Zoals moderne legers steeds meer vertrouwen op ‘special forces’, zo kan ook de journalistiek de oorlog om het eigen voortbestaan niet winnen met het opleiden van standaard zandhazen.
Het was groter nieuws dan je op grond van de vaderlandse media-aandacht zou denken. Biologisch genie Craig Venter kondigde op 20 mei aan de eerste bacterie te hebben geproduceerd met een kunstmatig genoom.
Mijn Twitter-bericht over de mogelijke implicaties van die vinding voor de geneeskunde, leidde tot een reactie van een journalist in opleiding. Zijn reactie kwam er geparafraseerd op neer of ik ook niet vond dat de vinding zinloos was – ‘want voor elke ziekte die door menselijk toedoen verdwijnt, verzint de natuur een nieuw euvel’.
Ik moest een beetje overgeven in mijn mond.
Totale onzin, zoals iedereen met enige kennis van het succes van het rijks- en WHO-vaccinatieprogramma weet. Dat een toekomstig lid van mijn beroepsgroep denkt met het uiten van dergelijke cryptomystieke Klazien uut Zalk-lulkoek een relevante, laat staan kritische, vraag te stellen, baart me daarom meer zorgen dan een willekeurig aantal opengemaakte vuilniszakken door, of van, Jan Dijkgraaf.
Selecteren
Sinds 2005 geef ik regelmatig les aan studenten journalistiek – het meest recent aan de Erasmus Universiteit, daarvoor aan de universiteiten van Groningen en Leiden – en dat is een voorrecht. Je ontmoet slimme, jonge, bevlogen mensen die je hoop geven voor de toekomst van het vak.
Daardoor zou je bijna vergeten dat zich ook mensen aanmelden voor opleidingen journalistiek die minder geschikt zijn. En nog worden toegelaten ook – onder meer omdat lang niet alle opleidingen hun studenten mogen selecteren.
Dat selecteren kan me niet streng genoeg gebeuren. Maar dan wel op de juiste gronden. Nog altijd zijn er opleidingen die wel selecteren maar daarbij vooral kijken naar de vaardigheden die vroeger van belang waren, en niet naar de skills die straks nodig zijn.
Zelfreflectie
Hoe ziet een ideale student journalistiek eruit? Allereerst moet je, net als nu, selecteren op interesse in en kennis van het nieuws. En enige ervaring opgedaan bij de lokale omroep of gedrukte media – al is het maar de schoolkrant – is ook niet weg. Op zijn minst toont het enthousiasme.
Het spreekt voor zich dat je ook in een vroeg stadium probeert poseurs uit te wieden. Een aspirant-student(e) die beweert al geruime tijd tweewekelijks The New Republic te lezen maar die niet weet dat dit blad Amerikaans is in plaats van Brits, schiet niet alleen tekort qua kennis, maar ook qua zelfreflectie. (Dit is helaas een echt voorbeeld, al heb ik om absoluut uit te sluiten dat de student(e) getraceerd kan worden, de naam van het blad veranderd.)
Maar dat is het begin. Als we er vanuit gaan dat journalisten doelgroepen moeten bedienen die steeds hoger zijn opgeleid, volstaat het niet om vakgenoten te trainen die zelf academisch maar moeilijk kunnen meekomen.
Niet dat elke aspirant-student een 8 of hoger voor zijn of haar bachelorscriptie moet scoren. Ander bewijs van een bovengemiddeld intellect en dito interesse mag ook. Ik denk dan, ietwat tongue-in-cheek, bijvoorbeeld aan een versleten bibliotheekpas of hele hoge rekeningen van Amazon.com.
Minstens zo belangrijk is veelzijdigheid, of de wens dat te worden. Zowel intellectueel als qua vaardigheden. En dan vergeet ik nog ondernemingszin. Een journalist moet zijn eigen uitgever kunnen zijn – zoals Olaf Koens dat regelmatig in de praktijk brengt.
Journalistiek commando’s
Wat we willen zijn niet zandhazen die een leger plus bijbehorende logistieke keten nodig hebben om te kunnen vechten, maar journalistieke commando’s die zogezegd van het land kunnen leven. Oftewel zich desnoods helemaal zonder een grote mediaorganisatie kunnen redden.
In de verte hoor ik thans een luid gerommel. Het is het woeste gestamp van een kudde studenten die zich verontwaardigd afvraagt of die Dasselaar ook nog wat gaat zeggen over de kwaliteit van docenten.
