Verder niets te zeiken

blackboardOnderstaande tekst werd op 4 juni jl. uitgesproken door Jan Tromp ter gelegenheid van het 10-jarig jubileum van de Master Journalistiek en Media (UvA). Tromp is redacteur van de Volkskrant en voormalig adjunct-hoofdredacteur en correspondent in de Verenigde Staten van deze krant.

Laat ik beginnen met een gedichtje, dat wil zeggen met twee strofen uit een gedichtje, althans uit een liedje.

De brand die ze verslaan, meneer
Als ze het land in gaan, meneer
Steken ze zelf eerst aan, meneer
Dat noemen ze een baan, meneer.
Ze hebben geen ethiek, meneer
Geen greintje zelfkritiek, meneer
Verdienen aan paniek
En andermans tragiek
Verdienen aan paniek
En andermans tragiek

Ze loeren dag en nacht, juffrouw
Ze maken je verdacht, juffrouw
Ze zwelgen in hun macht, juffrouw
Gevrees, gehaat, veracht, juffrouw
Moreel van elastiek, juffrouw
Horen in een kliniek, juffrouw
Wanen zichzelf uniek
Of minstens artistiek
Wanen zichzelf uniek
Of minsten artistiek

In de jaren 60 maakte Jaap Fischer furore als liedjeszanger. Hij zong over beroerde zaken zoals de liefde die altijd mislukt en ook had hij steevast een woord van aandacht voor mensen en groepen die niet deugden.
Voor journalisten dus.

De joehoe hoernalisten
Het is net als een geloof
Ze horen wat ze willen
En verder zijn ze doof.

Een wolk van krijtstof
Dat brengt me bij 1966 en bij dr. Maarten Schneider.
1966 was het jaar waarin in een oud schoolgebouw aan de Palmstraat in Utrecht de eerste School voor de Journalistiek begon, ik was 17, na een kwellend toelatingsexamen – van wie is de film De Dans van de Reiger, a) van Joris Ivens b) van Fons Rademaker c) van Bert Haanstra en zo nog 150 vragen, dus na een interessant en aangenaam toelatingsexamen mocht ik erop en dr. Maarten Schneider, een historicus die meen ik uit de sfeer van de Nieuwe Rotterdamsche Courant afkomstig was, was de eerste directeur van die eerste vakopleiding in Nederland.

Hij gaf het edele vak Ethiek van de Media – dat was toen nog heel gewoon – of misschien gaf hij het vak Geschiedenis van de Media; hoe ook, dr. Schneider was een enthousiast en druk spreker. Hij kalkte de trefwoorden van zijn referaat graag op het bord, dat gaandeweg het lesuur almaar witter uitsloeg.

Als dan tenslotte de toeter ging ten teken van het feit dat de les voorbij was, keerde dr. Schneider zich steevast nog één keer tot het bord. Hij wees op zijn trefwoorden, hij nam de wisser ter hand en werkte zich op naar zijn laatste, vast woorden: “Facts are sacred, comment is free – als u dat onthoudt, vrinden, welnu, dan zal het waarachtig wel gaan.” En vervolgens sloeg hij met de wisser keihard op het bord en geheel in lijn met het missionaire karakter van zijn woorden ging hij op in een wolk van wit krijtstof.

Facts are sacred, comment is free. Dr. Maarten Schneider was recht in de leer, hij was een ouderwetse man, hetgeen niet wegnam dat er reden was voor zijn vermaan.

Bij de KRO-televisie had je pater Leopold Verhagen, een Augustijner monnik die ons op zaterdagavond het rechte pad wees. Bij de Vara-radio dr. Karel Roskam die om zijn solidariteit met zwart Afrika te belijden in safaripak ter redactie verscheen. De wereld was verzuild en de journalistiek was partijdig.

Henri Faas was een vermaard politiek redacteur van de Volkskrant. Jarenlang schreef hij op zaterdag een rubriek onder de naam Wandelganger. Hij was een leuke, joviale man, volkomen verslingerd aan de politiek. In 1986 toen hij voorlichter was geworden voor de Europese Gemeenschap schreef hij het boek Termieten & Muskieten (een goeie samenvatting, zou ik zeggen, van de journalistieke soort).
Ik lees voor van pagina 220; luister en huiver bij wat de verzuiling ons onafhankelijke vak aandeed.

