Het museum wordt een experience, komisch en lichtvoetig. Zo wordt de amateuristische beleving de standaard van de kunstbeschouwing. Het excellente moet boete doen voor haar uitzonderlijkheid.
Een aantal jaren geleden was ik in het Teylers Museum, Haarlem, waar een kleine tentoonstelling van tekeningen van Michelangelo te zien was. Het museum zelf is altijd een plezier om te bezoeken en ik verheugde me op de stille nabijheid van de hand van de meester. Toen ik de zaal met tekeningen betrad kwam ik terecht in een bad van zacht maar doordringend gelispel. Ongeveer 90 procent van de bezoekers liep met een koptelefoon op door het museum. Voor een bepaalde tekening die ik graag wilde zien stond een mevrouw van middelbare leeftijd twee minuten lang met gesloten ogen te luisteren naar de audiotour.
Plotseling viel mij op dat bijna alle bezoekers van deze show in hetzelfde ritme langs de tekeningen bewogen. Ze stonden stil en het zachte gelispel was hoorbaar. Het gelispel hield op en ze liepen door naar de volgende tekening waar het gelispel opnieuw begon. Het klonk– en het zag er uit als een groep bijen die zingend van de ene naar de andere bloem hoppen. Niemand bleef onredelijk lang voor een bepaalde tekening hangen, niemand sloeg er een over. De bewegingen van de groep lieten zich lezen als een overtuigend bewijs van het succes van de audiotour die zo langzamerhand door alle musea in de wereld wordt omhelsd als het ideale medium om de bezoekers door de collectie te leiden. Ongetwijfeld gebeurt dit met goede bedoelingen, maar het idee dat iedereen die het museum bezoekt hetzelfde hoort en denkt over de kunstwerken die hij of zij ziet, jaagt mij angst aan. Het lijkt mij in tegenspraak met wat musea en kunst eigenlijk zouden moeten faciliteren: een hoogst persoonlijke ervaring.
De vraag is wat die mevrouw met haar gesloten ogen zag, en of zij werkelijk de gedroomde bezoeker van het museum is. Niemand hoeft meer bang te zijn dat hij iets niet begrijpt, iedereen weet precies hetzelfde. Maar wat is er mis met ‘iets niet begrijpen’? Als er één ding is dat uitnodigt tot zelfstandig den ken dan is het onbegrip. Maar onbegrip of raadselen zijn niet toegestaan. Met een hoofd vol wiki-kennis verlaat de bezoeker het gebouw. Is dit wat men bedoelt met verheffing van het volk?
Kijkcijfers
Toen ruim een decennium geleden voor het eerst minderhedenquota werden verbonden aan de toekenning van subsidies voor musea, theaters en andere culturele instellingen werd daartegen nauwlijks inhoudelijk protest gehoord. Integendeel. Met de ijver van berouwvolle zondaars werden er allerlei pogingen ondernomen om het publieksbereik te verbreden en de drempels, waar aanwezig, te verlagen. Kinderen, negers en moslimmoeders: iedereen moest er aan geloven.
De gedachte hierachter is dat wat met overheidsgeld gefaciliteerd wordt door allen die onder die overheid vallen, geconsumeerd moet kunnen worden. Tevens speelt de gedachte dat hoe meer mensen ergens naar kijken, des te beter datgene is waarnaar gekeken wordt. Kijkcijfers, kortom. In no-time werd er een complete industrie uit de grond gestampt, wat mede mogelijk was door een overschot aan ‘communicatiewetenschappers’, kunstgeschiedenisstudenten en elders wegbezuinigde opbouwwerkers. Gespecialiseerde bureaus bieden totaalpakketten aan; musea maken juichend, alsof het de uitslagen van de eredivisie zijn, de bezoekersaantallen van het afgelopen jaar bekend.
In een folder van cultuurnetwerk.nl (“Kunsteducatie loont!”) wordt de voormalige Commissaris van de Koningin voor Noord-Brabant Houben geciteerd. De rellen destijds in Den Bosch zouden minder erg zijn geweest als de jeugd zich wat meer met cultuur had beziggehouden, beweert hij. Van veel kunst, zo impliceert de CvK, word je vanzelf een brave burger. Deze uitspraak is typisch in die zin, dat je over kunst eigenlijk alles kan zeggen zonder bewijzen aan te dragen. Aannames als hierboven krijgen door afwisselende bestuurlijke modes soms het gewicht van exacte kennis, maar het blijft wild geschoten hagel.
