Heimelijk opnemen schaadt de journalistiek
Mag een journalist zonder het te zeggen een telefoongesprek opnemen? De Raad voor de Journalistiek worstelt met die vraag, nu blijkt dat veel onderzoeksjournalisten geen been zien in heimelijke opnames. Waarom houdt de Raad vast aan het beginsel dat journalisten met open vizier horen te handelen?
Met zijn allen nemen we tegenwoordig alles op. We zenden het ook onbekommerd uit. Niets zo bizar of het wordt met een mobieltje geregistreerd en op YouTube gekwakt. Hoe we pesten, vechten en copuleren. Hoe we over straat gaan. Hoe we sterven. Niets lijkt nog privé en dus wordt iedereen ooit, zij het kortstondig, een bekende Nederlander.
Met telefoongesprekken is het in de informatiesamenleving niet anders. Twintig jaar geleden moest je nog hannesen met een zuignapje en een cassetterecorder. Nu bel je met Skype en slaat je pc al je gesprekken automatisch op. Of betaal je negentien cent aan een internetbedrijf dat het voor je regelt – handig als je moet bewijzen dat je een dure impulsaankoop hebt geannuleerd.
Dat allerhande callcentra ‘voor trainingsdoeleinden’ gesprekken vastleggen wordt onderhand normaal gevonden. En waarschijnlijk vindt de Googlegeneratie (iedereen onder de 35) het al tamelijk vanzelfsprekend dat journalisten telefonische interviews opnemen. Jongeren zijn opgegroeid met de gemakken van digitale techniek – en met de ongemakken.
Zo bezien passen moderne journalisten die hun gesprekken opnemen zich gewoon aan. Bovendien hebben met name onderzoeksjournalisten nog een andere reden om gesprekken vast te leggen. In een steeds verder juridiserende samenleving kun je je maar beter wapenen tegen claims (”Dat heb ik niet gezegd… het is uit zijn context gerukt… daar ga ik jou voor laten betalen…”).
Heimelijk
De informatierevolutie verandert de samenleving en beïnvloedt ook de journalistieke ethiek, heb ik laten zien in mijn boek Mediamores. Niet alle oude beginselen blijven overeind. Maar geldt dat ook voor het principe dat journalisten hun werk met open vizier doen, transparant en fair? Op die grondregel is artikel 2.1.6 van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek terug te voeren. Dat artikel zegt dat een journalist niet heimelijk telefoongesprekken opneemt.
De Raad worstelt met de spanning tussen zijn wat verwarrend geformuleerde Leidraad, de eigen door de jaren heen niet even consistente oordelen en de praktijk van onderzoeksjournalisten, zo bleek toen een klacht tegen NRC-verslaggever Joep Dohmen gegrond werd verklaard. Ik ben lid van de Raad, maar laat mij niet uit over de kwestie-Dohmen. Ook wil ik niet de indruk laten ontstaan dat de uitspraak in de zaak-Dohmen nog kan worden herroepen. De Raad kent (nog) geen procedure om uitspraken te herzien.
Los van de aanleiding, meng ik mij nu wel graag in het door de Raad geëntameerde debat (zie Dohmen, Evers) over het principe: mag een journalist zonder het te zeggen een telefoongesprek opnemen?
Het hangt er vanaf.
Van de wet mag het. Anders dan veel mensen denken is het opnemen van je eigen telefoongesprekken niet strafbaar. Maar het voert te ver om – zoals onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen (de Volkskrant) doet – daaruit te concluderen dat de Raad dus niet iets anders mag of kan vinden. Beroepsethiek en wetgeving vallen vaak wel, maar soms ook niet samen. Een enkele keer is de ethiek minder streng dan de wet (over het publiceren van gestolen documenten bijvoorbeeld), in een andere situatie is die ethiek wat strenger (als ze de privacy van verdachten en veroordeelden beschermt).