‘Voskuil, de hoofdredacteur van het Vrije Volk, tevens lid van het hoofdbestuur van de PvdA, zei op een PvdA-congres: ‘Met vindt ons wat droog en conservatief. Het karakter van ons blad is echter totaal veranderd, wij zijn eigenlijk regeringsorgaan geworden en dat legt ons grote verantwoordleijkheid op.’
‘Wat Paul de Groot, leider van de CPN, zei was voor communistische journalisten de waarheid. Protestantse en liberale journalisten waren geen hara beter. Een amusant voorbeeld van de wonderlijke toestanden van toen, leverde een redacteur van het (liberale) Handelsblad. Hij was ook redacteur van het weekblad van de VVD. Hij ging ongeveer als volgt te werk. Hij schreef een artikel in het Handelsblad. Vervolgens ging hij achter zijn bureau zitten en schreef voor het VVD-blad: ‘Wij zijn het geheel eens met het Handelsbladcommentaar, dat….”Daarna weer voor het Handelsblad: ‘Wij kregen deze week instemming van het partijblad van de VVD in de zaak….”Zo kan je jaren aan de gang blijven.’

Leugenachtige betweters
Het was dus niet zo vreemd dat Jaap Fischer ons wegzette als arrogante, leugenachtige betweters.

Ter relativering: het is nooit anders geweest. Ik weet eigenlijk niet beter dan dat de journalist altijd laag op de stratificatieladder heeft gestaan, in de buurt van de stratenmaker, net boven, schat ik, de souteneur. Zoals de politicus een erkende zakkenvuller is, zo is de journalist een leugenaar, een oplichter en hoogstvermoedelijk een hoerenloper.

Ik moet erbij zeggen: we vragen zelf weer om al die negatieve kwalificaties, op dit moment. De toestand is beroerd. Ik ga me niet meer voegen in het koor van al diegenen die met verbijstering hebben kennisgenomen van al die gore, stompzinnige en hoerige vuilnisbakkenjournalistiek. Laat ik er dit van zeggen: het is goor, stompzinnig en hoerig. En buitengewoon schadelijk voor het imago van het vak.

Nog iets dat ons kwaad doet: de journalistiek is geworden als een adhd-kind: veel lawaai, veel opwinding en per saldo weinig aanleiding. Door de verbetenheid van de concurrentie, door de schreeuwerige opdringerigheid van het internet, zijn we het gevoel voor verhoudingen kwijt geraakt. We kunnen niets meer relativeren – ons vak niet, onze berichtgeving niet, onszelf niet.

Wat is het beroemdste monument van Nederland?
De naald van Apeldoorn.
Wat is het op één na beroemdste monument van Nederland?
De taxistandplaats op het Leidseplein.
De drama’s die met deze plekken zijn verbonden worden herhaald en herhaald en herhaald, door alle media heen. Totdat voor het murw geslagen publiek de conclusie geen andere kan zijn dan dat de journalistiek inderdaad het terrein is van impertinente sensatiezoekers.

Er is in deze tijd een derde factor die de geloofwaardigheid van ons vak aantast. Het ligt goeddeels buiten onze macht, maar dat doet niets af aan de destructieve kracht ervan.

Ik doel op het complex van de spindoctors, de zich noemende voorlichters, de zogenaamde communicatie-adviseurs – dat hele complex van ladenlichters en onwaarachtigen die de openbaarheid verdonkeremanen en het publiek, inclusief de journalistiek voortdurend op het verkeerde been proberen te zetten.

Dezer dagen zie je op tv tal van politici van nee schudden als een opponent in haast een gedachte probeert te ontvouwen. Een trucje geleerd van de instructeurs van het Nederlands Debat Instituut, vertelde Ronald Plasterk mij.

Hij vertelde ook nog dat de PvdA-politici, op cursus bij dat Debat Instituut, kregen uitgelegd hoe je de tegenstander hinderlijk moet onderbreken en het woord moet ontnemen. Op de vraag waarom hij meedeed aan zoiets kinderachtigs, haalde hij hulpeloos de schouders op.

