Vandaar dat Jan-Jaap Heij, hoofdredacteur van dagblad De Pers, graag uitlegt waarom er niks mis is met een subsidie voor een bijlage over Zuid-Afrika.
Er zijn kranten die uit principe nooit één cent subsidie van wie dan ook aannemen. Er zijn kranten die dat soms wel doen, maar het niet aan hun lezers (en doorgaans ook niet aan de meeste van hun redacteuren) vertellen, uit angst voor negatieve reacties. Er zijn kranten die het niets kan schelen wie er meebetaalt aan hun redactiebudget, zolang de lezer het maar weet en de inhoudelijke bemoeienis van subsidieverstrekkers zich beperkt tot de onderwerpen waarover geschreven wordt. En niet zo ver gaat dat ze dicteren wát er over die onderwerpen geschreven wordt, en hoe. Tot slot heb je kranten bij wie die drie opvattingen door elkaar lopen naar gelang het uitkomt.
Op de vierde categorie kom ik later in dit stukje terug. De Pers, voor de goede orde, behoort tot de derde categorie.
Geharnaste blanke racisten
Vandaar dat ondergetekende er geen been in zag om voor een bijlage over Zuid-Afrika, die tussen begin en eind juni in vijftien edities van De Pers en deels ook op depers.nl verscheen, een projectsubsidie aan te vragen bij de Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling, verder NCDO. 44.300 euro om precies te zijn, zeg 3.000 euro per bijlage van 5 pagina’s. Die bijlage ging over de dagelijkse realiteit van het leven van de Zuid-Afrikanen, van township-bewoners en radicale ANC-leden tot geharnaste blanke racisten, en alles wat daar tussenin zit, en de impact van het WK op dat leven.
Wil je als gratis krant zo’n bijlage in tijden van zware economische crisis kunnen maken, dan is daar subsidie voor nodig. Niet voor het hele bedrag (we staken er zelf een kleine 60.000 in), maar wel voor een deel. Het is niet echt een onderwerp waar je advertenties op kunt verkopen tenslotte, geen redactiebudget is nog toereikend voor zulke uitgaven, en lezersinkomsten heeft De Pers niet.
Subsidie kan dan helpen, de NCDO heeft er zelfs een aparte subsidieregeling voor. Veel media die nog iets van buitenland-journalistiek overeind willen houden, maken daar gebruik van. Voor de NCDO is de doelstelling van die regeling: bekendheid geven aan en begrip kweken voor de problematiek van ontwikkelingslanden, op een manier waar de lokale ontwikkeling direct of indirect van profiteert.
Media die daaraan mee willen werken, kunnen rekenen op een bijdrage aan hun operationele uitgaven. Reis en verblijf, geen loonkosten. Zolang een project past binnen de doelstelling, en de ontvanger vermeldt dat het tot stand is gekomen met een bijdrage van de NCDO, bemoeit deze organisatie zich verder niet met de inhoud van artikelen. Wel moet op zeker moment uiteraard een verantwoording van het project worden ingeleverd, inclusief kosten.
Mobiele internetverbinding
De subsidie is De Pers toegekend op basis van een ruwe projectbegroting, waarna we allerlei kosten nader gespecificeerd hebben en de projectorganisatie zo hebben opgetuigd dat de bijlage zo goed mogelijk zou worden, tegen zo laag mogelijke kosten. We besloten een team van 5 verslaggevers en 5 productiemensen (vormgeving, eindredactie, coördinatie) te sturen. Deze laatsten zouden ook artikelen schrijven. Netto schreven er per dag 7 mensen aan de bijlage en werd die door 3 mensen geproduceerd. Zo meteen wordt duidelijk waarom die getallen in dit verband van enig belang zijn.
