Mediabeleid is cultuurbeleid
De verkiezingsprogramma’s voorspellen zwaar weer voor publiek gefinancierde media en cultuur. Het is tijd voor een integrale visie op publiek mediabeleid. De oude schuttingen tussen de beleidsterreinen zijn immers in hoog tempo aan het verdwijnen.
In mediabeleid en cultuurbeleid zijn gelijksoortige ontwikkelingen gaande. In de media verdwijnt in hoog tempo het onderscheid tussen elektronisch en gedrukt aanbod. Kranten en tijdschriften zijn steeds actiever op internet, ook met beeld en geluid; zij zien het aanbieden van betaalde diensten aldaar als een belangrijke weg om hun financiering op peil te houden en te verbeteren. Omroepverenigingen behoren al jaren tot de belangrijkste uitgevers van publiekstijdschriften, kranten hebben belangen in radio- en televisiezenders verworven. Steeds vaker gaan publieke omroeporganisaties en commerciële uitgevers samenwerkingen aan met als doel met publiek geld gemaakte mediaproducties te vermarkten. Het monopolie op distributie is verdwenen; er zijn nu ongelimiteerde mogelijkheden om inhoud digitaal te verspreiden.
Natuurlijk geldt hier de wijsheid dat nieuwe ontwikkelingen langzamer hun beslag krijgen dan gehoopt door hun profeten. Maar ze gaan toch echt veel sneller dan gevreesd door the powers that be. Nog maar vijf jaar geleden stegen de oplagen en het advertentievolume bij dagbladen nog. Nog maar vijf jaar geleden werd YouTube opgericht. Pas twaalf jaar geleden kwamen de oprichters van Google op een lumineus idee…
Ook in de kunsten zijn in hoog tempo scheidslijnen tussen disciplines weggevallen. Dat proces was al decennia aan de gang, maar de nieuwe elektronische media zorgen nu voor een beweging waarvoor de naam ‘stroomversnelling’ een understatement is. Erfgoedinstellingen (musea, maar ook bibliotheken en archieven zoals Beeld en Geluid, het Filmmuseum) zijn bezig hun totale bezit te ontsluiten voor thuisgebruik. Hun gebouw is niet langer de plek waar publiek naartoe moet worden gelokt, maar eerder een nevenfunctie, een extraatje naast de elektronische kerntaak. Musea en toneelgroepen treden steeds meer zelf op als producent van films, die zowel via traditionele televisie als via het web genoten kunnen worden. Schrijvers en uitgevers realiseren zich dat ze de consequentie moeten trekken uit de omstandigheid dat gedichten nu eenmaal vaker ‘live’ worden genoten dan in de vorm van een gedrukte bundel en dat de aan literatuur gewijde communities de gemeenschappen zijn waar het echte gesprek over boeken plaatsvindt.
Boeken? De vraag is hoe lang het gedrukte boek nog verkozen zal worden boven het eBook. In kringen van filmdistributeurs, waar de gevolgen van elektronische verspreiding al veel langer het belangrijkste probleem vormen, is de vraag welke beleving de gang naar de bioscoopzaal toevoegt. Vandaar de restaurants, de 3D-brillen, de voor- en nagesprekken, de marathons en hier en daar al de eerste versmeltingen van film en toneel.
Kunstmatige beperkingen
Betekent dit nu dat alles nieuw is, dat alle oude vormen en gedachten zijn gestorven en we vanuit de oersoep opnieuw moeten beginnen? Nee, de traditionele kern van disciplines blijft natuurlijk gewoon bestaan. Het vertellen van een goed verhaal met een begin en een eind, het schilderen met olieverf, de monoloog van een begaafd acteur waar we ademloos vanuit een donkere zaal naar luisteren. Gezien vanuit instellingen en fondsen kunnen dat heel goed de kernen zijn van beleid, zolang maar erkend wordt dat de buitengrenzen niet meer zijn af te bakenen. Dat er een groot spannend iedersland is waar kunstenaars zo min mogelijk moeten worden gehinderd door kunstmatige beperkingen.
