verhulst slaan de spijker op de kop. En McDonalds blijft toch miserabilistisch.
21 november, 2009
Om van te smullen, zou ik zeggen. Ik weet nog wat aanvullende details.
Wat veel mensen niet weten is dat als een klant van Bikkers aan het einde van de avond afrekende, dan dekte dat ongeveer de helft van de kosten. Er waren gelukkig wat sponsors die Bikkers restaurant zo’n fijne plek vonden dat ze zomaar de omzet verdubbelden. Dus per klant kwam er 250 euro binnen: 130 euro van de gast, 120 euro van de sponsors. Nou ja, zomaar, de sponsors wilden zich graag onder ‘de mensen’ scharen en waar kon dat beter dan bij Bikkers? Ha, als we eerlijk zijn, er was eigenlijk niet veel anders dan Bikkers. Als de sponsors wel eens mopperden over het saaie menu, eigenlijk altijd hetzelfde, of -wat later- geanimeerd spraken over ‘die nieuwe fastfoodrestaurants’ dan zei de boekhouder tegen Bikkers: ‘Dan gaan ze toch lekker daarheen, verander nou maar niks aan je restaurant. Het gaat toch prima zo? Veranderen kost veel geld en je moet nog maar afwachten of het wat gaat opleveren.’ De boekhouder slikte dan zijn EeuwigJong vitaminepilletje. Dat hield hem scherp en inderdaad, mensen schatten hem altijd jonger. Als je ergens in gelooft dan werkt het ook, he? Maar dit terzijde.
Afijn, na verloop van tijd bleek dat een groeiend deel van de sponsors toch ook wel zag dat je je ook fijn kon mengen onder het McDonalds publiek. Sterker nog, ze kregen van McDonalds ook te horen wie er zoal voorbij kwamen, hoeveel mensen er in totaal langs waren geweest (’altijd leuk om te weten’) en ze mochten zelfs meedenken over het menu. Al bleef Mc Donalds natuurlijk wel zelf de menukaart bepalen. Zoals je vaak ziet bij internationale bedrijven.
Uiteindelijk is Bikkers weggegaan. Het morrende personaal was blij en de boekhouder heeft de leiding overgenomen. Maar hij kon noch koken noch kende hij de klanten. Maar wel heel goed boekhouden, dus hij kon prima in de kosten snijden. Winst is omzet min kosten, hoe meer hij in de kosten sneed, des te hoger de winst was zijn redenatie. Over hoe je nou aan omzet kwam had trouwens niemand meer een echt goed idee. Gelukkig stuurde Mc Donalds nog wel eens wat mensen naar Bikkers door. Gewoon als service. De boekhouder was er blij mee, al liet hij dat niet merken. Dingen komen altijd vanzelf goed dacht de boekhouder. Wij de biefstuk, zij de Franse frietjes, mijmerde hij. Hoewel Vlaamse friet….
21 november, 2009
Ach, helemaal vergeten te vertellen over de favoriete oud-oom van de boekhouder. Hij ging er graag heen, die kon zo ontzettend leuk vertellen over de staatsmijnen. En over hoe dat werd omgevormd in de multinational DSM, hij wist dat helemaal niet. Die oom kende nog veel meer prachtige anecdotes: over de Minnesota Mining & Manufacturing company, International Business Machines, De Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam en de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Heerlijk om even niet met je werk bezig te zijn en even terug te gaan naar die goeie ouwe tijd.
21 november, 2009
Het is toch nog anders- de halve rekening werd door de sponsors betaald, maar dit waren de enige inkomsten. Iemand had hem wijs gemaakt dat dat hoorde bij hamburgers: gratis hamburgers voor iedereen. De sponsors betaalden dus de helft, de andere helft van de kosten waren geheel voor rekening van Bikker zelf. Jammer dat hij zo’n slechte boekhouder had.
21 november, 2009
@Johannes Verhulst: ik denk dat je de parabel niet helemaal goed begrijpt. Misschien behoor je niet tot de incrowd die de haast heilige discussie over het voortbestaan van ‘de krant’ voeren. Tip: lees het Nieuwe Testament, Matteüs 13, 9-17 om beter te begrijpen waarom consultants nooit gewoon zeggen ‘doe dit of dat en uw bedrijf zal gered zijn’ ;)
http://www.biblija.net/biblija.cgi?m=Mat+13&id18=1&pos=0&l=nl&set=10
@Paul Disco: dat verhaal over die oud-oom… PRACHTIG!