In de tweede plaats scheelt het of de journalist voor een krant werkt, of voor radio en tv. De meeste dagbladjournalisten zullen een telefoongesprek niet opnemen om het uit te zenden, terwijl rtv-verslaggevers met lege handen staan zonder die ene digitale quote. Het is geen toeval dat de meeste uitspraken van de Raad in dit type zaken over radio- en televisiejournalisten gingen. Hoewel de Raad niet consistent is geweest, is de lijn helder: een rtv-journalist hoort geen voor uitzending bedoeld telefoongesprek op te nemen zonder dat vooraf aan zijn gesprekspartner te vertellen.
Mag een schrijvende journalist het dan wel?
Dat hangt er nog steeds vanaf. Gek genoeg ook van de geïnterviewde, bijvoorbeeld. In het verleden heeft de Raad dat wel eens een rol laten spelen. Naar mate, luidt ongeveer de redenering, iemand meer ervaring heeft met de pers, als woordvoerder of bekende Nederlander bijvoorbeeld, zal hij minder verrast zijn als zijn uitspraken heimelijk worden opgenomen: it takes one to know one. Een wat te cynische kijk op ons vak.
Stiekem
Nu het technisch eenvoudiger wordt telefoongesprekken op te nemen, zullen ook steeds meer schrijvende journalisten dat doen. Omdat het handig is. Omdat je preciezer kunt citeren. Omdat je beter luistert. Meestal niet om die conversaties uit te zenden (al moeten we niet vergeten dat journalisten multimediaal worden, en krantenredacties experimenteren met radio of tv).
Ironisch genoeg kraait er waarschijnlijk geen haan naar als de journalist zonder het te zeggen een bandje laat meelopen. Voor de geïnterviewde maakt het immers geen verschil of de journalist snel schrijft, een goed geheugen heeft, steno beheerst of een iPhone-app het gesprek laat opnemen. Wat niet weet, wat niet deert. Niks aan de hand, toch?
Je zou kunnen zeggen: zolang de geïnterviewde er geen last van heeft, moeten we niet moeilijk doen over het heimelijk opnemen van telefoongesprekken. Dat lijkt pragmatisch, maar het stuit mij tegen de borst. Niet alleen omdat de journalist vaak nog een tweede reden had het gesprek vast te leggen: het is een verzekering tegen juridisch gelazer van een bron die ontkent iets gezegd te hebben. Dat een journalist zich indekt tegen schadeclaims is legitiem en verstandig, maar de vraag blijft of hij dat stiekem mag doen. Vooralsnog niet, vind ik. Een journalist speelt open kaart en gebruikt geen trucs.
Maar er zijn uitzonderingen. Ik snap wel dat je als onderzoeksjournalist je scoop om zeep helpt als je altijd braaf meldt dat “er een bandje meeloopt”. Als je al weken werkt aan een vastgoedfraude of politiek schandaal, en je na veel duwen en trekken die ene uiterst schuwe bron eindelijk aan de telefoon hebt, zit je niet te wachten op ethische puristen. Opnemen dus. Als geheugensteun én bewijsmiddel.
Zolang deze situaties de uitzondering zijn, en niet de regel, is er niets mis. Net als bij de vraag of je als journalist under cover mag gaan of een verborgen camera mag gebruiken, maakt de Raad voor de Journalistiek in een specifieke casus, na een klacht dus, een afweging: is met het journalistieke onderzoek een gewichtig maatschappelijk belang gemoeid en kon het doel op geen andere manier worden bereikt? Als dat zo blijkt te zijn, kan de methode door de beugel.
Waarom til ik hier zo zwaar aan?
De relatie tussen pers en publiek is al een jaar of tien niet best: “de media heeft ‘t gedaan”, nietwaar? Des te belangrijker dat een journalist in principe met open vizier te werk gaat. Voor een deel is daarop het vertrouwen gebaseerd dat de samenleving in de journalistiek stelt. De pers controleert de macht die van alles te verbergen heeft, maar moet zelf transparant zijn – want niemand controleert de pers dan die pers zelf. Het alternatief, stringentere regulering door de wet, verkies ik niet.
