Debat over staatssteun is onaangenaam maar nodig

geldVenijnig debat tussen geleerden over staatssteun aan de pers. De ene wetenschapper, Columbia-rector Lee Bollinger, pleit voor overheidsfinanciering, naar het Britse model; de andere, Jeff Jarvis van City University New York (CUNY), houdt verbeten vast aan zijn missie: nieuwe, commerciële verdienmodellen voor journalistiek. De eerste heeft de hoop opgegeven dat het nog goed komt, de tweede weigert zich daarbij neer te leggen.

Het debat speelt zich af in de Verenigde Staten. Ik volg beide wetenschappers, hun aanhang en hun publicaties en probeerde ook al eens hier een knuppel in het hoenderhok te gooien. Hoewel er grote verschillen zijn tussen de Amerikaanse en de Nederlandse (of Europese) situatie), zijn er uit het debat in de VS ook lessen uit te trekken. De belangrijkste: het is nooit te vroeg voor een onaangenaam debat. Soms wel te laat.

Bollinger pleit in The Wall Street Journal voor overheidsssubsidie om de in nood verkerende klassieke pers te conserveren. In de VS wordt slechts een fractie per hoofd van de bevolking uitgegeven aan publieke omroep in vergelijking met Europese landen als Denemarken, Duitsland of Groot-Brittannië, terwijl een omroep als de BBC of de NOS laat zien dat je ook met publieke middelen voortreffelijke onafhankelijke journalistiek kunt bedrijven.

There are examples of other institutions in the U.S. where state support does not translate into official control. The most compelling are our public universities and our federal programs for dispensing billions of dollars annually for research. Those of us in public and private research universities care every bit as much about academic freedom as journalists care about a free press.

En, zegt Bollinger:

To take a very current example, we trust our great newspapers to collect millions of dollars in advertising from BP while reporting without fear or favor on the company’s environmental record only because of a professional culture that insulates revenue from news judgment.

Hopeloos
Louter de suggestie van staatssteun suggereert dat commerciële innovatie van de pers een hopeloze strijd is, moet Jarvis hebben gedacht. Terwijl hij bij CUNY jonge journalisten juist meer probeert te leren dan hoe ze goede journalistiek moeten bedrijven; Jarvis leert ze wat de verdienmodellen zouden kunnen zijn. Fighting the good fight.

Jarvis:

I think we can demonstrate and build that independence by teaching tomorrow’s journalists to build strong, sustainable, and independent businesses. We just disagree. Quite to the contrary, I believe — based on research, which is one of the values we add from a university — that journalism could well be more sustainable, accessible, and accountable than before because of the efficiency brought by specialization (do what you do best, etc.), free platforms (see John Paton’s Ben Franklin Project), networks (see Growthspur), collaboration (or Alan Rusbridger would call it mutualization), not to mention the casting off of industrial ways and expenses (in the pressroom as well as in the newsroom).

Je kunt naar de lamentabele staat van klassieke massamedia en journalistiek op een paar manieren kijken. Van Jarvis’ perspectief (wat het perspectief is van jonge, journalistieke entrepreneurs), vanuit dat van klassieke uitgevers (die duizenden journalisten moesten ontslaan vanwege dalende oplages en deserterende adverteerders), en vanuit het gezichtspunt van het publiek.

In elk geval staat vast dat de klassieke pers (de “systeempers”) niet meer de rol speelt die ze had. Veel journalistieke infrastructuur is verdwenen (lokale verslaggevers, buitenlandse correspondenten, onderzoeksjournalistiek). Die massapers bereikt nog maar de helft van de massa, waardoor ze hoe dan ook minder relevant is geworden en de burger minder goed is geïnformeerd – internet en rtv vullen dat onvoldoende aan (daar denken veel burgers trouwens anders over dan hun volksvertegenwoordigers en sociologen).

Nieuwe media leveren wel nieuwe journalistiek op, zelfs winstgevende websites, maar dat zijn vooralsnog uitzonderingen, druppels op een gloeiende plaat. Ook zijn er initiatieven die door filantropen worden gefinancierd en voortreffelijk werk afleveren, maar opnieuw: druppels. Niet dat die nieuwe verdienmodellen voldoende middelen zouden moeten opleveren om de huidige beroepsgroep van een salaris te voorzien, of de huidige uitgevers van een gezonde bottomline (ik weet niet hoeveel pers er nodig is). Maar voor een gezonde democratie is de huidige “nieuwe pers” nog niet krachtig genoeg.