Ik heb trouwens gehoord dat diverse medewerkers van Bikkers al voor de ondergang van het sterrenrestaurant als invalkracht werkten bij McDonalds, BurgerKing en andere fastfoodketens. Sommigen waren zelfs hun eigen friettent begonnen, al dan niet met medewerking van de Vereniging van Alleseter Radio Amateurs of het Stimuleringsfonds voor de Walnotentruffel.
@Sent: ik vind de burgers van McDonalds ook niet zo heel erg lekker – geef mij maar BurgerKing. En ik trek ook graag mijn portemonnee voor een lekkere Chateaubriand met vier verschillende groenten bereid door een vakbekwame chef.
Maar zelfs als je McDonalds “miserabilistisch” vindt, zul je toch moeten toegeven dat McDonalds het beter doet dan Bikkers. Of ga je nu zeggen dat Piet Bakker uit zijn nek kletst?
21 november, 2009
Mirjam: bespaar me je bijbelteksten en je heilige incrowd. Door valse profeten zijn we ooit in deze ellende terecht gekomen. Het is niet mogelijk om serieuze journalistiek te bedrijven met alleen de beperkte inkomsten die webvertising oplevert. Door te blijven doen alsof dit toch zo is breng je de toekomst van de krant in gevaar.
21 november, 2009
Ah, het gaat om de financiering van serieuze journalistiek. Ik begrijp ‘m. Ik denk dat je dan eerst een paar vragen moet beantwoorden om daar wat zinnigs over te kunnen zeggen:
1. Wat is serieuze journalistiek?
Ik lees net NRC, wat mij betreft een serieuze krant, maar is alle inhoud journalistiek? Is Ode journalistiek? HP De Tijd? In welke mate?
2. Wat mag serieuze journalistiek kosten?
Het maken van serieuze journalistiek kost geld, ongeacht de definitie. Zolang er meer geld binnenkomt dan uit gaat, kan serieuze journalistiek zichzelf financieren. En als de samenleving 2 miljoen euro per dag beschikbaar stelt voor een publieke omroep, omdat we dat belangrijk vinden, is dat ook gefinancierd. Maar je kunt ook betogen: de lezer bepaalt. Dus als oplages dalen, is dat een onmiskenbaar teken dat de behoefte aan bestaande dag- en opiniebladen kwantitatief afneemt.
3. In welke mate is er behoefte aan serieuze journalistiek?
Ik vraag me af of Truus-drie-hoog-achter (schat van een mens, val me hier niet op aan) dezelfde behoefte eraan heeft als pak ‘m beet Johannes Verhulst. Het antwoord op deze vraag is nog wat complexer als zou blijken dat Truus een andere definitie van serieuze journalistiek heeft als Johannes.
4. Waartoe dient serieuze journalistiek?
Je zou kunnen betogen dat het een wezenlijk onderdeel is van het in stand houden van de democratie, maar dan is wel de vraag gerechtvaardigd in welke mate de serieuze journalistiek bijdraagt aan onze democratie in relatie tot alternatieven, zoals stemrecht, de grondwet en -inderdaad- de mogelijkheden van nieuwe media.
5. Mijn laatste vraag is: wat is redelijkerwijs het maximale effect dat financiering kan hebben op serieuze journalistiek? Met geld verander je geen gedrag meer. Je kunt je zelfs afvragen of je gedrag moet willen veranderen of dat je er niet beter op kunt inspelen.
Ik vind het overigens vreemd dat internet de grote boosdoener is van de problemen van dagbladen.
Dan gaan we toch voorbij aan de opkomst van televisie, commerciële televisie en de gratis dagbladen aan de aanbodzijde van de markt en de compleet veranderde sociodemografische samenstelling van ons fijne land. Ik heb toch echt zwart op wit in 1993 geschreven dat de eerstvolgende recessie het krantenlandschap volledig op zijn gat zou gooien. ‘U herkent het niet meer terug’. De sores dateert van veel eerder, wil ik maar zeggen.