Diepzeeduikers
De verwarring begint al met het benoemen van het onderwerp. Men noemt het kunst of cultuur, maar wat daar precies mee bedoeld wordt is onderhevig aan politieke kleur en achtergrond. Wie aan kunst denkt kan ook denken aan waanzin, echtbreuk, drugsverslaving, armoede, miskenning en depressies. De gemiddelde levensverwachting van kunstenaars is lager dan die van diepzeeduikers. Maar dit soort geluiden hoort men eigenlijk nooit in deze branche. Wie luistert naar beleidsrichtlijnen en folders als van cultuurnetwerk.nl krijgt een beeld van kunst als een groene weide waar iedereen een uurtje per week in volstrekte harmonie om elkaar heen dartelt om vervolgens gepacificeerd terug te keren in de maatschappij. In dezelfde folder geeft een andere voormalige bestuurder, Saskia Bruines, nog eens een opsomming van de zalvende werkzaamheid van kunsteducatie: “Inspiratie, individuele ontplooiing, overdracht van waarden en tradities, een actief verenigingsleven, leefbaarheid en sociale samenhang: kunsteducatie levert aan dit alles een bijdrage. Kunsteducatie is belangrijk voor mensen, organisaties, scholen, voor gemeenten: voor de samenleving als geheel.”
Je vraagt je af waarom ten tijde van de publicatie van de folder het Acht Uur Journaal geen melding heeft gemaakt van de uitvinding van dit magisch elixer. Want – op hoofdpijn na – worden zo’n beetje alle problemen opgelost, indien we maar genoeg geld in de uitleg van kunst pompen. Wanneer je dezelfde heilzame werking aan steunkousen zou toeschrijven zou je evenveel gelijk hebben, maar vermoedelijk wel met de Voedsel- en Warenautoriteit te maken krijgen. Over zoiets onstoffelijks als kunst kun je echter alles beweren. De enige mensen voor wie kunsteducatie een bewijsbare verrijking van het leven was zijn de medewerkers van eindeloze rijen bureaus, stichtingen en belangengroepen die er in werkzaam zijn.
Opstand der horden
Ook wanneer er op de televisie iets over kunst wordt vertoond gebeurt dat het liefst aan de hand van mensen die er, zoals het vermeende publiek, ook geen snars van begrijpen. De amateuristische beleving is de standaard van de kunstbeschouwing. Vanuit het perspectief van de publieke omroep is dat, hoe treurig ook, nog enigszins te begrijpen. Anders wordt het wanneer de kunstinstellingen zelf zich vanuit de amateuristische beleving aan het volk gaan presenteren.
Onlangs zag ik de pilot aflevering van het Boijmans Journaal. Een educatief onderhoudend programma vanuit en over het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam, uit te zenden op de regionale televisie.
Rotterdam is een stad met veel problemen en spanningen. De bezoekersaantallen van het Boijmans zijn niet slecht, maar de bezoekers zelf nogal cultureel-etnisch homogeen. Dat kan natuurlijk geen toeval zijn en het verband is snel gelegd. Tijd om de handen ineen te slaan, in de hoop nieuwe doelgroepen kennis te laten maken met de plaatselijke museumschatten en de opstand der horden voortijdig te pacificeren. Alles uiteraard lichtvoetig en met een knipoog, want kunstprogramma’s zijn altijd zo saai, en de kijker is bij de geringste verdieping of verstilling weggezapt. Dus mag Erwin Kroll in de eerste uitzending oorsprong en functie van mode uitleggen. In de komende twaalf afleveringen gaan – volgens plan – tien bodybuilders samen kijken naar een foto van Bas Jan Ader en een groep gesluierde moslimmoeders op bezoek bij de Toren van Babel. De gedachte achter deze serie is het – wederom op geen enkel inhoudelijk argument gebaseerde – idee dat het goed is om met een leugenachtige voorstelling van zaken nieuwe doelgroepen over de drempel te helpen, en de nog onwaarschijnlijker aanname dat dit met deze televisieserie, waaraan volgens de makers een ‘uniek concept’ ten grondslag ligt, zou lukken. Niet alleen buigt het museum hiermee voor de populaire gedachte dat alles wat stilstaat en geen geluid maakt saai is – de voice-over verzucht bij een negentiende-eeuws rivierlandschap van Koekoek: “Ik ben dol op oude kunst, het is alleen wat statisch. Wat zou het fijn zijn als die molen eens ging draaien…” – bovendien is het valse reclame. De zeldzame TV Rijnmondkijker die na aflevering 1 voor het eerst naar het museum gaat, uiteraard in de verwachting van komische sketches en populaire meningen, kan zich met enig recht beroepen op consumentenbedrog. De vaste bezoeker die zich door vingervervende havenarbeiders moet worstelen om bij een van zijn favoriete schilderijen te komen evenzeer.