Het ethische beginsel over het opnemen van telefoongesprekken, moet overeind blijven, zij het beter geformuleerd. De Leidraad zegt dat een journalist geen gesprek mag opnemen als dat bedoeld is voor publicatie of uitzending. Dat is nodeloos verwarrend. Want wat is “publiceren”? Hoe doe je dat met een audio-opname, anders dan hem uit te zenden? Publiceer je als je in een krantenstukje uit de opname citeert? Is van publiceren pas sprake als je de gesproken tekst van het bandje verbatim in de krant afdrukt? Of bedoelt de Leidraad juist te zeggen dat opnemen is toegestaan zolang je de opname maar niet als opname gebruikt?
Waarschijnlijk is het verschil irrelevant, en wordt gewoon bedoeld dat een journalist transparant te werk gaat. Hoewel de Googlegeneratie er allicht wat makkelijker mee omgaat, denk ik dat de meeste mensen het nog altijd een onaangename gedachte zouden vinden als ze zouden weten dat hun gesprek met een journalist heimelijk wordt vastgelegd.
Dat die journalist dat alleen “voor eigen gebruik” doet, dat je er dus niks van merkt, dat het zelfs ook in jou belang is als je wordt “afgeluisterd” – ik kan het niet uitleggen. Er zit iets onbetrouwbaars in, want als er gedoe komt, is de journalist niet te beroerd zijn bandje als bewijsmateriaal te overleggen. Dat opportunisme deugt niet. Het lijkt mij per saldo funest voor het vertrouwen van de burger in de journalistiek, en dus voor de journalistiek zelf.
Bovenstaand stuk verscheen eerder op de weblog van Henk Blanken.









9 reacties:
2 november, 2009
Mooi stuk Henk. Alhoewel jouw harde lijn mij (zelfs als 35-plusser) wat te ver gaat, vind ik je standpunt te waarderen vanwege de helderheid en vooral vanwege de openheid die je propageert.
Eén ding snap ik echter niet. Je houdt een principiële lijn aan: openheid voor alles. De journalist moet, als ik je goed lees, altijd zeggen wat hij doet en hoe hij te werk gaat.
Maar je begint te schuiven als je zegt dat er – toch weer – uitzonderingen zijn. Als er als journalist ergens weken aan werkt, hoef je het toch niet te melden. “Zolang deze situaties de uitzondering zijn, en niet de regel, is er niets mis.”
Maar dan begint het toch weer te schuiven. Bijna iedere journalist die besluit niet expliciet te melden dat hij een gesprek opneemt als geheugensteun en bewijsmateriaal zal namelijk vinden dat juist híj de uitzondering is.
Waarom dus toch deze ontsnappingsclausule? Het mooie van je standpunt is nu juist de harde, bijna ouderwetse lijn.
2 november, 2009
@Laurens: Ik bepleit dat de Raad bij dit punt dezelfde redenering hanteert als bijvoorbeeld bij under cover-journalistiek. In de inleiding van de Leidraad staat dat een journalist van een aantal normen kan afwijken “als een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden”. De normen die hier bedoeld worden zijn in de Leidraad gemarkeerd met een asterisk. Ze gaan over het werken met open vizier, het stelen of betalen van of voor informatie, het hinderlijk volgen van personen, en inderdaad, het opnemen van telefoongesprekken.
2 november, 2009
Henk, dat zijn wel heel veel woorden om alle gewenste nuanceringen kwijt te raken. Maar geeft dat niet nét aan dat de “oude lijn” (stiekem opnames maken is onwenselijk) onhoudbaar is geworden? Zoals op zo veel fronten is het ook hier de techniek die de cultuur verandert. Je stelt zelf al vast dat een skype-gesprek automatisch wordt opgenomen, of dat je provider dat voor je doet. Die trend zal alleen maar sterker worden. De vraag is dus niet óf we het opnemen van telefoongesprekken maatschappelijk ooit als vanzelfsprekend gaan zien, maar vooral wanneer dat het geval is.
En nu weet ik ook wel dat de raad niet het meest vooruitstrevende orgaan is dat we kennen, maar in dit geval zou het mooi zijn als juist hier een heldere stap gezet kan worden. En die is volgens mij niet een vasthouden aan oude waarden met steeds meer nuanceringen, maar juist een flukse sprong voorwaarts: wie spreekt met een journalist moet er van uit gaan dat het gesprek wordt vastgelegd – met alle middelen die de journalist heeft.
