Museum als medium

609-zwartIn het artikel Museum 2.0 beschreef Stefan Kuiper hoe musea zich begeven op wat traditioneel het terrein van de televisie-omroepen is: het produceren van programma’s met bewegend beeld. Valentijn Byvanck – inhoudelijk directeur van het Nationaal Historisch Museum – ziet daarin een belangrijke ontwikkeling: musea zetten media niet langer alleen in als marketinginstrument om publiek te verleiden het het eigen museumgebouw te bezoeken. In aanvulling daarop wil het NHM  het publiek via web en televisie ook inhoudelijk betrekken bij de eigen thema’s.

Musea zijn al jaren bezig zich opnieuw uit te vinden. Een kwart eeuw geleden werd er nog gediscussieerd over wat nu de primaire taak was van het museum, het behouden of het ontsluiten van erfgoed? Sinds deze strijd lijkt te zijn beslist in het voordeel van de ontsluiting, wordt gediscussieerd over wat er hoe aan welk publiek moet worden gepresenteerd. Hierbij gaat de meeste aandacht uit naar ‘nieuw’ publiek, mensen die niet gewoon zijn om naar museum te komen, jongeren, laag geschoolden, nieuwe migranten. Zij lijken weinig op te hebben met de plechtige educatieve stijl van het museum en hebben behoefte aan nieuwe vormen van presentatie. Twintig jaar geleden werden om deze reden bij alle musea educatieve afdelingen opgericht die bezoekers bij de hand namen en tentoonstellingen uitlegden. Eerst met rondleiders en maquettes met lichtpunten, daarna met behulp van kastjes met drukknoppen en touch screens.

Bij al deze vernieuwing bleef een ding altijd constant: alle techniek werd gebruikt om bezoekers naar een gebouw te krijgen. De meest interessante ontwikkeling op museumgebied op dit moment is dat ze zoeken naar mogelijkheden om publiek te bereiken zonder daar een specifieke locatie of gebouw aan te verbinden. Zo kunnen ze toekomstig publiek voorbereiden op een bezoek, niet zozeer specifiek aan het gebouw, maar aan een reeks van activiteiten die het museum onder zijn merknaam organiseert.

Zo heeft het Nationaal Historisch Museum als doel om geschiedenis onder bereik van een zo groot mogelijk publiek te brengen. Een gebouw met tentoonstellingen is een belangrijk maar geen toereikend instrument om dit doel te bereiken. Het museum bouwt om die reden een interdisciplinair netwerk van partnerinstellingen geschraagd door semantische web technologie. Alle activiteiten die binnen dit netwerk door heel Nederland (en soms daarbuiten) worden ontwikkeld vinden plaats onder de merknaam INNL.

In zijn beleid op mediagebied heeft het Nationaal Historisch Museum twee speerpunten: internet en televisie. In navolging van onder meer de Powerhouse in Sydney en de Tate in Londen heeft het museum een museumlab opgericht om de groeiende aantallen virtuele bezoekers te bedienen. Zo’n museumlab is cruciaal voor de continuiteit en de innovatie in het museum: websites of virtuele presentaties functioneren regelmatig slecht omdat er geen structureel onderhoud wordt gepleegd.

Het museumlab van het NHM is onder meer verantwoordelijk voor een semantische website (lancering zomer 2010). Hierop wordt niet alleen informatie over het instituut en zijn activiteiten gepresenteerd. Ook worden onder andere door gebruik van social media communities onderhouden en via een open zoekmachine historische informatie van het Nationaal Historisch Museum en allerlei partners ontsloten. Het museumlab ontwikkelt zijn programma’s in samenwerking met allerlei partijen om zijn expertise te scherpen en het maatschappelijk draagvlak te vergroten. De resultaten hiervan zijn openbaar en worden gedeeld met de hele erfgoedsector, bijvoorbeeld op de jaarlijkse new technology conferentie, waarvan de eerste aflevering plaatsvond op 28 oktober 2009 in Amsterdam.

Het Nationaal Historisch Museum zoekt niet alleen een voorbeeldrol bij de ontwikkeling van nieuwe media toepassingen, maar maakt ook producties op andere terreinen mogelijk. Musea zijn al jaren bezig met film en televisie, vooral om educatieve films te maken die het publiek dienen te verleiden beter naar de objecten te kijken. De gedachte is dat bewegend beeld stil beeld animeert. Sinds kort zijn musea ook geïnteresseerd in zelf televisie maken.

Televisie is om allerlei redenen een meer succesrijke reclamemaker dan Internet. Om zo’n succesrijk medium te gebruiken voor je eigen programma’s is haast onweerstaanbaar, maar musea moeten zich afvragen of de kosten opwegen tegen het geringe aantal kijkers dat ze met eigen producties bereiken. Het Nationaal Historisch Museum kiest er daarom voor om aan de ontwikkeling van het medium bij te dragen zonder zelf een productiehuis te worden. Het museum werkt met de NPS aan een serie over slavernij en een pakket voor de week van de geschiedenis. Het ontwikkelt met Klokhuis vijftig programma’s over canonitems. En het presenteert bij de AVRO een selectie van de OneMinute serie ‘Waar geschiedenis begint.’ Daarnaast is het museum in gesprek met het themakanaal geschiedenis 24 over een intensieve samenwerking op het gebied van programmering en content. Daarmee krijgt het Nationaal Historisch Museum een platform voor alle activiteiten die het in samenwerking met andere partijen ontwikkelt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (498 van 891 artikelen)


Binnenkort komt Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, mij eigenhandig de strot ...