Geen kans op kunst

Dit is de tweede reactie op de debatbijdrage De cultuurambities van de omroep.

Het pleidooi van Tom Rooduijn gaat er feitelijk van uit dat de publieke omroep min of meer een geheel is, zoals een fusiekrant die is opgebouwd uit voorheen zelfstandige kranten (denk de laatste jaren aan het AD of, langer geleden, aan de NRC en het Algemeen Handelsblad) – bij die krant staat de synergie nog in de kinderschoenen, maar met een voortvarend beleid moet daar een efficiënt geheel van te maken zijn, waarin zich bijvoorbeeld één grote cultuurredactie bevindt met daaraan gekoppeld een netwerk van specialistische medewerkers.

Maar dat is niet zo. De publieke omroep is veel meer een kiosk die wordt gevuld door drie leveranciers (de netmanagers), die gedrieën aan komen zetten met ieder een zeer divers pakket kranten & tijdschriften – de programma’s. Die handel hebben ze besteld bij een nogal rommelig en af en toe wisselend gezelschap uitgevers (de omroepen), en in onderling overleg zetten ze gedrieën zelf de producten in het schap. Naast de publieke kiosk bevindt zich een concurrent die een veel overzichtelijker, puur commercieel pakket verkoopt, en de twee winkels zijn permanent in de slag om het marktleiderschap.

Baantjes te vergeven
‘s Nachts in zijn bedje droomt zo’n publieke leverancier er wel eens van dat het zowel kwalitatief als financieel en organisatorisch toch veel handiger zou zijn om bijvoorbeeld de cultuurbijdragen voor al die kranten & tijdschriften uit de koker van één centrale redactie te laten komen, maar daar willen die uitgevers helemaal niet aan. Sterker: de laatste jaren zijn ze noodgedwongen wel een beetje meer te gaan samenwerken, en soms beviel dat nog ook, totdat ze er achter kwamen dat de buitenwereld ging concluderen dat ze dan net zo goed konden fuseren. Een minderheid in die buitenwereld had dat altijd al een goed idee gevonden, maar de meerderheid helemaal niet – zo’n beetje elke uitgever had van oudsher banden met specifieke groepen in die buitenwereld, en die groepen zagen de uitgevers op hun beurt weer als een soort van eigendom. Beide partijen vonden dat eigenlijk altijd wel prima: de een hield de ander uit de wind, en als er baantjes te vergeven waren kon dat onderling altijd fijn geregeld worden.

Dode schrijver herdenken
Dan was het, concludeerde men, maar beter om die samenwerking niet te ver te laten gaan, sterker: flink terug te draaien. En dus kruipen ze allemaal weer richting hun eigen hokjes, hun eigen deelredacties, hun eigen titels, want anders zorgt het stempel van de kiosk voor het imago van eenheidsworst. Meer onderscheid dus, en daarin worden ze gestimuleerd door hun belangrijkste financier: die buitenwereld, oftewel de politiek.

Die politiek heeft nog veel meer dwangmatige wensen & eisen: zo wil men dat de populairste titels vooraan in het schap komen te liggen om hun marktaandelen zo hoog mogelijk te maken, want dat doet de commerciële buurman ook en die moet beconcurreerd worden. En dus maakt de politiek zich veel meer zorgen als het goed verkopende puzzelblaadje ineens uit de handel dreigt te verdwijnen, dan wanneer iemand vergeet (“Rudy wie?”) een dode schrijver te herdenken.

Ga dan vooral niet doen wat de buurman ook niet doet: het accent leggen op handel die niet verkoopt. Zoals cultuur. Zeker, dat deel van de handel maakt de publieke kiosk veel sjieker dus adverteert men op de gevel met een vast pakket, ter onderscheid van die ordinaire buren. Maar mede onder druk van de door de politiek opgelegde marktwerking is dat vaste percentage culturele titels weggestopt ergens in de randen van het schap – de potentiële klanten moeten er echt naar gaan zoeken.

731ste commisie
Natuurlijk willen wij, die klanten, dat anders – wij willen onze cultuur voor het grijpen hebben, en om dat te bereiken willen we echt wel ver gaan; dan doen we een halfslachtige poging om een echte culturele omroep op te richten, en als dat niet lukt laten we enkelen onder ons, die eerst hun geld verdiend hebben met het bestendigen van die marktwerking en daar nu qua goed betaald publiek pensioen toch de tijd voor hebben, een warm pleidooi houden voor een Echte Publieke Omroep. Want dat is pas sjiek, als we zeggen dat we in prime time naar kwaliteit willen kunnen kijken – en dat we de NPO willen organiseren als de BBC, waar de best & the brightest onder de makers zich bijvoorbeeld kunnen richten op één goed dagelijks actualiteitenprogramma. Maar in de praktijk doen we daar eigenlijk helemaal niets aan, c.q. doen we het tegendeel: om te beginnen kijken we, als er dan al iets cultureels te zien is, zelf nauwelijks – we lezen blijkbaar liever een goed boek, hoewel we die boeken van Rudy Kousbroek nou ook weer niet massaal hebben aangeschaft. En we stemmen in grote meerderheid op politieke partijen die de omroeppraktijk juist in stand willen houden.

Ach, stiekem vinden we het eigenlijk allemaal ook wel best. Want wie weet levert het straks weer een fijn betaald bijbaantje op in de 731ste commisie voor de toekomst van de Publieke Omroep. Nee, niet voor Tom Rooduijn en mij, daar is ons pensioen niet toereikend voor.

Lees ook de reactie van Oscar van der Kroon en de commentaren onder dat artikel en dat van Rooduijn.

609 is het kwartaalblad van het Mediafonds.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (426 van 891 artikelen)


Vorig jaar was het somberheid troef in de journalistiek. De recessie hakte ...