Hinderlijke vragen
Hoeveel Nederlanders moeten een kwaliteitskrant lezen, wil de pers zich nog de koningin der aarde kunnen noemen? Wat betekent het voor een democratie als boze burgers de journalistiek die zich de waakhond van die democratie noemt, en masse wantrouwen? Hoeveel journalisten heeft een land eigenlijk nodig? Hoe geïnformeerd wil de burger eigenlijk zijn?
Onderhand wordt het tijd voor hinderlijke vragen. Impertinente vragen, vragen die niet gesteld horen te worden, vragen waarop het antwoord al vast lag. Dat is geen cultuurrelativisme, maar noodzaak nu al het andere faalt. Journalistiek is nodig, maar waarom eigenlijk? Hoe zat het ook alweer? Wat is haar bestaansrecht en legitimatie?
Journalistiek heeft vaak een sleutelrol gespeeld in emancipatiebewegingen. In elk geval in Nederland diende ze een tijdlang een politiek doel. Maar als dat doel bereikt is, de emancipatie voltooid, welvaart voor iedereen onder handbereik is, welk doel dient de pers dan? Wordt ze dan van waakhond tot schoothondje?
Internet
Hinderlijke vragen. Er zijn miljarden mobiele telefoons. Binnen enkele jaren zullen dat vooral smartphones zijn. Internet altijd en overal. Maar gaan we het nieuws dan werkelijk van zo’n minuscuul scherm lezen? Welk nieuws is dat dan? Hoe verandert het nieuws als het zo ultrakort wordt (zoals lezen op internet het denken verandert – zie Nicholas Carr).
Mag ook worden gezegd dat de massa helemaal niet mee wil praten? Dat er geen verdienmodel te vinden is voor hyperlocal of voor user generated content, zodra het om nieuws gaat. Nieuws dient vaak een algemeen belang, dient vaak een onbekend publiek (niet altijd: soms is wat je vrienden je vertellen ook nieuws, maar daar gaat het nu niet over).
Hinderlijke vragen. Zijn kranten nog een paper of record, schrijven ze nog de geschiedenis van vandaag? Kunnen kranten onafhankelijk blijven, of zijn ze toe aan herzuiling? Hoe verandert het nieuws als het gratis wordt (en niet meer als van waarde wordt gepercipieerd)?
Cultuurpessimist
Onaangename waarheden. Jongeren zijn niet geïnteresseerd in het algemene nieuws dat “wij” – journalisten, politici – zo belangrijk vinden. Internetjournalistiek heeft niet de vernieuwing gebracht die we ervan verwachten. De democratie wordt niet beter van interactie met de kiezers. Individuele vrijheid legt het af tegen staatscontrole en marktmonopolisten.
Televisie wordt niet beter van YouTube. Radio wordt niet beter van soundbites. Reclame wordt niet beter van targeting (alleen goedkoper). Politiek wordt niet beter van populisten. En de journalistiek wordt niet beter van journalisten – red de journalistiek van de journalisten, denk ik geregeld.
Ben ik nu een cultuurpessimist? Toch niet. Ik denk dat er altijd verhalen verteld zullen worden – dat is wat ons onderscheidt van andere dieren. En ik denk dat netwerktechnologie zo geen wil heeft, dan toch een eigen dynamiek die maakt dat voor elk probleem ook “vanzelf” een oplossing ontstaat – dat komt trouwens van het netwerk, meer dan van de technologie, van wat mensen doen, meer dan van wat techniek vermag.
Dit artikel verscheen eerder op het weblog van de auteur.










3 reacties:
11 maart, 2010
Uitstekende vragen, Henk. ‘k Hobbel er al een tijdje mee. Het antwoord is wel erg kort door de bocht en beetje lelijk: dat de eigen dynamiek van netwerktechnologie ‘maakt’ dat voor elk probleem ook een oplossing ontstaat. Ja, hallo ;-)
Je kunt voor het antwoord kijken naar pré journalistieke samenlevingen. Functioneerden ze?
En naar grote delen van de wereld zonder eigen journalistiek? Ontbeert men haar daar?
En hier naar groeiende kale vlakten in journalistiek, zoals lokaal. Schade aan de democratie? Ja, bijvoorbeeld in de gemeente waarin ik woon met vastgoedbelangen die steeds meer leidend zijn. Maar wat is schadelijk? Om met Jacobse en Van Es te spreken, ook een mooie uitspraak tegen journalistiek: geen gezeik, iedereen rijk?
Merk om me heen aan de aanmoedigingen dat er wellicht een kentering komt: opgeleid publiek mist journalistiek meer en meer, al is men blij dat ze minder arrogant is. Of niet?
19 maart, 2010
Rijkelijk laat Henk Blanken, hier had je al veel eerder mee moeten beginnen in plaats van doodlopende sporen te bewandelen uit angst voor grensconflicten in het vak. Goede journalistiek ontleent haar validiteit aan de zelfreflectie van een journalist. Niet aan onnozele egotripperij waar jullie toch erg goed in lijken.
Twee mogelijke insteken:
insteek 1: wat is journalistiek, wat is (zijn) de functie(s) die het vak in de maatschappij heeft, welke rol wil ik (de journalist) daarin vervullen/waar binnen dat kader wil ik (de journalist) me positioneren;
insteek 2. wie ben ik/welke journalistieke rol wil ik vervullen.
Aandachtspunt bij 2:
functie van journalistiek wordt niet in twijfel getrokken noch bediscussieerd maar als gegeven beschouwd. Alsof niet alles (onder invloed van, of beter gezegd, in relatie tot alles) aan verandering onderhevig is. Om als voorbeeld te noemen: onderlinge afhankelijkheidsverhoudingen, niets is een eiland meer; commercie etc. Mogelijk Gevolg: failliet van de journalistiek ligt op de loer; verstoffing van het vak.
Aandachtspunt bij 1:
(her)definiering van de functie van journalistiek kan huidige systeem (bestaande verhoudingen, belangen) volledig op de helling zetten.
Mogelijk Gevolg: Machtsstrijd prefaleert boven Vernieuwing.
(10 maart 2008).
Maar ja, samen doen, is ook zo wat he.
30 maart, 2010
Inderdaad, uitstekende vragen. En wat kan dat een boeiende discussies opleveren. Het is altijd zo paradoxaal dat juist de journalistiek dergelijke vragen zo lang laat liggen of zo aarzelend ter hand neemt, maar misschien legt dit gegeven juist wel de crux bloot.