Vier FHJ-studenten onderzochten of de Raad voor de Journalistiek anno 2010 bestaansrecht heeft onder negen hoofdredacteuren van landelijke nieuwsmedia. Onder meer het Algemeen Dagblad, NOS en Panorama halen flink uit naar het zelfreguleringsorgaan. Daphne Koene, sinds 2001 secretaris van de Raad, reageert op de onderzoeksconclusie. Ze maakt korte metten met veel bezwaren, maar geeft ook toe dat de instantie op verschillende fronten nog valt te verbeteren.
In de conclusie uit het onderzoek van de Fontys-studenten komt naar voren dat de Raad voor de Journalistiek bestaansrecht heeft, maar dat er veel bezwaren zijn tegen het ‘kreupele paard’. Zo snapt bijvoorbeeld het Algemeen Dagblad niet waarom iemand als Ciska Dresselhuys (oud-hoofdredactrice van Opzij) ooit in de Raad zat. Koene: “Het is misschien onduidelijk hoe de leden van de Raad worden benoemd. Alle leden worden aangewezen door het bestuur van de Stichting Raad voor de Journalistiek. De journalistleden worden voorgedragen door de Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Genootschap van Hoofdredacteuren. Dus de vraag waarom er bepaalde journalisten in de Raad zitten, is niet aan de het orgaan zelf besteed.”
Media zoals Panorama klagen dat de Raad bevooroordeeld is omdat de klachteninstantie net ‘de Raad voor de NRC’ had kunnen zijn. “Ik wil echt weerspreken dat wij alleen maar leden hebben met een ‘linkse signatuur’. Want we hebben Johan Olde Kalter, oud-hoofdredacteur van De Telegraaf, onder onze leden gehad. Tijdens zijn lidmaatschap is hij helaas overleden.” Momenteel zit onder meer Joke Wartenbergh in de Raad, oud-hoofdredacteur van Panorama en voormalig programmadirecteur van RTL5.
Snelheid blijft een probleem
Het verwijt dat de Raad te traag is, komt telkens als een boemerang terug bij het orgaan. “Naar mijn mening zijn we aanzienlijk sneller geworden, maar het is een aandachtspunt waar we aan werken. Maar zoals in het onderzoek ook terugkomt: wanneer zijn we snel genoeg voor de media?” Koene legt uit dat in het organiseren van zittingen veel tijd gaat zitten. “Nederland is een van de weinige landen waar bijeenkomsten worden gehouden bij zelfreguleringsinstanties. Wij vinden het waardevol dat mensen persoonlijk hun standpunt bij de Raad kunnen toelichten en op een zitting ook vragen van de Raad kunnen beantwoorden. Maar daardoor duurt de procedure wel wat langer.”
Alternatieven voor de Raad?
In het onderzoek van de Fontys-studenten dragen enkele media alternatieven aan voor de Raad. Over de genoemde ideeën van bijvoorbeeld Panorama is de secretaris niet bepaald te spreken. Het tijdschrift is van mening de rechter een goed alternatief is voor de Raad. “De rechter toetst juridische normen terwijl de Raad zich buigt over ethische regels. Ten tweede vind ik het heel belangrijk dat wij laagdrempelig zijn, want je hebt geen advocaat nodig en een procedure is gratis. Daarnaast duurt een juridische zaak over het algemeen veel langer dan een procedure bij de Raad.” Ook het bezwaar dat het klachtenorgaan werkt als voorportaal van de rechter haalt Koene onderuit. “Zaken krijgen maar zelden een vervolg bij de rechter. Omdat de Raad anders toetst, is de uitspraak van de rechter zeker niet altijd hetzelfde.”
In de periode van 2004 tot en met 2009 deed de Raad 483 uitspraken en konden negen zaken vergeleken worden met procedures bij de civiele rechter. Dat blijkt uit een eigen onderzoek van het klachtenorgaan, vertelt Koene.