Amerika is Europa niet. En de Nederlandse mediamarkt is op zich weer afwijkend (denk aan de dominante cultuur van aan huis bezorgde abonneekranten). In de VS bestaan nog altijd meer dan 1400 kranten en ontbreekt – op USA Today en The New York Times na – een nationale pers. De publieke omroep is er irrelevant, vergeleken bij de NOS of de BBC.

De gevoeligheden in Nederland zijn niet anders dan in de VS. Ook journalisten als Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier, moeten niets hebben van staatssteun – ze zijn er allergisch voor. Zelf zou ik ook liever zien dat de pers financieel onafhankelijk was, dat er zelfs geen publieke omroep nodig zou zijn. Maar kunnen we ons zo’n principiële houding veroorloven?

De acht miljoen die de Nederlandse staat nu via het Stimuleringsfonds in dagbladinnovatie steekt, is een druppel op die gloeiende plaat. Het gaat de pers niet redden. Laten we daarom tenminste hardop aan alternatieven denken, bij voorkeur als tijdelijk deel van de oplossing. Om de journalistiek van hier naar straks te helpen.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Henk Blanken.

Henk Blanken

Henk Blanken was tot 1 september 2011 adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden en werkt nu als onderzoeksjournalist voor die krant.

Alle artikelen van Henk Blanken op De Nieuwe Reporter.

  • http://www.elsevier.nl Arendo Joustra

    Ik ben niet zozeer allergisch, maar ik vrees dat een door de overheid betaalde journalistiek te veel haar oren zal laten hangen naar diezelfde overheid. Niet dat ze niet onafhankelijk zal zijn, maar dat ze te veel de thema’s die de overheid belangrijk vindt, ook belangrijk gaat vinden. Zoals de gesubsidieerde politieke partijen in Nederland ook eigenlijk allemaal partijen zijn geworden die alle heil van de overheid verwachten. De overheid als enig referentiekader.
    Bovendien is de overheid nogal wispelturig. Het ene jaar geld, het andere jaar niet. Als je je eigen broek ophoudt, weet je tenminste hoe je ervoor staat. Je zit zelf aan de knoppen.
    En tot slot is de vrijheid van meningsuiting, historisch gezien, op de overheid bevochten, dus, en dat is wel een allergie, ik vertrouw het maar niets, zo’n door de overheid betaalde pers.
    En overigens heeft de VS nog een landelijke krant, The Wall Street Journal.

  • Emile Schrama

    Staatssteun voor het behoud van goede journalistiek zal waarschijnlijk onontkoombaar zijn, mits goed geborgd, ingevuld, gebruikt. Daar valt nog wel heel veel over te zeggen en te onderzoeken.

    Maar als tegelijkertijd door de schrijver wordt beweerd dat de NOS het fantastisch en onafhankelijk doet, dan haak ik op een ongelooflijke manier af en komt de rest van het verhaal in een heel ander daglicht te staan. Juist op de NOS is heel veel krtiek mogelijk. En dan heb ik het over haar ontegenzeglijke kleuring, een gebrek aan echte discussie daarover, een veel te eenzijdig personeelsbestand, het kleuterniveau dat de journaals steeds meer kenmerkt, de mate van inefficiency, etc en de verstorende invloed van haar websites op commerciele media.

  • alt. johan

    Gevoelsmatig ben ik echt tegen dit soort staatssteun. Ik ben vaak gefrustreerd geweest over de journalistiek en vooral wat ze niet melden in hun kranten. Het pluriforme internet kon me wat dat betreft veel beter bedienen. En die journalisten met hun bedenkelijke prestaties die willen vervolgens staatssteun??

    Het argument voor is natuurlijk de nutsfunctie, dat snap ik ook wel. Maar de prestaties en het nuts-gehalte is voor vele burgers ontoereikend en/of totaal onzichtbaar.