2 november, 2009
@Bart: Je geeft precies aan wat het alternatief is, en waarom het debat zo lastig blijft. De cultuur verandert inderdaad. Vraag is wanneer de Raad – en de beroepsgroep – daarin mee moet gaan.
2 november, 2009
Nee, het mag niet. Of, ja, het mag toch wel. Het is prima als bewijsmateriaal. Of toch niet: het is onbetrouwbaar. Ik respecteer de ethische worsteling van Henk, maar die laat volgens mij ook zien waarom deze discussie onzinnig is.
De wet is glashelder. Iedereen mag voor eigen gebruik een gesprek opnemen, zoals je ook steno-aantekeningen mag maken. Ik heb als onderzoeksjournalist geen enkele behoefte aan een een ‘ethiek die strenger is dan de wet’ en blijf me verbazen over vakgenoten die daarvoor pleiten. We hebben het al moeilijk genoeg, daarbuiten.
Het zou ook een rare figuur worden: de journalist zou een gesprek niét voor eigen gebruik mogen opnemen, en de bron aan de andere kant van de lijn wel – omdat die niet hoeft te voldoen aan een extra set ethische regels (die ook nog achteraf, van geval tot geval, worden vastgesteld). Laten we ophouden onszelf hierover te kwellen. Ik denk dat die gevreesde ‘burger’ aan de zijlijn ons uitlacht in plaats van te klagen over onbetrouwbare journalistiek.
Anders dan Henk zegt, vindt ik overigens dat de Raad hier best iets anders over mag vinden. In mijn visie heeft de Raad echter een geloofwaardigheidsprobleem zodra ze de rechten die journalisten volgens de wet hebben, wil beperken. Vergeet niet dat veel klagers een uitspraak van de Raad beschouwen als een eerste stap op weg naar de rechter. Als die rechter vanuit de beroepsgroep zélf de suggestie krijgt aangereikt dat de wet wel wat strakker en ongunstiger mag voor journalisten, zijn we nogal raar bezig, nietwaar?
5 november, 2009
In het stuk lees ik dat een opname als bewijsmateriaal kan dienen, maar hieraan liggen wel voorwaarden. Het ligt er maar net aan wanneer iets rechtmatig verkregen bewijs is. Je mag gesprekken opnemen zolang je toestemming hebt van één van de gesprekspartners.
“Een telefoongesprek opnemen dat je zelf voert, mag je dus opnemen – ook wanneer je dat niet meldt aan de tegenpartij. Alleen het heimelijk opnemen van zo’n gesprek zonder deelnemer te zijn is dus strafbaar (tenzij je toestemming hebt van één van de deelnemers).
Zo’n opname mag niet zomaar gepubliceerd worden. De andere partij zal waarschijnlijk niet verwacht hebben dat het gesprek opgenomen werd. Er moet een goede reden zijn om diens privacy-belang opzij te zetten. Een voorbeeld is gebruik van de opname als bewijs van bedreiging.”
Uit: http://www.iusmentis.com/beveiliging/hacken/computercriminaliteit/aftappengegevens/
Het is me niet helemaal duidelijk wanneer een opname nu geschikt is als rechtmatig bewijs. Op Fok vond ik een interessante discussie hierover: http://forum.fok.nl/topic/1112085/3/25. Het ligt in ieder geval aan meerdere factoren.
19 november, 2009
Misschien doet het helemaal niet ter zake, maar ik kan het niet laten: iPhones kunnen geen gesprekken opnemen ;)
15 januari, 2010
[...] 2009 Stichtingsvoorzitter Raad belooft daden, opinie Fons van Westerloo op Villamedia, 2 november Heimelijk opnemen schaadt journalistiek, opinie Henk Blanken op De Nieuwe Reporter, 2 november Raad negeert eigen jurisprudentie, opinie [...]
19 januari, 2010
[...] het niet mee eens. Hij herhaalde de kritiek die hij eerder al verwoordde in zijn blogpost ‘Heimelijk opnemen schaadt de journalistiek‘. Bestaat er wel draagvlak voor het opnemen van gesprekken onder de nieuwsconsumenten, zo [...]