Voor beide sectoren, de media en de cultuur, geldt dat de ontwikkelingen niet te stuiten zijn en ook geen angst hoeven aan te jagen. Maar voor zover ze met publiek geld worden gefinancierd zijn er wel problemen. En die lijken – niet verrassend gezien de invloed van dezelfde technologische ontwikkelingen – ook weer sterk op elkaar. Voor beide sectoren geldt dat de overheid met de mond belijdt dat er ‘integraal beleid’ zal moeten worden gevoerd. Voor de media betekent dit dat gedrukte en audiovisuele media in samenhang worden bekeken, iets wat de WRR en de Raad voor Cultuur al jaren bepleiten. Maar dat gebeurt niet.
Ziektebeeld
Het vorige kabinet meende dat door het nemen van enkele incidentele maatregelen, deels op aanbeveling van de Commissie Brinkman en voornamelijk op het gebied van werkgelegenheid, het dossier voor de gedrukte pers voorlopig kon worden gesloten. Voor publieke radio en televisie werd besloten tot een vijf jaren geldend Concessiebeleidsplan waarin alle activiteiten van de nationale omroep gedetailleerd worden vastgelegd. Er zijn twee nieuwe omroepverenigingen met hun wortels in het Telegraafconcern toegevoegd aan het toch al nauwelijks te coördineren aantal zendgemachtigden in het Hilversumse bestel. Maar nog voor die nieuwe concessieperiode moet beginnen, in september, lijken bijna alle betrokkenen – regering, Kamer, maar ook de top van de publieke omroep – het erover eens dat het systeem vrijwel onwerkbaar is en dat juist veel minder omroepen de publieke taken zouden moeten vervullen.
Iets gaan doen en tegelijkertijd weten dat wat je doet geen goed idee is: er is vast een mooie naam voor dat ziektebeeld. Belangrijker lijkt mij dat de politiek zich nu realiseert dat de problemen die binnen het omroepbestel zijn veroorzaakt geheel en al op het conto van diezelfde politiek komen. Het gaat dan ook niet aan om de onvrede over de inrichting van het bestel nu in de vorm van bezuinigingen op diezelfde publieke omroep af te wentelen.
Gaat ook hier de parallel met de kunstsector op? In grote lijnen wel. Vaak lijkt het of niet het beleid de kunst volgt maar de kunst zich in het beleid moet persen. De geschetste ontwikkelingen van interdisciplinariteit en multimediagebruik hebben hier vaak geleid tot het creëren van nieuwe instellingen en nieuwe regelingen, in plaats van het weghalen van barrières. En daarnaast bestrijdt men elkaar graag met juridische middelen als het gaat om aandacht en geld. Wat er bijkomt in de beeldende kunst, zou er immers wel eens af kunnen gaan bij de film. Sommige kunstvormen hebben belang bij de status quo, andere juist niet.
Een kunstbeleid dat rekening houdt met ontwikkelingen in alle kunsten en dus ook met de mediatisering daarvan, en pas dán kijkt naar de meest wenselijke organisatiestructuur, is iets wat op zijn minst als nastrevenswaardig zou kunnen worden erkend. Verkokering, het afschermen van beleidsterreinen die in werkelijkheid geheel of compleet vervlochten zijn, de ogen gesloten houden voor de reële en de virtuele werkelijkheid – dat zou niemand moeten willen.
Het voorgaande is geen pleidooi voor een grootscheepse nieuwe organisatie van ofwel het omroepbestel dan wel de kunstensector. Beide zijn eerder overdan ondergereguleerd. Beide sectoren worden bevolkt door mensen die hard en met grote bezieling werken tegen vergoedingen waarvoor men elders in de samenleving zijn neus ophaalt – een enkele operazanger of televisiepresentator uitgezonderd.