Ik beweer dat het factoren zijn die de journalistiek achteruit zetten. Misschien kunt er zelf nog een paar bij bedenken, maar de vergroving van journalistieke omgangsvormen, een bijna permanente staat van opwinding en de ziekte van het spinnen door onze natuurlijke tegenstanders doen het aanzien van ons vak geen goed.

Wie er gevoelig voor is kan constateren hoe het ons op achterstand zet. Autoriteiten rijden een scheve schaats en geven de publiciteit de schuld – het maakt naar mijn smaak goed duidelijk dat we de onderliggende partij zijn.

Ik noem twee recente voorbeelden. Toen Maximá en Willem-Alexander in een zeer laat stadium hun poenig project van de strandvilla op Mozambique moesten opgeven, schreven ze de premier een brief vol kwetsuren. Het prinselijk paar had van de zaak moeten afzien niet omdat de bevolking zoveel kapitalistisch vertoon niet kon velen, maar vanwege, zo schreven zij, ‘de aanhoudende aandacht in de media’.

Voortgaande publicitaire druk
Jack de Vries, deze over het paard getilde en vervolgens van het paard getuimelde staatssecretaris, tevens souffleur van de minister-president, vergaloppeerde zich aan een ondergeschikte en schreef in een brief aan de kamer dat hij aftrad. Niet vanwege zijn eigen, onhandige geiligheid, maar, zo stond er, ‘vanwege voortgaande publicitaire druk’.

De smoes is in beide gevallen natuurlijk te kinderachtig voor woorden, maar waar het mij hier om gaat is dat kennelijk de hoogmogenden het aanzien van de journalistiek zwak genoeg achten om deze de schuld in de schoenen te schuiven. Het is een teken aan de wand.

Nu terug naar mijn leidsman en vaste voorganger dr. Maarten Schneider. Zijn herhaalde oproep om toch vooral de feiten te eren en alleen het commentaar als vrij jachtterrein te beschouwen kwam niet zonder reden. Zoals ik hiervoor al aangaf was onze wereld verzuild en onze journalistiek partijdig, in de slechte zin van het woord: er was sprake van parti-pris, van vooringenomenheid en daarbij behorende eenzijdigheid.

Het had ook zijn leuke kanten. Ik herinner me dat de CPN, de Communistische Partij Nederland altijd congresseerde in gebouw Marcanti aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West. Ik werkte voor de Vara. Na een besloten gedeelte waarin ongetwijfeld het imperialisme er genadeloos van langs kreeg, mochten ik en mijn kleumende collega’s naar binnen. Ik verbeeldde me dat partijvoorzitter Henk Hoekstra altijd met nadruk naar mij keek als hij door de microfoon schalde: ‘En dan nu, partijgenoten, een woord van welkom voor de leden van de burgerlijke pers.’ Gejoel was ons deel.

Er waren ook ernstiger kanten aan die verzuilde maatschappij, ook in de journalistiek. Ik heb het zelden hardop gezegd en het is ook een beetje tweedehands, maar ik schaamde me in mijn Varatijd voor het razend-populaire radioprogramma In de rooie haan. In dit zaterdagmiddagcafé werden politici altijd buitengewoon partijdig geinterviewd: die van de PvdA waren de helden, die van elke andere denominatie moesten zich schamen en kregen gelukkig van de Vara nog één kans zich te bekeren.

Ik weet van Jan de Koning, aimabel CDA-politicus, dat hij altijd graag kwam naar In de rooie haan. Hij zei: ‘Een optreden van mij en het vaste gejoel van het publiek leverden het CDA-partijbureau altijd enkele tientallen nieuwe leden op.’ Behalve dom en oninteressant was die verzuilde journalistiek ook nog eens ineffectief.

Toen ik chef werd van de politieke redactie van de Volkskrant, het zal halverwege de jaren tachtig zijn geweest, maakte ik een afspraak met mijn voorganger, Kees Bastianen. Hij was een gelauwerde political watcher. Hij had wat je noemt echt een naam in Den Haag. Ik nam met Kees zijn netwerk door; van welke bronnen zou ik veel plezier kunnen hebben? Kees gaf getrouw namen en telefoonnummers.

‘Wie zijn je bronnen bij de VVD?’, vroeg ik op zeker moment, in argeloosheid. ‘De VVD, de VVD?’ verbaasde Kees zich. ‘Met de VVD praat de Volkskrant niet.’ Ik was oprecht verbijsterd; ik kwam van de Haagse Post en ik had daar geleerd authentiek nieuwsgierig te zijn, naar rechts en naar links – en pas daarna te oordelen.

