Auteur en amateur

609-witMet tachtig miljoen actieve blogs en twaalf uur nieuwe filmpjes op YouTube elk halfuur, volgens een recente en ongetwijfeld alweer achterhaalde telling, doet zich steeds nijpender de vraag voor wat een professioneel schrijver – journalist of romancier – en wat een professioneel kunstenaar hier nog tegenover kunnen stellen. Natuurlijk geldt hetzelfde probleem ook voor de professionele designer versus de honderdduizenden MySpace-pagina’s of de professionele arts versus de snelgroeiende medische sites, om het over professionele pornografen of gamers maar niet te hebben. Het Stimuleringsfonds bestelde evenwel bij Bas Heijne een essay (pdf) over de auteur in tijden van massacommunicatie, en Jorinde Seijdel werd door het Fonds voor de Beeldende Kunst gevraagd haar licht te laten schijnen op de waarde van de amateur voor kunstenaars, dus beperken we ons hier tot die twee beroepsgroepen. De benadering van beide auteurs verschilt wezenlijk en leidt tot geheel andere inzichten.

Heijne diagnostiseert ‘aan de ene kant het door technologische vernieuwingen aangezwengelde geloof in wereldwijde samenwerking, het geloof in het ongebonden, anonieme collectief’, waarmee hij sociale netwerken als FaceBook, Wikipedia en Second Life bedoelt, ‘en aan de andere kant de steeds groter wordende nadruk op persoonlijke beleving van de werkelijkheid’. De wereld wordt door de huidige consument gezien als informatie waarmee naar believen een eigen belevingswereld kan worden samengesteld. Daarmee vervalt niet alleen het idee van een door allen gedeelde sociale werkelijkheid, dat de basis vormt van elke journalistieke ethiek, maar ook het idee van uniek auteurschap: ‘De decentralisering van het scheppingsproces, het wegvallen van begrippen als individueel vakmanschap en de notie van een baanbrekende voorhoede hebben geen einde gemaakt aan de cultus van het genie – alleen is die cultus opgegaan in de massacultuur en heeft ze zich getransformeerd tot een sterrencultus.’ De celebrity is de nieuwe auteur, maar laat zijn of haar boeken door anonieme anderen schrijven. Wat te doen? ‘Het is aan de kunst om af te rekenen met de twee valse dogma’s van onze tijd: ten eerste dat er een wereld zou kunnen bestaan zonder individuen, en ten tweede dat er alleen nog maar individuen zijn en geen wereld buiten onszelf.’ Als ik dat goed ontcijfer bedoelt Heijne dat literatuur en journalistiek nog steeds de beste media zijn en dat internet vooral een hoop gebazel oplevert.

Ondanks deze kritische visie op het dubbelproces van democratisering en commercialisering, is Heijne zelf onmiskenbaar deel van deze zelfde cultuur. Ter introductie van zijn theoretische bronnen vermeldt hij steevast dat het bestsellers zijn, als zouden de hoge verkoopcijfers garant staan voor juistheid en relevantie. Ook cultuurkritiek is inmiddels food for the millions geworden en daardoor deel van het verschijnsel dat het ooit beoogde te verklaren. Heijne’s wat conservatieve visie op de huidige technische ontwikkelingen maakt het hem onmogelijk te zien wat er is gewonnen door al dat gestuntel van amateurs op het net. Door uit te gaan van de positie die hijzelf in de massacultuur heeft verworven, ontgaat hem wat voor plek de doe-het-zelvers hebben opengelegd. Als de huidige twee miljard gebruikers van internet als unieke auteurs zo objectief mogelijk zouden berichten over wat er in de buitenwereld plaatsvindt, zou het dan wel goed zijn? Alsof kranten niet vol zouden staan met onzin en de eminente auteurs van dit moment, ‘de mensen die ertoe doen’, genoeg tijd zouden hebben om naast hun lezingen, interviews, expertmeetings en werkbezoeken nog vuistdikke volumes vol te schrijven. Daar hebben ze hun studenten en hun editors voor, die voor studiepunten of op freelance-basis het intellectuele niveau van hun losse aantekeningen opkrikken tot volwaardige tijdsanalyse. De wereld waar Heijne naar terugverlangt heeft nooit bestaan, bestaat ook nu niet en zal in de afzienbare toekomst ook niet aanbreken. Door in algemene, vaag omschreven en bekend veronderstelde begrippen te schrijven, roept Heijne een beeld van de wereld op waarin je wel goede bedoelingen mag hebben, maar waaraan je niks kunt veranderen.