Inhoud vóór organisatie
De politiek zou moeten worden aangemoedigd programma’s en projecten van de publieke media – radio, televisie en internet zijn als categorieën steeds minder te scheiden – op inhoud te (laten) beoordelen en zich minder bezig moeten houden met de organisatie van de nationale omroep. Den Haag zou Hilversum op grotere afstand moeten besturen. Dat vergt natuurlijk wel de discipline van partijen in Hilversum om niet steeds een beroep te doen op datzelfde Den Haag. In plaats van de huidige cyclus van reorganisatie-opbezuiniging- op-reorganisatie zou het volgende kabinet er goed aan doen eindelijk te komen met een integrale visie op publiek mediabeleid. Wat is er op het gebied van informatie, journalistiek, cultuur en wellicht ook amusement van zodanige maatschappelijke waarde dat het publieke ondersteuning verdient? Stel dat vast, en laat de uitwerking dan aan professionals over.
Fusie?
De kunstenwereld heeft een veel grotere vrijheid om zichzelf opnieuw te organiseren. Er is wel koudwatervrees, maar er staan geen sancties op samenwerking tussen bijvoorbeeld de cultuurfondsen. De fondsen voor de letteren zijn dit jaar gefuseerd. Over een dergelijke fusie bij de fondsen voor beeldende kunst wordt al jaren gesproken. Maar is zo’n moeizaam en altijd energievretend proces wel nodig? Informeel overleg, minder krampachtige concentratie op het eigen beleidsterrein en het weghalen van de schotten om de eigen begroting zijn middelen die een doelmatiger aanpak bevorderen. En doen bovendien recht aan de ontwikkelingen in de kunst zelf, die altijd sneller gaan dan de beroepsregelaars kunnen bijbenen.
Een geslaagd voorbeeld van zo’n aanpak op kleine schaal is de samenwerking tussen het Fonds BKVB (Fonds voor beeldende kunsten vormgeving en bouwkunst) en het Mediafonds op het gebied van games: artistiek gezien een interessant nieuw medium waaromheen van alles beweegt. Dus: liever een gemengd samengestelde commissie die kan scouten, beoordelen en normen ontwikkelen, dan eerst een reglement, een bestuursstructuur of zelfs, god bewaar ons, een heel nieuw fonds. Een fusie? Een uitwisseling op onderdelen? Dat kan later altijd nog, op het moment dat er zoveel wordt samengewerkt dat zoiets niet meer dan logisch is. Levert deze aanpak geld op? Vermoedelijk wel, net zoals het aangaan van nieuwe verbindingen tussen traditionele omroepinstellingen en cultuurproducenten geld zou kunnen opleveren. Maar waar er zoveel goede inhoudelijke redenen zijn om dat te doen, zou het jammer zijn als het er pas van komt onder druk van bezuinigingen.
Netwerkfuncties
Een recent rapport van de Raad voor Cultuur (Netwerken van betekenis, april 2010) tracht de consequenties voor digitalisering voor de hele cultuur te benoemen en komt tot een soortgelijke conclusie. Instituties zouden niet alleen hun eigen klandizie (aanvragers/ publiek) moeten bedienen maar ook netwerkfuncties moeten vervullen ten opzichte van elkaar. Helaas komt dit advies niet tot concrete aanbevelingen, waarin man, vrouw en paard worden genoemd. Zoals de Raad, die juist op dit heikele moment voor de kunsten en de media een cruciale rol zou moeten vervullen, eigenlijk in alle opzichten over de grote lijnen zwijgt. Het hoogste orgaan dat de overheid gevraagd en ongevraagd van advies dient op het gebied van kunsten en media, brengt bij voorkeur deeladviezen uit, keurig geordend naar de bestaande structuur.
Mediabeleid was altijd al cultuurbeleid. Dat is het nu – om interne zowel als externe redenen – meer dan ooit. En dus niet alleen omdat volgens opiniepeilingen de publieke omroep en de kunsten schouder-aan-schouder hoog in de top tien van door de kiezer gewenste bezuinigingen staan.










Geen reacties.