De ontzuiling van Nederland die kwam met horten en stoten, was niet alleen voor de beminde gelovigen een bevrijding. Het was ook een grote opluchting voor ondermeer de journalistiek.

Ik geloof dat je met recht mag zeggen dat het vak in de jaren ’80 en ’90 een prachtige opbloei heeft doorgemaakt. We professionaliseerden, in hoog tempo. Daarmee bedoelde ik dat we ons bevrijdden van ons gesloten wereldbeeld.

Je werkte voor de Volkskrant; dat was een progressieve krant, je zou het niet anders willen hebben. In die zin was je een diepe gelovige. Maar – en dat maakte het verschil – je was niet langer zeloot. Je hoefde niet elke dag meer belijdenis te doen. Het schonk een diep gevoel van bevrijding. Je wereld van nieuwsgierigheid werd talloos veel malen groter. Je durfde onbevangen te zijn. En vervolgens is het toch weer mis gegaan.

Waar is het mis gegaan? Ik kan het in mijn eigen woorden vertellen, maar liever leen ik de woorden van een heel andere waarnemer, uit een heel andere wereld – met wie ik het desondanks hartgrondig eens ben.

Jan Schinkelshoek is tegenwoordig kamerlid voor het CDA. Hij heeft jarenlang in de journalistiek gezeten, was ondermeer hoofdredacteur van de Haagsche Courant en pendelde zo’n beetje tussen de politiek en de pers – een variant waarop ik niet gek ben. Hij was voorlichter van de CDA-fractie en persoonlijk woorvoerder van CDA-voormannen als Bert de Vries en Ruud Lubbers.
Enfin, ik heb hem leren kennen als een jongen die deugt.

Vorig jaar oktober hield hij in Nieuwspoort een lezing over het politiek-publicitaire complex. Ik ga daar nu een paar passages uit citeren die wat mij betreft de spijker op zijn kop slaan: na de verzuiling kwam de bevrijding en na de bevrijding is er een soort bleekheid in de Nederlandse journalistiek geslopen.

Maar laat ik de onverdachte bron Schinkelshoek citeren:

‘Als de politiek af en toe wordt verweten dat het nergens over gaat, dat we in de incidenten vluchten, dan treft die klacht minstens zozeer de politieke journalistiek. Waar is het engagement gebleven? Soms sta ik versteld van het gebrek aan interesse, om nog maar te zwijgen van betrokkenheid.’

En over de uiteindelijke effecten van de ontzuiling zei Schinkelshoek in oktober vorig jaar: ‘Ik durf de stelling aan dat kranten – laat ik mij daartoe beperken – eenvormiger zijn geworden, saaier, misschien wel grijzer. Stond men vroeger ten dienste van een ideaal – de katholieke emancipatie, de verheffing van de arbeider, de strijd van de kleine luyden – die veren werden afgeschud. Het heilige vuur doofde.’

En dan vervolgt hij met: ‘In plaats van politieke dienstbaarheid wilde men kwaliteit leveren, onpartijdige, ongebonden informatie.’
Zo was het – in mijn geval ging het om de aflossing van de wacht met Kees Bastianen, om een welbewuste verbreding van het spectrum.

Maar over dat verlangen om kwaliteit te gaan leveren, zegt dan vervolgens Schinkelshoek: ‘Tot op de dag van vandaag weet ik niet wat het is. Behalve dat het bijna overal hetzelfde is.’ En iets later in zijn lezing: ‘In vergelijking met de passie is het rustig geworden aan het Binnenhof, stilletjes zelfs, bezadigd. Misschien is dàt wel het grote probleem.’

Ik denk dat hij een eind komt met deze waarneming.

Palet van meningen
Pieter Broertjes, vijftien jaar lang de hoofdredacteur van de Volkskrant, is er trots op dat hij de krant heeft bevrijd van zijn linkse dogma’s. Hij heeft daar gelijk in, zowel in het feit dat hij de krant opschoonde als in de dringende wenselijkheid ervan.

