De morsige held en het digitaal vertrouwen (V en slot)

woodwardbernsteinDe journalist is een altijd dronken, opdringerige, slecht geklede held die zich zijn brutaliteit kan veroorloven zolang hij uiteindelijk the good guy is. Hij mag, althans in de Hollywoodfilms die zijn imago goeddeels bepaalden, volop liegen en bedriegen, stelen en omkopen en elke ethische code aan zijn laars lappen zolang hij dat niet doet voor zijn eigen ego maar om een nog grotere schurk te ontmaskeren.

De journalist, zegt Joe Saltzman – journalist en docent aan Annenberg – in een interview met blogger Henry Jenkins, is sinds het begin van de twintigste eeuw een gemankeerde held. Weinig geliefd, met argwaan bekeken, maar gedoogd omdat hij het publieke belang zegt te dienen. Dat Saltzman het vooral over de Amerikaanse journalist heeft, die met muckraking grootgebracht werd, spreekt voor zich.

Het imago klopt niet met de werkelijkheid, niet nu en niet hier. Het heeft zich in eerste instantie gevormd in de jaren van de penny press, de naar roddel jagende Amerikaanse boulevardpers. En het is bijgesteld toen de journalistiek onderzoek ging doen; Woodward en Bernstein (All the president’s men) introduceerden een nieuw type, dat – helaas – weer minder dominant werd toen entertainment en televisie het begonnen te winnen van gedrukte media.

Maar het morsige imago past ook minder bij de Nederlandse journalist. In de halve eeuw van verzuilde kranten was de archetypische verslaggever – althans in de beeldvorming – eerder volgzaam dan brutaal, zij het soms inderdaad in kennelijke staat. Sinds pakweg 1966, niet toevallig het jaar waarin de School voor de Journalistiek in Utrecht begon, is hij zelfbewuster geworden, professioneler, en na enige tijd ook afhankelijker. Beter, zou je zeggen.

We vertrouwen wat we kennen
Het groeiende wantrouwen jegens de pers van de afgelopen tien jaar blijft merkwaardig. De pers maakt niet meer fouten dan dertig jaar geleden, waarschijnlijk zelfs minder, maar wat ze misdoet wordt meer dan ooit uitvergroot – omdat de assertieve burger en gemaltraiteerde politicus de weg weten te vinden naar de rechter en de Raad voor de Journalistiek, omdat media hun eigen fouten openlijker toegeven en onderzoeken, en omdat internet zijn eigen watchdogs voortbracht.

Het oude vertrouwen in de pers is met de jaren gegroeid. Hoe langer een relatie duurt, hoe groter de kans dat je iets of iemand vertrouwt, of in elk geval – de rechercheur en zijn verklikker – denkt te weten in welke mate je iemand kunt vertrouwen. Het oude vertrouwen in media moest wel een resultaat zijn van het schier levenslang lezen van een dagblad, of van het rituele Journaal-kijken.

Logisch dat steeds meer mensen de pers wantrouwen als steeds minder mensen die pers dagelijks volgen, of denken dat er geen andere journalisten zijn dan tv- en roddelbladenpaparazzi. Toegegeven, de redenering is verdacht simpel. Het wantrouwen in de media groeit niet omdat we gemiddeld vinden dat de pers slecht werkt, maar omdat we gemiddeld minder kranten lezen. Wat we niet kennen, vertrouwen we niet; sterker nog: wat we niet kennen – vreemd eten, vreemde gewoontes -, beladen we met wantrouwen. We zetten ons af even tegen wat we niet kennen. Daar wordt het wij-gevoel en de sociale structuur sterker van.

Kranten die niet worden vertrouwd hebben dus wel een probleem, maar misschien een ander dan ze dachten. De mogelijkheden om hun oplage te verhogen zijn niet geweldig groot, maar ze kunnen via nieuwe media wel hun imago versterken. Dat is geen nieuwe gedachte – internet als marketingkanaal is het oudste online verdienmodel – maar misschien kunnen media er slimmer en bewuster mee omgaan.

Zand en klei
Vertrouwen moet telkens worden bevestigd. Albert Heijn en Volvo moeten elke dag bewijzen dat ze het waard zijn. Maar de manier waarop de indruk van betrouwbaarheid, het imago, wordt vastgelegd en in stand wordt gehouden, veranderd in een digitale cultuur omdat informatie – waarvan “vertrouwen” is gemaakt – nu eenmaal een andere structuur heeft – zoals los zand zich anders gedraagt als een klomp kneedbare klei.

Het is al dikwijls gezegd: op internet is vertrouwen veel vaker het direct meetbare, controleerbare en bruikbare product van wat gebruikers ergens van vinden. Meer dan een late en voor de gebruiker nutteloze onderzoeksstatistiek (“40% van de Nederlanders verrouwt de media”) is online vertrouwen persoonlijk en onmiddellijk: we kunnen zien wie wat vindt van welk product, en handelen daar meteen naar. Kijk naar Marktplaats en eBay en Digg.

