Met zijn stelling ‘Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek’ heeft Jan Blokker, zo blijkt uit de reacties, misschien wel meer gelijk dan hij zelf dacht. De titel van Blokkers bundel met stukken over de media verwijst naar de voorliefde van journalistiek Nederland voor opinies, analyses en meningen – geheel in de traditie van de dominees vanaf de kansel en de onderwijzers voor de klas. Gewoon intelligent uitgezochte en goedgeschreven stukken gaven en geven in belangrijke delen van de gedrukte media geen status genoeg, je moet minstens ‘een column’ hebben, het liefst nog met fotootje. Zie de gênante proliferatie van stukjes, bij voorkeur met leuk fotootje, in de Volkskrant, zoals ook Vrij Nederland en HP De Tijd dat sinds jaren doen.
Ook de aangekondigde ‘profilering’ in het Hilversums omroepstelsel hoort bij diezelfde voorkeur voor ‘meningen’, ‘zienswijzen’ en ‘opvattingen’. In het kader van de ‘pluriformiteit’ gaan we komend seizoen vast weer een spannend EO-programma zien waarin de Staphorster evolutiewaarheid – de wereld bestaat zeven tot tienduizend jaar – ‘wetenschappelijk’ onderbouwd zal worden; Plasterk krijgt nog spijt van zijn pluriformiteit, honderden miljoenen publiek geld jaarlijks gestort in de bodemloze put van drieëntwintig sterk geprofileerde omroepbaasjes en bazinnetjes. Zelfs NOS Nieuwe Media man, Roeland Stekelenburg, roemt als ‘traditionele waarden’ van de kranten: ‘meningsvorming, opinie, analyse, onderzoek, fotografie’ (let op de volgorde), en ronkt dat de NOS ‘de gebruiker centraal’ heeft gesteld.
Natuurlijk verpakte sla
Blokker richt zich niet alleen op de neiging van journalisten zich te gedragen als ‘herdershond van verzuilde kuddes’ – maar ook op de goeroes van de communicatiewetenschap ‘met centrale gebruiker’ à la Costera Meijer en Leon de Wolff, binnengehaald o.a. door zijn meest geliefde bête noir, Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes. Die vervolgens oreerde over ‘publiekgerichte journalistiek’, een pleonasme dat me onwillekeurig doet denken aan de ‘natuurlijk verpakte sla’ uit een C1000-reclame.
Dezelfde hoofdredacteur die de Volkskrant – ik lees hem zelf sinds 1969 – liet verslonzen tot een vergaarbak van door meningen vervuilde berichtgeving, opgeleukte rubriekjes en katernen, de een nog modieuzer dan de andere, en op cruciale momenten zijn hoofdredactionele rol als bewaker van journalistieke onberispelijkheid vergat.
Hoedeman mocht na jaren nieuws ‘gemaakt’ te hebben in Den Haag, ongehinderd martelingen ‘maken’ in Irak, en na de dood van Prins Bernhard bleek Broertjes met zijn paladijn Jan Tromp als een soort aangenomen zoon van PB, een serie hagiografische gesprekken met de prins te hebben gevoerd waarin hij ongehinderd gebruikelijke en nieuwe leugentjes kwijt kon.
Het getuigt niet van veel grootmoedigheid dat Blokker Broertjes blijft achtervolgen. Henk Blanken schiet weer door naar de andere kant door van Broertjes de held te maken die als hoofdredacteur tenminste de nieuwe media omarmde. Blanken is zo geobsedeerd door de nieuwe media dat hij Blokker nog wel gelijk wil geven als het over het verleden gaat, maar sinds de uitvinding van internet De Nieuwe Journalist heeft zien opstaan in Nederland en Blokker verwijt die niet te hebben opgemerkt. Blanken moet zich thuis voelen bij Francisco van Jole’s schrifturen bij het begin van internet, door Blokker aan de vergetelheid ontrukt, waarin de geboorte van een hele nieuwe samenleving en toch zeker Een Nieuw Mens werd aangekondigd. Allebei toch iets meer dominees dan feitenverzamelaars?
Méér meningen
Waar is dat Blokker, bij uitstek de man van het historisch besef, de geschiedenis van de laatste decennia soms wat doorelkaar husselt, internet en gratis kranten op hetzelfde moment laat beginnen, en im Grunde natuurlijk ook geen antwoord heeft op de teruglopende oplages van de dagbladen. Die vraag zou ik hem ook niet gesteld hebben. Hij is in de ogen van de Blankens van internet vanzelfsprekend een mastodont uit de oude wereld die internet alleen maar een hulpmiddel in de journalistiek vindt – die ouwe lul begrijpt niets van de Nieuwe Kerk, hoor je ze denken. Maar ook als je internet omarmt als nieuw medium – zonder daar nu meteen aan toe te willen voegen dat het alle andere media overbodig maakt, zoals het begin jaren vijftig gezegd werd: ‘wie leest er nu nog een krant, iedereen luistert toch naar de radio!’ – moet je constateren dat internet journalistiek gesproken vooral tot méér meningen, méér opvattingen, méér profilering, méér pluriformiteit heeft geleid en niet altijd van topkwaliteit, to put it mildly. Tot méér degelijk geresearchte, feitenverzamelende journalistiek hebben die nieuwe media in Nederland helemaal niet geleid. In dat opzicht heeft de oude Jan Blokker sr. alle gelijk van de wereld.
Eén reactie