Als iedereen gaat non-integreren (gaaf woord voor iets niet doen dat je niet moet doen) dan zet dat natuurlijk de deur wagenwijd open voor ondernemers die lak hebben aan een dergelijke zelf bedachte marsroute. Om nog maar te zwijgen over de ontwikkelingen in de wereld om ons heen.
Wel mooi dat er ontzettend veel te vinden is van alle ontwikkelingen in media. De wereld ligt open.
21 november, 2009
@Johannes: Ik zie geen reden om de krant in de huidige vorm te sparen. Zolang er geld mee verdiend wordt is het prima, maar je hoeft geen profeet te zijn om in te zien dat de krant zoals die vandaag bestaat weinig toekomst heeft. Maar dat wil niet zeggen dat ik van mening ben dat serieuze journalistiek (wat dat ook moge zijn) alleen uit webadvertenties zou moeten worden betaald.
Kort gezegd: ‘de krant’ bestaat uit papier, bezorgers en journalisten en het verdienmodel is gebaseerd op abonnementen, losse verkoop en advertenties. Goede journalistiek kan ook bestaan zonder papier en bezorgers. Dat betekent dat het nu vooral van belang is een passend verdienmodel te vinden. Internet en webadvertenties kunnen daarbij een rol spelen, maar het is duidelijk dat er nieuwe componenten nodig zijn, zowel aan de kant van het product als aan de kant van het verdienmodel.
“Het is niet mogelijk om serieuze journalistiek te bedrijven met alleen de beperkte inkomsten die webvertising oplevert.” mag dan waar zijn (hoewel de meningen daarover verdeeld zijn – ‘McDonalds’ maakt winst), maar het telkens opnieuw afdraaien van deze mantra draagt niet bij aan het vinden van een verdienmodel dat wel werkt.
Dus Johannes, bespaar me je geklaag en kom met een oplossing die wel werkt.
PS. Ik vond die bijbeltekst wel passend humoristisch. Ik vermoed dat ik je niet blij kan maken met die mop over de opmerkelijke overeenkomsten tussen een prostitué en een consultant, maar misschien vertel ik ‘m later toch nog.
PS. Mijn naam schrijf je met twee i’s. Om de een of andere reden vonden mijn ouders de joodse variant leuker dan de christelijke.
21 november, 2009
@ Miriam. Fastfoodloketten (gratis websites) zijn door de jaren heen geen groot succes geweest in Nederland. McDonalds is de enige uitzondering die heeft weten stand te houden. Wimpy, Nordsee (Noordzee Quick), Burger King: tot nu toe zijn het fiasco’s of is het ze nog niet gelukt echt van de grond te komen. Burger King heeft moed verzameld en probeert nu weer een marktpositie te veroveren met behulp van zeer kapitaalkrachtige horecaondernemers: ze moeten een miljoen euro achter de hand hebben.
En dat McDonalds (gratis website) het beter zou doen dan Bikkers (de kwaliteitspers): ik heb er nog geen enkel bewijs van gezien… Bikkers doet het onverminderd goed: het restaurant zit nog steeds helemaal vol – jammer is alleen dat de groothandel de inkoopprijzen drastisch heeft verhoogd zodat van een winstmarge nauwelijks nog sprake is. Maar klanten genoeg: het restaurant is de komende maanden al volgeboekt.
‘Miserabilistisch’ is een woord dat in Van Dale niet voorkomt. Maar Van Thillo kent dit Vlaamse woord zeker wel: hij zal dit een juiste benaming vinden voor McDonalds.
21 november, 2009
@Paul: ik heb het hier alleen over journalistiek als commercieel te exploiteren product. De maatschappelijke functie van journalistiek is groot, maar kan alleen vervuld worden als gevolg van een succesvolle exploitatie. De enige uitzondering hierop is overheidsjournalistiek. Wat mij betreft een contradictie in terminis, aangezien de journalistiek geacht wordt de overheid te controleren. Maar daar gaat het hier niet over.
Een succesvolle exploitatie is dus voorwaardenscheppend voor het ontstaan van online professionele journalistiek. Als bedrijf betreed je hier een markt die welliswaar nog jong is, maar in de huidige vorm wel al 15 jaar bestaat.