Daar horen twee kanttekeningen bij. Vertrouwen ontstaat al duizenden jaren in sociale netwerken, maar de netwerken van social media zijn wellicht minder vergelijkbaar met traditionele verbanden dan we denken. Online vrienden zijn niet allemaal “echte” vrienden (en dus ontvrienden we af en toe). Online netwerken gaan vaak over één ding, één onderwerp, één passie. Dat maakt ze heel bruikbaar voor het creëren van vertrouwen op dat ene onderwerp, maar waarschijnlijk ongeschikt zodra het eigenlijk over iets anders gaat.

En twee: journalisten moeten nog steeds doen wat ze altijd moesten doen. Bronnen noemen, transparant zijn over hun bindingen (“van welke denktank is die commentator eigenlijk lid?”) en methodes, verwijzen naar documenten, ruimhartig rectificeren als dat nodig is, en fair omgaan met degenen over wie en voor wie je schrijft. Dat doen we allemaal meestal heel behoorlijk, maar de perceptie van een deel van het publiek is anders en elke fout loopt de kans uitvergroot te worden.

Doe wat kan, het wordt verwacht
Het vertrouwen in de pers kan worden hersteld. De behoefte aan nieuws en opinies die vooral ook betrouwbaar zijn, zal weer toenemen. Zichtbaar zijn – behalve in druk ook online en mobiel – helpt. Zorgvuldig en fair werken, helpt ook. Maar er is natuurlijk meer. Op internet ontstaan nieuwe normen en gebruiken, domweg omdat ze technisch mogelijk zijn.

The Washington Post komt in een verhaal over generaal McChrystal niet meer weg met louter anonieme bronnen, zegt blogger Jeff Jarvis. Dat het in die gezaghebbende krant staat, is niet meer voldoende. De moderne lezer verwacht bronvermelding, omdat de cultuur en technologie van internet dat – met de verwijzende hyperlink – als norm hebben omarmd en mogelijk gemaakt.

Dit is het vijfde en laatste deel van een serie posts over vertrouwen in de journalistiek. Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Henk Blanken.

2 reacties

  1. Vos Nieuws schreef op 8 juli 2010 om 08:08

    Ik zie een olifant in de kamer:

    “Het groeiende wantrouwen jegens de pers van de afgelopen tien jaar blijft merkwaardig.”

    Je lijkt totaal voorbij te gaan aan het feit dat niet alleen de journalist, maar ook het maatschappelijk speelveld professioneler is geworden. Voorlichters, professionele communicatiemedewerkers, publieke relatie-deskundigen, allemaal trekken ze dagelijks ten strijd om de publieke beeldvorming vorm te geven. Dit maakt het werk van de journalist moeilijker, minder spectaculair, minder betrouwbaar, en bovenal minder interessant.

    De journalist die volgens de klassieke methodes te werk gaat verwordt hierdoor steeds meer tot een spreekbuis van deze branche, tenminste in de ogen van de massa.

    Dezelfde massa die blijkens haar gedrag op internet aangeeft behoefte te hebben aan authentieke berichtgeving wordt door de traditionele media steeds minder goed bediend omdat zij mede om bovenstaande redenen voorspelbaar is geworden.

    Youtube video’s, reality TV, blogs, tweets, ze hebben 1 ding met elkaar gemeen: Miljoenen bronnen zijn ineens boodschapper geworden.

    Aan de journalist de nobele taak te blijven duiden en haar expertise op dit gebied aan te wenden om zaken in het juiste perspectief te blijven plaatsen. Maar krijgt zij daar de ruimte wel voor? Of vormt het klassieke raamwerk waarin dat zou moeten gebeuren eerder een belemmering dan een hulpmiddel?

    Een voorbeeld: Een goede vriend komt iedere dag 30 minuten bij je op bezoek komt voor een kop koffie en een goed gesprek. Laten we hem Hans noemen.

    Hans maakt iedere dag vele boude beweringen, maar blijkt last van een slecht geheugen te hebben en luistert bijzonder slecht.

    Hij lijkt totaal niet geinteresseerd in wat jij hem te zeggen hebt, maar snijdt wel iedere keer op hoge toon het ene na het andere nieuwe onderwerp aan. Jan hoort zichzelf graag praten en steeds als jij daarop wil reageren doet hij net of hij je niet heeft gehoord en begint over iets anders.

    Hoe lang duurt het voordat je Jan van je vriendenlijstje haalt, deze zelfingenomen betwetert?

  2. @Vos: in de eerste vier afleveringen van deze serie heb ik elementen van wat je aandraagt wel laten langskomen. Andere comments vullen het beeld, terecht, ook aan. Je opmerking over andere professionals aan het begin is correct.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>