Onlangs had ik een overleg met een Sloveense collega-onderzoeker. Ze was geïnteresseerd in de totstandkoming van de Nederlandse gedragscode voor journalisten. “Welke gedragscode bedoel je?”, vroeg ik haar. “In Nederland hebben we twee codes: die van de Raad voor de Journalistiek en die van het Genootschap van Hoofdredacteuren.” Ze reageerde verbaasd: “Twee codes? Hoe kan dat dan?”
Zojuist kwam ik er achter dat het nog gekker is. Want er is ook nog een derde: die van de Stichting Media Ombudsman Nederland (MON). En blijkbaar wil men werk maken van die code, want een tijdje geleden werd namens die Stichting een onderzoek gepresenteerd naar de vraag of journalistieke codes kunnen bijdragen aan het handhaven van journalistieke kwaliteit. En men wil niet alleen een derde gedragscode, maar ook nog eens een broertje voor de Raad van de Journalistiek. Of zusje, zo u wil.
Het onderzoek
Het betreffende onderzoeksrapport is in opdracht van de Stichting Media Ombudsman Nederland opgesteld door dr. Richard van der Wurff en prof. dr. Klaus Schönbach van de Amsterdam School of Communnication Research (ASCOR).
Ze deden hun onderzoek middels een zogeheten Delphi-studie. Dat houdt in dat een panel van experts in een aantal rondes hun visie geven op een bepaald probleem. Het idee is dat in de loop van dat proces zich een gezamenlijke visie ontwikkelt.
In totaal namen zestig experts deel aan dit onderzoek. 35 daarvan waren journalisten, van hoofdredacteur tot freelancer. Daarnaast ging het om 16 wetenschappers en 9 personen van diverse pluimage, zoals advocaten, ambtenaren en voorlichters.
Een speciale code voor online journalistiek?
De oorspronkelijke insteek van het onderzoek was de vraag of er een aparte gedragscode zou moeten komen voor online journalistiek. Maar daar waren de experts het snel over eens: voor internetjournalisten gelden in principe dezelfde normen als voor de journalistiek in het algemeen.
En wat zijn dan die ‘journalistieke normen in het algemeen’? Volgens de experts komen we dan uit op enkele klassiekers, namelijk zorgvuldigheid, onafhankelijkheid, waarheidsgetrouwheid en evenwichtigheid. Tot zover geen nieuws.
Maar de onderzoekers signaleren ook twee nieuwere journalistieke normen, namelijk transparantie en begrijpelijkheid.
Code met algemene journalistieke normen
Ze concluderen daarom dat een journalistieke code moet rusten op de volgende algemeen geldende normen:
• Zorgvuldigheid en waarheidsgetrouwheid: journalisten moeten feiten zorgvuldig controleren, en beelden of uitspraken niet veranderen
• Onafhankelijkheid en evenwichtigheid: journalisten moeten redactionele en commerciële content scheiden, en hoor en wederhoor toepassen
• Transparantie: journalisten moeten laten zien hoe berichtgeving tot stand komt en daarom bronnen volledig vermelden en niet anoniem of onder valse voorwendselen journalistiek bedrijven
• Begrijpelijkheid: berichtgeving moet goed te begrijpen zijn door het publiek
En specifieke journalistieke normen?
Dat zijn stuk voor stuk hele ruime begrippen. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met een specifiek onderwerp als de privacy van beroemdheden, slachtoffers en verdachten, een hoogst actueel thema?
Dat is nou typisch een thema waarover de experts zeggen dat redacties daarover van mening kunnen verschillen. Terwijl het ene medium het geoorloofd vindt om de volledige naam van een slachtoffer te publiceren, vindt een ander medium dat ongepast.
Deze normen kunnen dus van redactie tot redactie verschillen. En die horen daarom niet thuis in een algemene code voor de journalistiek. Dergelijke specifieke regels kunnen redacties beter in een eigen code of in huisregels vastleggen. Dat biedt de mogelijkheid voor het onderstrepen van een eigen journalistieke identiteit.