Algemeen Dagblad oppert dat een ombudsman voor de pers wellicht een beter alternatief is dan de Raad. Koene kan dat punt niet helemaal plaatsen. “Zelf heb ik onderzoek verricht naar vergelijkbare instanties als de Raad in het buitenland. In sommige landen hebben ze een ombudsman voor de media, maar bijvoorbeeld de Zweedse ombudsman bemiddelt nauwelijks en die procedure is louter schriftelijk. Daarbij komt dat die ombudsman alleen klachten kan afwijzen, maar niet toewijzen. Daardoor duurt de hele procedure bij de toewijzing van een klacht, waarover de Zweedse Press Council beslist, ten minste zes tot zeven maanden. Die procedure is daarom zeker niet beter.” Mediumspecifieke ombudsmannen zoals die van NOS en de Volkskrant moedigt de secretaris daarentegen aan. “Ik ben het er van harte mee eens dat het beter is als een medium er zelf uitkomt met een klager.”
Verbeterplannen en gemiste kansen
Dat Koene is te spreken over ombudsmannen bij media, sluit aan bij een van de veranderingen die op 1 maart 2010 van kracht zijn geworden. Want de Raad wil onder andere meer gaan bemiddelen. “Als iemand ons belt met een klacht, adviseren wij altijd dat ze moeten kijken of ze er met de hoofdredacteur zelf uit kunnen komen. Verder zullen wij zowel de klager als de betrokken hoofdredacteur vaker op de mogelijkheid van bemiddeling wijzen.” De secretaris legt uit dat het voorkomt dat de klager of de hoofdredacteur van mening is dat bemiddeling onzinnig is, waarna een eventuele zitting overblijft.
De Raad kwam in 2008 met verbeterplannen, terwijl er pas dit jaar veranderingen doorgevoerd zijn, zoals de mogelijkheid tot het herzien van klachten. NOVA is niet te spreken over deze trage gang van zaken. “Ik snap zeker de kritiek dat het lang duurt voordat er daadwerkelijk iets verandert binnen de Raad. Het heeft te maken met onder meer het feit dat we om onze verbeteringen te kunnen doorvoeren, subsidie moesten aanvragen. Dat is een traject dat nogal wat tijd in beslag heeft genomen, helaas.”
De NOS vindt het jammer dat de Raad maar weinig ambtshalve uitspraken doet en vindt de Raad nog te onbekend. “We zijn bezig met een aantal vernieuwingen waarin ook dit zeker onze aandacht heeft. Ook willen we bekender worden naar zowel de beroepsgroep als de burgers.”
Hoop voor de toekomst
De Raad heeft zich volgens Koene de afgelopen jaren verbeterd, ook als het gaat over de kwaliteit van de uitspraken. Wel snapt Koene dat het orgaan zorgvuldig te werk moet gaan het formuleren van de uitspraken; de Raad is ook op dat punt gevoelig voor kritiek.
Of de wijzigingen van 1 maart aan de diverse kritiekpunten tegemoet komen, zal de tijd uitwijzen. “Dat we ons moeten blijven verbeteren dat spreekt voor zich en daar werken we hard aan. Er zijn gesprekken gaande tussen de Raad en hoofdredacties van media, waarbij ook het stichtingsbestuur betrokken is. Samen kijken we hoe de organisatie verbeterd kan worden. Daarbij is het de bedoeling dat een aantal media dat nu niet meewerkt aan onze procedures, dat in de toekomst wel weer zal gaan doen. Ik heb verder niet echt de indruk dat het grootste gedeelte van de Nederlandse hoofdredacteuren zegt: ‘De Raad is een organisatie die niet deugt’. Dat uit de onderzoeksconclusie blijkt dat de Raad wel degelijk bestaansrecht heeft, juich ik natuurlijk van harte toe.”
Pingback: Raad: doe een uitspraak of hef jezelf op « De nieuwe reporter