Verleuking
Al deze activiteiten van musea, schnabbelaars in de culturele sector en verschillende overheden duiden kennelijk op een groot en acuut probleem. Dat probleem is er inderdaad, maar het wordt van de verkeerde kant benaderd. Het probleem is niet dat er te weinig bezoekers naar de musea komen, het probleem is niet dat het doorsnee publiek geen toegang heeft tot onze kunstschatten (wat is er gebeurd met het algemeen onderwijs, internet, bibliotheken en persoonlijke nieuwsgierigheid?). Het probleem is dat de verleuking wordt omhelsd en dat wat heilig en kostbaar had kunnen zijn genivelleerd wordt tot een ‘experience’. Het excellente moet boete doen voor haar uitzonderlijkheid omdat het museum blijkbaar niet in staat is haar kunstschatten op eigen voorwaarden te verdedigen.
In de pilot zit een tenenkrommende scène waarin de directeur van het museum aan een keukentafel zit met de kunstenaar Walter Van Beirendonck. Tussen hen in de vrouw van een suppoost, die een appeltje schilt en werkelijk alles verbazingwekkend vindt. Het babbbelt wat heen en weer. Geen enkele vraag of opmerking gaat de diepte in. Voor je ook maar iets hebt opgestoken is daar weer Erwin Kroll.
Onvoorbereid
Mijn meest waardevolle ervaringen met kunst onderging ik onvoorbereid. Toen ik achttien was zag ik in een filmhuis in Amsterdam-Noord mijn eerste Bergmanfilm. Godzijdank was er niemand om het uit te leggen en ik was drie jaar lang van slag. Een jaar later liep ik door Parijs. Hongerig en ongelukkig verliefd. Ik liep een galerie in en voelde een hevige ontroering bij het zien van de foto’s van ene Henri Cartier-Bresson. Hetzelfde is mij overkomen met componisten, schrijvers, grotschilders en pottenbakkers. Deze intieme, individuele en onvoorbereide ontmoeting is naar mijn mening essentiëel voor de beleving en de waarde van kunst. Niet het samen knutselen en het als makke schapen wandelen aan de leiband van de audiotour.
De allergrootste betekenis van schilderijen, objecten en beelden is dat ze ons onbewogen door de tijd over eeuwen heen in diepe stilte recht in de ogen kijken. De schoonheid van kunst is een mysterie. Dat een museum met één van de prachtigste collecties ter wereld zichzelf met behulp van een plaatselijke comédienne en een multiplechoiceformulier aan de wereld wil verklaren, in plaats van die collectie op haar eigen waarden te verdedigen is het verraad van dit mysterie. Onderwijs dient er voor om mensen als zelfstandig denkende wezens op te leiden zodat zij dit mysterie deelachtig kunnen worden. Kunsteducatie in de hier gepresenteerde vorm bereikt precies het tegenovergestelde, en zou derhalve verboden moeten worden.
11 juni: Seminar ‘Artcasting – The Art Museum as Producer of the Moving Image’
Het Mediafonds en het Doku.Arts festival organiseren i.s.m. het Stedelijk Museum Amsterdam een seminar voor professionals en geïnteresseerden. Er zal gesproken worden over de toenemende belangstelling van moderne kunst-musea voor (de productie van) het bewegend beeld en de filmgeschiedenis. Tot de deelnemers behoren curatoren van Tate Modern (Londen), Centre Pompidou (Parijs), Museum Boijmans van Beuningen (Rotterdam) en het Stedelijk Museum Amsterdam.
Dit artikel verscheen eerder in 609, het kwartaalblad van het Mediafonds.
2 reacties