De tijdelijke persinnovatieregeling, het Stimuleringsfonds voor de Pers heeft het er maar druk mee. Afgelopen maand werden 15 nieuwe projecten verblijd met de mededeling dat hun aanvraag gehonoreerd was, en deze zomer wacht de tweede ronde, voor minstens hetzelfde aantal innovatieve initiatieven. Hoe effectief zal deze vernieuwingsprikkel zijn? Toont de mediasector interesse in de ruim acht miljoen die dit jaar voor sectorinnovatie beschikbaar is? Lou Lichtenberg, directeur van het fonds, biedt desgevraagd overzicht en inzicht.
Animo was er in ieder geval voldoende. 60 aanvragen zijn voor de eerste gunningsronde ingediend (gevraagd bedrag 26 miljoen), en een kwart mag nu door. Details staan op de site van het fonds, maar voor het gemak: in totaal gaat 3.2 miljoen uit kas, en aangezien de aanvragers de verstrekte steun matchen wordt er nu voor zo’n 6,5 miljoen aan innovatieve projecten uitgegeven. Van de subsidiestroom gaat het merendeel naar initiatieven op lokaal en regionaal niveau (2,3 miljoen), de rest naar landelijke projecten. De verdeling in aantal tussen gevestigde media en nieuwe spelers is ongeveer gelijk, maar als je kijkt naar de toegewezen bedragen blijkt dat zo goed als alles naar de ‘oude’ media gaat (ruim 2,8 miljoen) en de resterende 4 ton naar bedrijfjes, stichtingen etc. die met online-projecten deel willen gaan uitmaken van het medialandschap.
Wat waren de afwegingen bij het geven van groen licht? Het Stimuleringsfonds heeft zich bij het nemen van besluiten laten bijstaan door wat leden van de (eveneens tijdelijke) commissie Brinkman, aangevuld met enige wetenschappelijke expertise op het gebied van procesvernieuwing. De deskundigen oordeelden over het innovatieve karakter van de aanvragen, het bestuur van het fonds bezag de journalistieke relevantie van de voorgestelde projecten. Verdere richtlijnen werden als belemmerend gezien, dus veel kon: nieuwe content, andere methoden van werken, lokale strategische allianties, handige koppeling van diensten. Opvallend is de afwezigheid van de grote bladen en tijdschriften. De omroep speelt mee, maar alleen de lokale commerciële variant, en dan in samenspraak met de regionale pers.
Leerzaam falen
Zullen we nu op korte termijn van alle persellende zijn verlost? Dat is zeer de vraag. Lichtenberg wijst op het langjarige karakter van mediavernieuwing. Innoveren is, ook de WRR schreef daar een opmerkelijk rapport over, vooral een proces van leerzaam falen. Doorgaans slaagt maar een op de tien projecten, maar de andere dragen wel bij aan inzicht hoe het beter kan. Binnen de Nederlandse media is de praktijk veel opportunistischer. Lichtenberg: ”Als er in het verleden al een besef was van de noodzaak tot aanpassing, dan eerst en vooral langs de weg van kostenreductie: schaalvergroting, de kaasschaaf of het schrappen van R&D-budgetten; lucht voor de korte termijn maar uiteindelijk een dodelijke strategie. En voor zover iets nieuws werd ondernomen, moest een initiatief zich onrealistisch snel bewijzen en boven alles terugverdienen.” Heeft dat geleid tot voortijdig geaborteerde innovatieprojecten? Het antwoord is bevestigend: alle grote persconcerns hebben het schaamlijstje paraat.
Maar wat dan wel? De hoop vestigen op nieuwe, onorthodoxe spelers die de sector ‘van buitenaf’ gaan vullen met meer eigentijdse media-uitingen? Aan die conclusie is de directeur van het Stimuleringsfonds niet toe. Lichtenberg kiest vooralsnog voor een bundeling van ervaring en inspiratie, en wel op twee niveaus: door gevestigde media meer dan tot nu toe te laten samenwerken met marktpartijen zonder lange traditie in het publiceren, en door binnen organisaties de oude garde met jonge honden op gezamenlijke projecten te zetten. Dat dan in een setting van voortdurend experimenteren.
De twee tranches projectgunningen die het Stimuleringsfonds in 2010 verwerkt zullen samen moeten bijdragen aan de vestiging van dit innovatieklimaat. Hoe precies is nog onderwerp van overleg, maar de hoop is wel dat begin komend jaar er een ‘spoorboekje’ voor media-innovatie zal liggen. Daarin dan de strategische termijnopties die zich aandienen, samengebracht in een soort matrix waarmee innoverende media zelf hun veranderroute kunnen uitstippelen. In de trant van: als ik dat type product wil lanceren, met die informatiedrager, voor een als volgt gedefinieerd doelpubliek, dan zijn de volgende zaken aan de orde. Fundamentele en weloverwogen keuzes dus, en niet langer de staande praktijk van meedeinen met de waan van de dag of even snel wat proberen zodra zich weer een stukje nieuwe technologie aandient. Dat spoorboekje dient dan wel in nauw overleg met de sector in elkaar gezet te worden, want “het parachuteren van oplossingen heeft nog nooit gewerkt”.
Materiële informatiedragers
Heeft Lichtenberg zelf nog een termijndoel, een stip aan de horizon? Dat blijkt zo te zijn. Hij gelooft sterk in een blijvend pluriforme, toegankelijke en onafhankelijke journalistiek, maar veel minder gebaseerd op de materiële informatiedragers en meer op de per saldo uitgeoefende informatieve functies. Bij de invulling daarvan dient er een gelijk speelveld voor iedereen te zijn, minder privileges dus voor een beperkt aantal grootmachten, meer aanknopingspunten voor de maatschappij in al zijn schakeringen.
Zoals gezegd is met een jaar prikkelen en experimenteren de mediasector niet uit de problemen. Fundamentele transities van het kaliber internet nemen rustig 20 jaar om tot volle wasdom te komen. Dat vergt voortgezette en zelfs geïntensiveerde innovatietrajecten. Of het nieuwe kabinet daarbij weer de helpende hand biedt is een open vraag. Wel bepleit het Stimuleringsfonds continuïteit bij fractiespecialisten en ministeries. Eind dit jaar moet duidelijk zijn of die lobby tot een voortzetting van de innovatieregeling leidt.