Jorinde Seijdel heeft haar essay over de waarde van de amateur in de stijl van het eigentijdse kunstvertoog geschreven. Dat is even wennen, maar als je geen haast hebt blijken er interessante analyses mee te kunnen worden gemaakt. We komen de amateur in twee vormen tegen in de media. De eerste is die van reality-speler, die groepsgewijs opduikt op onbewoonde eilanden, bij rimboestammen en in afgesloten huizen of zelfs een gouden kooi. Ze doen mee aan weken omspannende shows waarin ze zich professioneel moeten leren gedragen als zanger of danser bij een van de programma’s waarin een nieuwe hoofdrolspeelster voor een musical of videoclip wordt gezocht. ‘De openheid van de professionele werelden die via de reality-programma’s gepropageerd wordt voor de niet-professionele gewone mens, voor het publiek, is eveneens gespeeld. Juist de afvallers en verliezers moeten voor spanning en sensatie zorgen. Wat uiteindelijk echt is aan deze programma’s is de productie en distributie van affecten, van emoties en gemoedstoestanden door het publiek voor het publiek.’ Terwijl gedaan wordt alsof iedereen uiteindelijk een ster kan worden, wordt tegelijk getoond dat dat maar op één manier kan: volgens de regels van de experts die de format bedenken en de jury bevolken. Dat is de ideologie van de professional. Wat niet ideologisch is, is het vermogen van reality-professionals om affect op te roepen, niet door zelf grappig of zielig te doen, maar door omstandigheden te creëren waarin anderen dat ongeremd doen. Een amateur kan dat nog, maar de professional maakt er een succes van.

Seijdel analyseert deze ‘praktijk’ als resultaat van wat na de post-industriële samenleving inmiddels het ‘post-fordistisch systeem’ is geworden. De productie van materiële goederen, waarvoor strak georganiseerde bedrijven met lopende banden en tijdsregimes nodig waren, is vervangen door de ‘immateriële productie van informatie, ervaringen, diensten en tekens, waarbij andere condities, zoals tijdelijke of losse arbeidsrelaties, en andere competenties en subjectiviteiten gelden, met name flexibiliteit, fysieke en mentale mobiliteit, creativiteit, potentialiteit, communicatie, performativiteit, virtuositeit en opportunisme.’ Seijdel beschrijft hier de huidige arbeidsverhoudingen in de creatieve industrie, waarin geen vaste banen meer worden vergeven aan schrijvers, illustratoren, fotografen, tv-medewerkers, grafisch vormgevers, editors, etcetera, maar waarin iedereen zich op eigen kracht en in telkens wisselende samenwerkingsverbanden maar moet zien te redden: in die leefwijze wordt het grote publiek getraind in de reality-shows. Zo bezien worden die programma’s opeens interessant, vind ik. Met zo’n uitputtende lijst van ‘competenties en subjectiviteiten’ in de hand kun je net zolang deelnemers afstrepen tot de overwinnaar vanzelf overblijft.

De tweede gedaante van de amateur is die van de ‘pro-sumer’, de producerende consument. Iedereen met een camera verbruikt tegenwoordig niet meer alleen maar filmrolletjes, maar kan z’n beelden op ongekende schaal en snelheid verbreiden. Tijdens de première van Sacha Cohens Brüno werd er al gesms’t dat het niks was, zodat de critici met oud nieuws de zaal uitkwamen. Al het materiaal op YouTube is gratis op te halen voor wie er een eigen film mee wil samenstellen. Ja, vraagt Seijdel, aan wie komt al die onbetaalde productiviteit nu ten goede? Alles dat op internet wordt gezet vormt onderzoeksmateriaal voor marktanalysten die jouw koopgedrag volgen en je dan bestoken met op jou toegesneden advertenties. Op internet betaal je met je privacy, take it of leave it. Door dit als ‘post-fordistische biopolitiek’ te interpreteren wordt het meer dan een cynische keuze waarvoor elke internetgebruiker zich gesteld ziet: het is een vorm van machtsuitoefening die inspeelt op je beïnvloedbaarheid en kwetsbaarheid, maar als je dat weet is verzet mogelijk. Zoals Seijdel hoopvol beschrijft: ‘Het innovatieve of democratiserende vermogen van de internetamateurcultuur, haar vermogen als tegencultuur manifesteert zich alleen op een minder zichtbaar microniveau in kleinere collaboratieve kennisprojecten, culturele open source experimenten, individuele blogs, marginale gemeenschappen, etcetera.’