Maar de vraag is: goed, de Volkskrant is los van zijn dogmatiek – maar wat is ervoor in de plaats gekomen? De tegenwoordige hoofdredactie zegt: een palet aan meningen. De tegenvraag luidt: sinds wanneer geeft de Volkskrant ruim baan aan meningen die vreemd zijn aan het wezen van de krant? Worden toegelaten omdat ze tot ‘het palet’ behoren? Maar wat is dan nog het baken van herkenbaarheid dat het dogma heeft vervangen? Of komen we met Schinkelshoek tot de conclusie dat het overal hetzelfde is?

Waar is het herkenbare karakter van de krant? Vroeger was dat makkelijk: de Volkskrant praat niet met de VVD. Zo eenvoudig was het.

Wie de gecompliceerdheid der dingen wil eerbiedigen, wie met dr. Maarten Schneider de feiten heilig verklaart, maakt het zich moeilijker. Een tijdlang heeft de krant het zich moeilijker gemaakt. In 1995 ging een verslaggever van ons, Bas Mesters, een jaar lang wonen in Crooswijk, een achterstandswijk in Rotterdam. Daarvoor leefde Sietse van der Hoek, een andere verslaggever, maandenlang in de Bijlmer. De idee was, om de woorden van Schinkelshoek te gebruiken, ‘kwaliteit’ te leveren. We probeerden de verhevenheid van het beleid op het stadhuis en aan het Binnenhof te verbinden met de realiteit van alledag.

Het werd niet opgepikt. Redacteuren aan het bureau in Amsterdam liepen niet warm, lezers reageerden lauw.

Maar hoe moeilijk het ook is, je komt er niet met een vlucht naar voren – weg van de beknellende ideologie, naar een soort van varieté. Uitgerekend dat is nu aan de hand.

We staan aan de vooravond van belangrijke verkiezingen. Er is heel veel onzekerheid onder de bevolking, de stabiliteit van het politieke stelsel is dubieus, we maken ons intussen op voor een nieuwe regering. En wat doet de NRC? De NRC stuurt Kluun op pad met mevrouw Femke Halsema. Hoezo Kluun? Waarom schaduwt niet een van die saaie en hoogst betrouwbare politieke redacteuren van de NRC mevrouw Halsema? Waarom moet het altijd leuk, speels, creatief zijn? En als je Kluun overweegt, waarom dan niet Joop Braakhekke of Therese Steinmetz of, helemaal desnoods, Johan Cruyff?

Bart Chabot is de politiek commentator van Pauw & Witteman. Waar slaat dat op? Chabot is een schat van een jongen, maar mag een politiek geinteresseerde over zijn nek gaan als Jeroen Pauw na afloop van een filmpje over de lijsttrekkers aan Chabot vraagt: ‘Is er nou eentje die je de leukste vindt?’

De leukste? Het op de voet volgen van de politiek is een vak. Chabot en Kluun zijn een klein beetje goed in andere dingen. Het gaat over de democratie en over de controle op de democratie. Het is geen varieté.

De baas over de krant
Ik wilde nog één dingetje behandelen, de vraag wie de baas is van de krant. Tot nu toe was dat de hoofdredacteur. Daarover hoefde niet te worden gediscussieerd.

Door de kredietcrisis en de structurele verlaging van advertentie-inkomsten en ook wel door de gestage terugval van abonnees is de vraag wie de baas is van de krant actueel geworden.

De grote kranten van het land zijn vier jaar geleden op het nippertje gered uit de klauwen van Apax, een Brits beleggingsfonds dat zich beijverde zo snel mogelijk en zo grondig mogelijk de tent leeg te vreten.

Het is nog altijd onbegrijpelijk hoe de redacties van de kranten, al die clevere boys die het tot tweede natuur hebben gemaakt te wantrouwen – hoe al die kritische clubs zich hebben kunnen laten inpakken.

Maar nu hebben de autonome kranten, NRC-Handelsblad en de Volkskrant voorop, andere eigenaars. Belgen zijn komen binnenwaaien bij de Volkskrant en Trouw. NRC-Handelsblad heeft zich weggeschonken aan Nederlandse beleggers-met-een fatsoenlijk-voorkomen.

De grote kranten van Nederland zijn nu niet meer in handen van geldwolven, maar wel van eigenaars met opvattingen. In hoeverre is dat een echte verbetering? In hoeverre kan een autonome redactie gerust zijn?