Zeker. Geen marinier in opleiding die een rokende sporttrainer met een dikke pens vertrouwt. En geen commando in training die kan leren hoe hij van het land moet leven van een instructeur die zelf alleen weet hoe hij een noodrantsoen openscheurt. (Opmerkingen over mijn eigen buikomvang zijn welkom in de comments.)
Intellectuele capaciteiten
Het spreekt voor zich dat een journalistiekopleiding alleen kan functioneren als er docenten werken die de praktijk niet alleen kennen, maar er ook onderdeel van uitmaken. En beschikken over de intellectuele capaciteiten om studenten uit te dagen het zware curriculum van de hierna vermelde, geïdealiseerde journalistiekopleiding succesvol af te ronden.
Want die opleidingen zijn thans veel te makkelijk, en dat heeft geleid tot de misvatting dat je om journalist te worden eigenlijk helemaal geen opleiding nodig zou hebben. Wat misschien inderdaad zo is als je takenpakket beperkt is tot het copy-pasten van ANP-berichten, maar dat de journalistieke werkgelegenheid in die hoek niet zal groeien, spreekt voor zich.
Arts
Het grootste misverstand over universitaire opleidingen journalistiek is dat je ze in maximaal anderhalf jaar kunt doen. Wat mij betreft wordt journalistiek morgen een fulltime universitaire bachelor, gevolgd door een master van twee jaar. Zonder major-/minorstructuur. Daar doen ze bij geneeskunde, een andere veeleisende praktische discipline waarvoor veel theoretische kennis nodig is, op sommige universiteiten immers ook niet aan.
Zoals een arts van alle organen in het lichaam het nodige moet weten om überhaupt aan zijn eerste praktijkstage te mogen beginnen, zo moet een journalist van alle wetenschappelijke disciplines iets snappen om over de maatschappij, die door diezelfde wetenschap bestudeerd wordt, verslag te mogen doen.
Een goede opleiding journalistiek zou toekomstige vakgenoten dus theoretisch breed moeten vormen in alle denkbare academische disciplines. Zoals de Amerikaanse liberal arts colleges dat doen, of in Nederland onder meer het University College Utrecht en de Roosevelt Academy in Middelburg.
Enige bèta-vorming mag daarbij ook niet ontbreken. Te vaak hoor ik van (aspirant-)journalisten dat ze ‘een typische alfa’ zijn. Alsof dat het onmogelijk maakt je in bèta-kwesties te verdiepen! En alsof de noodzaak om iets te snappen van wetenschappelijke disciplines die in sterke mate onze maatschappij vormen, niet enig ongemak waard is!
Kortom, een fusie van het curriculum van een liberal arts-opleiding met dat van de Amsterdamse bèta-gamma-bachelor lijkt me een uitstekende basis voor een aspirant-journalist tijdens de bachelorfase van diens opleiding.
9 tot 5-mentaliteit
Vooralsnog is de praktijk echter dat journalistiekopleidingen, zeker academische, zich qua het onderwijzen van theorie vaak concentreren op communicatiewetenschappen. Nuttig, zeker, en zelfs onmisbaar. Maar onvoldoende.
Natuurlijk moeten studenten ook praktijkvaardigheden leren. Dat kan bijvoorbeeld in 30 procent van de ruimte van de bachelorfase, en in 50 procent van de tijd van de tweejarige masterfase.
Tijdens de bachelorfase werken studenten anderhalf tot twee dagen (want een beetje journalist heeft natuurlijk geen 9 tot 5-mentaliteit) aan gezamenlijke crossmediale publicaties.
Veel te duur?
Crossmediaal, want het spreekt voor zich dat je anno 2010 geen mensen meer gaat opleiden in het beheersen van slechts één mediavorm, zoals het produceren van teksten óf het maken van filmpjes. Dat zou net zoiets zijn als een arts opleiden in louter het gebruik van de stethoscoop, maar niet de bloeddrukmeter.
In de masterfase mag van studenten worden verwacht dat ze voor hun producties succesvol een publiek weten te vinden. Oftewel: dat ze laten zien dat ze hun werk zelfstandig kunnen exploiteren. Je wilt per slot van rekening ook geen artsen laten afstuderen die louter in theorie een patiënt kunnen genezen.
Geïdealiseerd, onhaalbaar en veel te duur? Misschien. Maar op de huidige manier doorgaan met studenten opleiden is nog veel duurder. Dat zou ons zomaar ons prachtige vak kunnen kosten.
7 reacties