Helaas zegt ze verder niets over die initiatieven, maar keert ze zich, door haar onderwerp verplicht, naar de amateur in de kunst. Haar conclusie dienaangaande is dat de amateur kunstenaars een ontsnappingroute biedt uit de verstikkende professionele sfeer, terwijl de amateur ook de drager wordt gemaakt van waarden als echtheid, waarheid en authenticiteit, die in het postmodernisme zo mooi onderuit waren gehaald. Seijdels final statement luidt: ‘De kunstenaar kan worden uitgedaagd om zijn professie te blijven herzien, om zichzelf opnieuw te positioneren binnen het gemeenschappelijke en publieke, zonder dat die betrekkingen zich laat reduceren tot een louter economische relatie.’ Als ik dit goed begrijp, zegt Seijdel dit. Anders dan Heijne beschouwt ze de ‘massacultuur’ niet als iets waar kunstenaars of zijzelf als auteur buiten staan, en ze benoemt het daarom als ‘het gemeenschappelijke en publieke’. Haar suggestie is nu dat er een andere relatie tussen kunstenaar/auteur en publiek mogelijk is dan dat de een zich laat betalen door de ander voor het vermaak dat hij biedt, zoals in Heijne’s neoliberale wereldbeeld. Seijdel had het over deze niet-financiële relatie toen ze die kleinere collaboratieve kennisprojecten en andere microgemeenschappen uitriep tot bolwerken van innovatieve en democratische tegencultuur.

Maar wat gebeurt daar nu precies? Wat ontdekken al die hardwerkende amateurs tijdens hun lange uren achter het beeldscherm? Wat weten zij dat Heijne ontgaat en waar door Seijdel alleen naar wordt verwezen? Verfrissend aan beide essays is dat ze niet meer werken met de uit het modediscours overgewaaide termen ‘identiteit’ en ‘narcisme’ – daardoor ontstijgen ze het weekbladniveau. De abstracte begrippen van Seijdel lijken me beter geschikt om de huidige tijden van massacommunicatie te analyseren dan de vagere maar wel zo’n beetje aanvoelbare noties van Heijne. Maar wat het met je doet als je de cultuurkritiek verlaat en daadwerkelijk meedraait in het post-fordisme – wat daar leuk en uitdagend en zinvol of verrijkend aan is – dat zul je van hen niet leren. Seijdel lijkt er iets van te begrijpen, getuige het feit dat ze het verder niet uitgewerkte alternatief noemt van ‘niet-economische relaties die toch productief zijn’. Daar gaat het blijkbaar nog steeds om in het leven, evenzeer in de kunst als de massacultuur.

Dit artikel verscheen eerder in 609, het kwartaalblad van het Mediafonds.

3 reacties

  1. Edu Braat schreef op 10 juni 2010 om 10:51

    Wat journalisten, schrijvers, dichters, musici, acteurs, recensenten, politici enz. enz. produceren valt samen te brengen als food for thought and/or emotion. Net als voedsel doet het iets met ons systeem, het veroorzaakt o.m. aangename of onaangename gewaarwordingen. het roept herinneringen en associaties op en soms aha-erlebnissen. En als je zoiets kunt produceren dat anderen waarderen, heb je in principe klanten die bereid zijn er in enigerlei vorm voor te betalen.
    Dat bestaat al sinds mensen religie en kunst uitvonden. Voortschrijdende technologie zorgt ook hier voor steeds nieuwe producten (zoals twitteren), terwijl voorschrijdende wetenschap maakt dat we e.a.a. steeds beter (denken te) begrijpen, en magische verklaringen vervangen door betere -waarmee vaak ook iets verloren gaat en daar hebben Zenmeesters e.d. dan weer brood aan.

  2. Wat is een amateur? Wanneer wordt een amateur een professional?
    Veel vernieuwing van de kunsten, wordt door amateurs in gang gezet, die vervolgens worden opgenomen in het gilde van de professional. Denk aan de vernieuwing van de dans, die de afgelopen vijftien jaar vooral op straat is ontstaan. Wie bepaalt wie er wel bij hoort en wie niet? Opvattingen over wat kwaliteit is en wat niet, zijn in grote mate cultureel bepaald en werken daarom vaak heel uitsluitend voor mensen die ‘ anders’ zijn. De eigenlijke betekenis van amateur is ‘ liefhebber’. Dat je het niet om den brode doet. Maar er zijn heel veel kunstenaars die er niet van kunnen leven. Noemen zij zichzelf dan amateurs? Er is dus een enorm grijs gebied, van mensen die dingen maken, schrijven, componeren en daar niet van leven.
    De kracht van amateurs, is vaak hun authenticiteit. Diezelfde authenticiteit is precies waarnaar de professional weer op zoek is. Het is soms lastig om, na een academische scholing, de oorspronkelijkheid te hervinden. Het zal steeds lastiger worden om het onderscheid te maken tussen amateur en professional, simpelweg omdat de toegangspoorten tot de podia, door het internet, minder streng beveiligd zijn. Is dat eigenlijk erg? Niet als je bedenkt, dat iedere kunstenaar ooit als amateur begonnen is. Wel als je ziet hoeveel bagger er via de diverse media dagelijks tot ons komt, maar die wordt ook net zo vaak geproduceerd door heuse profs.

  3. Pingback: Kunst om lief te hebben « De nieuwe reporter

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (439 van 891 artikelen)


"Wie ook eigenaar wordt van het ANP, voor mij is cruciaal dat ...