Die 15 jaar hebben geleerd dat het niet lukt om een serieus journalistiek product rendabel te exploiteren met alleen advertenties als inkomstenbron. De online advertentiemarkt is groot, maar wordt volledig gedomineerd door een paar zeer grote spelers die vaak internationaal opereren (Google, Yahoo). Ook als relatief grote journalistieke site opererend op de kleine Nederlandse / Nederlandstalige markt is het niet mogelijk om de kosten te dekken of hierbij in de buurt te komen. Zelfs niet als je het grootste deel van de productiekosten niet meeneemt in je berekeningen, zoals Piet Bakker treffend beschrijft. De enige spelers die het advertentiemodel succesvol kunnen uitvoeren zijn bedrijven met lage kosten. Ik denk hier aan nu.nl die kostenefficient met name persbureau informatie exploiteert.
Een andere manier om online journalistiek te exploiteren is om de lezer te vragen om te betalen voor het gebruik. Veel mensen reageren hier allergisch op, ook op deze site. Maar is het nu zo’n rare gedachte? Wist je dat NRC Handelsblad 7.000 betalende webabonnees hebben die de krant uitsluitend online lezen. En daarnaast ook nog E-paper abonnees heeft? Niet voor elk journalistiek product zal een lezer willen betalen, maar voor een deel zal dit mogelijk zijn.
Wat nu als het niet lukt om via een van beide wegen de rekening betaald te krijgen? Dan zit er niks anders op om met je online activiteit te stoppen. Hoe jammer dat ook is. Het is de tucht van de markt, nothing personal.
De vergelijking met McDonalds is illustratief, maar niet juist. Bij McDonalds betaal je gewoon voor je hamburger.
21 november, 2009
lees: contradictio
22 november, 2009
Fijn dat de discussie alle kanten uitgaat. Dat krijg je van zo’n vergelijking. Maar eigenlijk geloof ik natuurlijk niet in sprookjes…
Mijn bijdrage was geenszins bedoeld als de zoveelste aankondiging van de ondergang van de papieren krant. Daar zijn volgens mij niet zoveel aanwijzingen voor. Hoe het er over 20 à 25 jaar uit gaat zien weet natuurlijk niemand, maar daar ging het dus niet over.
Het ging over het online business model van betaalde kranten en de beslissingen die daarover op management-niveau worden genomen. Ik weet ook niet of online-first, integrated newsrooms of pay-walls goede ideeën zijn. (Alhoewel het wel zo is dat wat voor de ene krant een goed idee is, voor een andere titel heel anders kan uitpakken – iets waar ze bij De Persgroep eens goed over na moeten denken).
Ik wilde vooral aangeven dat het er sterk op lijkt dat beslissingen over de strategie vaak met weinig inzicht worden genomen. Men loopt in paniek achter elkaar aan, baseert zich op buitenlandse voorbeelden waar heel andere randvoorwaarden gelden en laat zich door gladde consultants gek maken.
Na 15 jaar experimenteren moet het wel een beetje afgelopen zijn. En de schuld volledig bij de niet-betalende bezoeker te leggen leek mij wat te ver gaan.
24 november, 2009
Het probleem dat de kranten hebben, is niet zozeer de afnemende markt, maar hun eigen onhandige beslissingen. Piet Bakker heeft gelijk: de schuld ligt niet bij de bezoekers van de nieuwssites die niks betalen. Als kranten verstandige keuzes maken, kunnen ze gewoon geld verdienen, ook online. De vraag wat voor businessmodel ze moeten kiezen is echter helemaal niet zo belangrijk, want het gaat vooral om het snijden in de kosten.
Want dat er niet wordt betaald voor nieuws is een mythe. Er zijn nog altijd heel veel mensen in Nederland die betalen voor een abonnement. En het is onzin dat online nieuws niks zou opleveren. Met de advertenties op de grote nieuwssites worden -per titel- tonnen binnengehaald.
Als een medium een oog houdt op de boekhouding, dan kan er veel geld verdiend worden. Maar helaas is het waar dat de belissingen over (online) strategie bij de kranten met heel erg weinig kennis van zaken worden genomen – dát is wat ze de das om zal doen, niet de aantallen bezoekers of abonnees.