Vormgevers, beeld- en eindredactie gingen mee naar Kaapstad, waar het team werd ondergebracht. Dat kostte ons zo’n 8.000 euro extra. Een fractie van wat we anders nodig zouden hebben gehad aan met name ICT-kosten. Denk, bijvoorbeeld, aan hoeveel geld het kost om drie weken lang foto’s van drukkwaliteit over een internationale mobiele internetverbinding naar Nederland te sturen. Daar komen dan nog eindeloze hoeveelheden internationale telefoontjes bij om te overleggen over stukken en beeld. Het was dus goedkoper en handiger om de productie op locatie te doen.
Controverses
Subsidie toegekend, iedereen blij, team naar Zuid-Afrika. Maar al snel bleek dat het subsidiëren van journalistieke producties zo hier en daar toch wat controverses oproept. Op de dag dat de eerste bijlage verscheen kreeg ik een telefoontje van Het Parool (een krant die zelf ergens zweeft tussen de categorieën een en twee waar ik het stuk mee begon). Het Parool had wat vragen over de bijlage en de subsidie. Daar verscheen een op zich prima stukje over, inclusief een uitleg van de gekozen werkwijze.
Het stukje bevatte alleen één wat misleidende zin, namelijk dat onze roddelpagina Koster & Jojanneke ook onderdeel was van het project. Zulks was maar deels het geval. Koster & Jojanneke waren in Zuid-Afrika, hun pagina stond als extra bij de 5 gesubsidieerde pagina’s ín de bijlage, maar we hadden voor hun werkzaamheden geen subsidie gekregen en ook niet aangevraagd. In de beste tradities van KoJo hadden de twee een sponsordealtje gemaakt met een fabrikant van ietwat ranzig ondergoed. Dat, voor de goede orde, doet Dagblad de Pers dus ook als het zo uitkomt, en sans gene. Ons leek dat de belastingbetaler zo gratis wat meer waar voor z’n geld kreeg.
Als een kabinet demissionair is en de oppositie even weinig om handen heeft, kan er van zo’n zinnetje enig gedoe komen. Ewout Irrgang van de SP, geen vriend van de NCDO (waar hij het volste recht toe heeft), stelde naar aanleiding van het artikel Kamervragen aan de ministers van Buitenlandse Zaken en OCW over de kwestie.
Bavaria babes
De vragen waren onder andere (sommige wat bredere over nut en noodzaak van de NCDO laat ik hier weg):
‘Is het juist dat columnisten Mark Koster en Jojanneke van den Berge ook (deels) gefinancierd worden uit het NCDO-budget van € 40.000 euro? Zo ja, kunt u dan aangeven hoe een artikel als “Bavaria Babes gegijzeld” meer begrip en bekendheid kweekt voor de ontwikkeling van Zuid-Afrika?’
Ik wist het antwoord daar wel op: nee, dat is niet juist. Ook niet deels. Maar ik snapte, gezien de plek van hun pagina, de verwarring wel.
‘Is het juist dat de vormgever en eindredacteur van De Pers ook zijn meegereisd en eveneens (deels) uit het NCDO-budget worden gefinancierd? Zo ja, acht u dit noodzakelijk c.q. kan dit werk niet vanuit Nederland worden gedaan?’
Ja, dat is juist. Sterker nog, er waren, om de redenen die ik hierboven aangaf, een eindredacteur, een coördinator, twee vormgevers en een beeldredacteur op kosten van de NCDO meegegaan. Drie daarvan produceerden de bijlage dagelijks, twee schreven mee aan de inhoud. Dat was de goedkoopste productievorm. Allen werkten zich uit de naad. Geen idee waarom ministers zich daarover zouden moeten buigen, maar goed.
En dan was er nog deze:
‘Deelt u de mening dat deze subsidie voor De Pers in strijd is met de journalistieke onafhankelijkheid aangezien het de lezer niet duidelijk is dat de speciale editie van De Pers uit Afrika gesubsidieerd is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?’
Ik weet wel dat een Kamerlid geen tijd heeft om elke dag De Pers te lezen. Maar die vermelding heeft er toch echt vanaf het begin op een zeer zichtbare plaats bijgestaan, zoals ook afgesproken met de NCDO. Het stond pontificaal bovenaan de voorpagina van de bijlage.