Wie de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de Code van het Genootschap van Hoofdredacteuren kent, zal onmiddellijk zien dat die codes veel specifieker zijn. Daar staan namelijk wel regels in over bijvoorbeeld privacy. Maar volgens dit onderzoek zouden die dus niet thuis horen in een journalistieke gedragscode. Dit onderzoek pleit dus in feite voor een uitgeklede versie van de twee bestaande codes.
Handhaving van de code
De volgende vraag is: als je zo’n code hebt, wat moet je ermee? Wie gaat zorgen dat journalisten zich aan die normen houden?
In elk geval niet als een verplichting opleggen aan journalisten, is het devies van de experts in dit onderzoek. Journalisten zijn vooral zelf, dus individueel, verantwoordelijk voor het naleven van journalistieke normen. Plus de redactie waar een journalist werkt. Letterlijk meldt het rapport:
“Journalisten zijn volgens de experts vooral zelf verantwoordelijk voor het volgen van journalistieke normen, en niet de beroepsgroep en al helemaal niet het publiek.”
Er is ook geen animo voor instrumenten om de verantwoordelijkheid van de individuele journalist te sanctioneren. Wederom een citaat uit het onderzoeksrapport:
“Journalisten en redacties zijn volgens de experts vooral zelf verantwoordelijk voor het volgen van journalistieke normen, en niet de beroepsgroep en al helemaal niet het publiek. Bij deze insteek past dat er weinig heil wordt gezien in vormen van formele regulering om de naleving van journalistieke normen af te dwingen.”
Kortom, de experts zien niets in instrumenten zoals – ik citeer opnieuw uit het onderzoeksrapport -:
“een keurmerk, ontwikkeld en gecontroleerd door een onafhankelijke instantie; een beroepscode met materieel voelbare sancties; of nieuwe wetgeving van de overheid.”
De experts hebben daarentegen een voorkeur voor:
“nietverplichtende instrumenten, en vooral voor instrumenten die de transparantie van het journalistieke werkproces verhogen of gebruikers op andere manieren in staat stellen de kwaliteit van het journalistieke product te beoordelen: een redactiestatuut of disclaimers, openheid over bronnen, mediawijsheid, en maatschappelijk debat.”
Duidelijk zou je zeggen. Maar dan neemt het rapport een verrassende wending.
Een commissie als klachtenloket
In het hoofdstuk met conclusies opperen de onderzoekers uit geheel eigen beweging dat het publiek er wel op moet kunnen vertrouwen dat een journalistieke gedragscode gerespecteerd wordt. Dus zou er in hun ogen een vorm van controle moeten zijn. Ze stellen dat dat een taak zou kunnen zijn van een commissie, samengesteld uit journalisten. Deze commissie zou klachten kunnen behandelen en straffen uitdelen. Uit het rapport:
“Sancties zouden kunnen variëren van een vermaning tot uitsluiting uit de code en daarmee de ontzegging van het recht zich te presenteren als journalist die de code heeft aanvaard.”
Dat is een rare wending, want:
• De experts vonden dat naleving van journalistieke normen de verantwoordelijkheid is van individuele journalisten en redacties, en niet van de beroepsgroep (dus ook niet van een commissie van collega-journalisten)
• De onderzoekers concluderen dat er een uitgeklede code moeten komen met alleen de algemeen gedeelde journalistieke normen. Maar die zijn zo algemeen dat je je afvraagt hoe je zulke algemeenheden zou moeten toetsen. Neem het punt van begrijpelijkheid. Kan een lezer die een krantenbericht niet begrijpt een klacht indienen bij die commissie en gaat die commissie dan vervolgens de betreffende journalist verbieden om zich te afficheren als journalist die de code onderschrijft?
• In Nederland hebben we al de Raad voor de Journalistiek die klachten behandelt. Waarom moet daar nog een commissie naast komen met een eigen code? Functioneert de Raad voor de Journalistiek dan niet goed? Daarover staat niets geschreven in het rapport.
Alstublieft, laten we het niet nog ingewikkelder maken met een derde journalistieke code en een tweede klachtenloket voor journalistieke omissies. Het is nu al lastig genoeg om aan de buitenwereld uit te leggen waarom we in Nederland twee codes hebben.
In het kader van transparantie: de auteur van dit stuk heeft aan twee rondes van de Delphi-studie uit dit artikel deelgenomen.
9 reacties