Ik ben er niet gerust op. Derk Sauer, eerste man onder de eigenaren van de NRC, heeft zich al openlijk uitgelaten over concreet redactiebeleid. Dat zou tot voor kort ondenkbaar zijn geweest. Hij heeft de hoofdredacteur verwijderd die er niet voor voelt onder de paraplu van NRC Handelsblad gadgets te verkopen als balonnen en golfstick-sets. Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, heeft zich laten dwingen om zijn naam, handtekening en gefotografeerde tronie te lenen voor een bericht aan de lezer over een aanbieding van betrekkelijk slappe kunstboeken.

De commercie dringt de redactieburelen binnen. De eigenaars vinden het een vanzelfsprekendheid, misschien zelfs wel hun taak gegeven de economisch armoedige omstandigheden. Voor de klassieke, autonome journalistiek is het een ramp. De nieuwe eigenaars die de tent niet hoeven leeg te zuigen, maar des te meer op financieel beleid gebaseerde opvattingen hebben, zullen zeggen: waarom de verschillende kranten niet modelleren naar verschillende lezersmarkten? Waarom niet één verslag van Ajax-Feyenoord in mijn diverse kranten? De uitslag van de wedstrijd blijft dezelfde, de uitkomst van mijn kosten is aanzienlijk gunstiger.

Met zo’n verhaal zal de eigenaar het pleit in zijn voordeel gaan beslechten, vrees ik. Zoals hij daarop volgende verhalen zal winnen. Wees er niet gerust op.

Sluipenderwijs wordt de krant van een cultuurgoed sec tot regelrechte handelswaar. Het is alsof Joop van den Ende zijn intrede heeft gedaan in de dagbladsector. Van den Ende is geen barbaar. Hij houdt van het theater. Maar hij houdt ervan als zakenman. Dus wel de musical en de grijsgespeelde klassiekers uit het toneelrepertoire, geen Louis Andriessen of Anne Teresa De Keersmaeker. Of vertaald naar de krant: wel de binnenlandse reportage en de verhalen over het internationale Finanzkapital. Maar is het echt nodig dat we een eigen correspondent in Afrika hebben? Waarom trouwens een parlementsredactie van tien man?
Een paar jaar geleden moest je vrezen dat de onverschillige eigenaars de krant te gronde zouden brengen. Nu lijkt het erop dat we eigenaars hebben die zoveel van de krant houden dat ze de redactionele macht overnemen. Zeg zelf maar wat erger is.

Verder nog iets te zeiken? Ik geloof het niet, althans niet op dit moment.

3 reacties

  1. Sent Wierda schreef op 21 juni 2010 om 10:52

    Jan Tromp heeft verleden en heden subliem verwoord.

  2. L.S.

    Het is niet verstandig – om maar ‘n vriendelijk woord te gebruiken – om
    zoals Jan Tromp met stenen te gooien als men in ‘n glazen huis woont.

    Het item hierover – en de journalistiek in het algemeen –
    is bijna overal weggehaald, maar hier staat het nog:

    “Ook de Nederlandse media heulen met de beulen.” – Url.: http://www.cemab.be/news/2006/04/1255.php

    HR

    Weblog – Url.: http://forpressfound.livejournal.com/

    -0-

  3. Alice Oppenheim schreef op 8 juli 2010 om 18:22

    Twintig jaar geleden was het Jan Tromp die mij -na een voorzichtige mail- schriftelijk afpoeierde
    met het argument: ‘we hebben jonge mensen nodig bij onze krant…’ Ik was toen net vijftig jaar geworden en had daarvoor een korte periode niet ‘gewerkt’ maar voor mijn ouders en kind gezorgd.
    Nu meldt hij overal dat de krassen knarren zich niet moeten laten piepelen over hun leeftijd.
    Hij is nu elf jaar ouder dan ik toen was.
    Laten de jongere, vrouwelijke collega”s ervoor zorgen dat zij zich niet meer zo laten wegdrukken door mannen met een grote mond.
    Een melding van rimpelisme of seksisme, of van een combinatie van die twee in de openbaarheid is zolangzamerhand gerechtvaardigd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (430 van 891 artikelen)


Hoe verrijk je in verkiezingstijd de website van de krant? En kan ...