Zoals Ewout Irrgang z’n gedachten heeft over het nut van de NCDO, zo heb ik mijn gedachten over het niveau van sommige Kamerleden. Ik heb hem nog wat tekst en uitleg gemaild, maar als die Kamervragen eenmaal gesteld zijn ga je ze natuurlijk niet meer intrekken.
Mekkeren over andermans subsidie
Daarna kwam er nog bemoeienis met de kwestie van enigszins onverwachte zijde. De hoofdredacteur van Metro stelde namelijk een eindeloze (écht: eindeloze) reeks vragen over allerlei details van onze subsidieaanvraag. Metro had een voetbalbijlage over het WK (die van ons ging over Zuid-Afrika), en vond het maar gek dat wij voor de onze (die dus over iets anders ging) subsidie hadden gekregen.
En dat vond ik op mijn beurt dan weer gek. Ik bewonder Metro zeer, vanwege het feit dat de krant zich in ruim tien jaar, in een knalhard gevecht, een positie op de Nederlandse markt heeft weten te verwerven en daarbij aanzienlijk minder stommiteiten heeft uitgehaald dan mijn eigen De Pers. Er werken hele slimme mensen bij Metro.
Maar het is ook, laten we wel wezen, een krant die tegenover elke inkomstenbron een beleid voert dat je zou kunnen kenschetsen als: by any means neccessary. Als er één krant is die adverteerders, mediapartners en ook subsidieverstrekkers zéér uitgebreid ter wille wil zijn, dan is het Metro. Dus om nou op deze schaal te gaan mekkeren over andermans subsidie…nee.
Mediadeal
De NCDO is verplicht op vragen over hun subsidies antwoord te geven, en doet dat uiterst professioneel. ‘Wij verschaffen altijd iedereen alle feiten waar men om vraagt.’
Sommige vragenstellers krijgen er zelfs nog spontaan een paar andere feiten bij. De hele discussie eindigde in een memo aan de hoofdredacteur van Metro (PDF). En dat besloot als volgt:
‘Bovenstaande zorgvuldige afweging geldt overigens voor alle door NCDO gesubsidieerde (journalistieke) producties. Ook de subsidie voor een eenmalige themakrant over vluchtelingenproblematiek die vorige week vrijdag (18 juni, JJH) in de Metro stond, is op deze wijze beoordeeld.
Voor de volledigheid wil ik graag vermelden dat NCDO in oktober 2009 een ‘mediadeal’ had met uw krant: voor het plaatsen van advertenties werden redactionele afspraken gemaakt. Deze redactionele artikelen waren hoogstwaarschijnlijk niet door Metro geplaatst als er geen advertenties waren ingekocht. Bij de artikelen werd niet vermeld dat deze ontstaan waren uit een samenwerking met NCDO. Een overigens gangbare en succesvolle constructie die vele organisaties met vele kranten maken en dus ook met de uwe.’
Liever eerlijk
Wat leert dit alles ons over wat de beste opstelling is van kranten (of andere media) tegenover subsidies? Categorie een – nee, nee en nog eens nee – is wellicht de plezierigste. Maar het leven in deze categorie is hard als de redactiebudgetten onder druk staan. Categorie twee – een beetje doen, niet zeggen – is leuk tot het moment dat een keer blijkt dat je liegt over waar je geld vandaan komt. Categorie drie – gewoon aanvragen en daar zo duidelijk mogelijk over zijn – resulteert zo nu en dan in vragen, maar ook in mooie bijlagen en stukken. En categorie vier, een mengelmoesje van de andere drie naar gelang het de betrokken krant uitkomt? Zeuren als anderen eerlijk zijn over hun financiers, die je zelf ook benadert maar waar je níét per definitie eerlijk over bent? Zulke kranten krijgen soms in een memo gevraagde feiten toegezonden. En een paar ongevraagde.
Dan toch maar liever eerlijk zijn, lijkt me – en je lezers een plezier doen met 15 bijlages.
3 reacties