Het aftreden van Birgit Donker bij NRC Handelsblad heeft de discussie over de verhouding directie en hoofdredactie nieuw leven ingeblazen. Dat komt natuurlijk ook door de mindere tijden die we door de economische crisis beleven, waardoor die verhouding tussen directie en hoofdredactie onder spanning komt te staan. Daarbij zijn nieuwe meesters het land binnengetrokken, uit Groot-Brittannië en België, die een andere cultuur met zich meenemen als het gaat om de verhouding tussen directeur en hoofdredacteur. Het is overigens aan de Belgische leden van de grondwetcommissie te danken dat in 1815 de persvrijheid in onze Grondwet is opgenomen.
Beroep fier hooghouden
Historisch gezien is de scheiding tussen de zakelijke en journalistieke leiding in Nederland nogal streng, getuige ook de uitspraak, precies honderd jaar geleden van mr. Plemp van Duiveland toen hij het voorzitterschap van de Nederlandsche Journalisten-Kring aanvaardde. Bij die gelegenheid zei hij:
‘Wij moeten tegenover de directies ons beroep zeer fier hoog houden, in het bewustzijn dat, hoe onmisbaar ook de kapitaalkracht, de ondernemingsgeest, de commercieele eigenschappen zijn, die een dagblad-onderneming evenzeer behoeft als elke andere industrieele- of handelszaak, het tenslotte de geest, de bekwaamheid en de aanleg van de journalisten zijn, waarvan het afhangt of de krant naar behooren voorziet in een levensbehoefte van honderdduizenden.’
Opvallende overeenstemming
Beide partijen, directie en hoofdredactie, hebben voordeel van die strenge scheiding. De hoofdredactie kent de lezer, luisteraar, kijker vaak het best, wat gunstig kan zijn voor de ontwikkeling van de oplage en luister- en kijkcijfers. Een verstandige directie laat de redactie wat dat aangaat haar gang gaan.
Daarbij ken ik zeer commerciële directies die het wel uit hun hoofd laten de hoofdredactie lastig te vallen met belangen van adverteerders, omdat zo’n directie beseft dat op de lange termijn haar medium het beste is gediend met een redactie die onafhankelijk en gescheiden van de belangen van adverteerders opereert.
Hiermee is niet gezegd dat over de globale positionering van het medium nooit overleg mogelijk is. Het kan de pluriformiteit van de media die we allen keer op keer bepleiten, alleen maar ten goede komen. Tijdens het tijdperk van de verzuiling was het aanbod veelkleurig en divers, maar toen de redacties, met het redactiestatuut in de hand, het zelf voor het zeggen kregen, begon er een opvallende overeenstemming te ontstaan qua journalistieke agenda, opvattingen en gezindheid. Uitzonderingen daargelaten.
Speelveld kleiner
In de verdringingsmarkt waarin de media per definitie opereren, is dat een gevaarlijke ontwikkeling. Het speelveld wordt zo kleiner gemaakt, in plaats van groter. In die zin hebben ze het bij de publieke omroep beter begrepen. De uitspraak van Henk Hagoort dat de actualiteitenrubrieken 3 x de Volkskrant zijn, heeft veel kritiek ontmoet. Maar heeft hij het in beginsel niet bij het rechte eind?
Tijdens de verzuiling werd het speelveld heel breed getrokken, en was er voor elk wat wils. Door de ontzuiling ontstond kluitjesvoetbal en koekoek één zang. Met vrij gelijkluidende opvattingen over wat kwaliteit is en wat goed en fout.
Laten we niet angsthazig omgaan met voorstellen om kranten, tijdschriften, en rtv-programma’s te herpositioneren. En dan heb ik het, zeg ik met nadruk, niet alleen over de politieke oriëntatie. Maar ook en vooral over sfeer, interesses, agenda. Met een verbreding van het speelveld is de pluriformiteit gediend en kan een nieuw publiek worden aangeboord. Als we dit als hoofdredacteuren niet zelf ter hand nemen, zal het ons overkomen door een doortastende eigenaar of financier, of gaan we, met ons medium, wellicht ten onder.
4 reacties