Durf ‘media’ en ‘journalistiek’ gewoon eens helemaal lekker weg te denken

fortune teller

Serie: Toekomst voor de journalistiek (5)

Afgelopen vrijdag hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn oratie over de toekomst van de journalistiek. Vandaag reageert Jaap Stronks, online-strateeg voor maatschappelijke organisaties, momenteel bezig met de oprichting van Johnny Wonder | Bureau voor Publieke Interactie.

Er is iets vreemds aan de hand met het debat over de toekomst van de journalistiek. Het gaat namelijk letterlijk helemaal nergens over. Dat is het best uit te leggen aan de hand van de gestelde diagnose en het voorgeschreven medicijn in de oratie van Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit. De diagnose is degelijk en veelomvattend, want beschrijft niet één, geen twéé, maar liefst dríe transformaties die de journalistiek ondergaat. Het medicijn steekt daar echter wat magertjes bij af.

Dat luidt namelijk: de journalistiek moet zich beter profileren en verkopen. In zijn oratie omschrijft Bardoel het zo: “Om toekomst te hebben moet de journalistiek twee dingen doen: zich intern verder professionaliseren en zich extern sterker profileren. (…) De eigen opdracht en werkwijze moeten beter worden geëxpliciteerd en wellicht ook meer gesanctioneerd worden”. Dat is toch gek. Want hoe is in vredesnaam mogelijk dat de journalistiek van alle kanten tegelijk wordt bedreigd in zijn voortbestaan, maar vervolgens slechts wordt geadviseerd ietsje beter ‘zijn best te doen’, zich wat beter te ‘verkopen’ en te ‘profileren’? Dat klinkt toch een beetje alsof je een terminaal patiënt naar huis stuurt met het advies rust te houden en wat extra vitamine C te slikken.

Waar hebben we het over?

Bardoel raakt dan ook verstrikt in zijn tegenstrijdige aanbeveling om de journalistiek beter te profileren maar tegelijkertijd open te houden – zoals ook Mark Deuze en Henk Blanken opmerken. Met de journalistiek als beroepsgroep en de media-organisaties is van alles mis, maar met de journalisten zelf niet, zegt Deuze. Blanken is het met hem eens: probeer niet het vak of de klassieke mediamerken te ‘pluggen’, maar in plaats daarvan ‘het product, de auteur en zijn verhalen’, zegt hij.

Het kan aan mij liggen, maar het wordt er vooralsnog niet duidelijker op. Waar hebben we het over? Ook dat bedoel ik heel letterlijk. Wat is het onderwerp? Volgens mij proberen we iets te redden, daar een toekomst voor te vinden (let alvast op de vooringenomenheid, het ingebouwde conservatisme van de hele exercitie), maar wat precies? Het redden van de bedrijfsmodellen was al een gepasseerd station, distributie- en verschijningsvormen hebben geen eeuwigheidswaarde. Het genoemde ‘journalistieke product’ kan het niet zijn: het commerciële product ‘krant’ bijvoorbeeld hoeft dus niet per se te worden gered. Het journalistieke ‘product’ iets abstracter opgevat, als eindresultaat van een professioneel productietraject, verdient echter evenmin bescherming: journalistiek is immers een proces, nooit af, wordt beter dankzij de inbreng van derden, crowdsourcing, gaat u maar door – dus vallen ook die ‘verhalen’ af. ‘Betere verhalen vertellen’ is overigens de mantra van Blanken, terwijl dat, met alle respect, toch net zo’n vitamine C-argument is als de aanbeveling van Bardoel om die verhalen wat beter in de etalage te zetten.

De focus op ‘journalisten’ als onderscheidbare onafhankelijke objectieve professionele beroepsgroep is echter al helemaal onzalig. Praktijkvoorbeeldje: gisteren las ik via een retweet door een GroenLinks-lid van een Twitter-bericht van Jack de Vries dat de laatste ontkende in de race te zijn voor het fractievoorzitterschap van het CDA, een gerucht dat ik gisteravond laat al via een Facebook-link van een vriend had gelezen op de website van treinkrant De Pers, waarna ik een internetjournalist/blogger er ’s nachts op Radio 1 (via internet beluisterd) over hoorde vertellen. Dit hadden we een paar jaar geleden niet eens kunnen verzinnen, kun je nagaan wat ons nog te wachten staat. Duidelijk is dat nieuws en opinie openbare feestjes zijn, conversaties tussen allerlei personen en partijen die op vergelijkbare wijze werken, waarbij het onderscheid tussen bloggers, journalisten en andere typen steeds onduidelijker wordt.

Geen touw aan vast te knopen

De vraag is ook of dat erg is. Waarom zouden journalisten eigenlijk per se zo duidelijk onderscheidbaar moeten zijn? Wat maakt hen zo speciaal dat ze kwaliteitskeurmerken, ethische codes en journalistieke raden nodig hebben? Als we al structuren ter kwaliteitsbevordering van publieke communicatie nodig hebben, is het wel zo handig dat die ook van toepassing kunnen zijn op politici en bloggers, bijvoorbeeld. En die kwaliteitsbevordering zul je vast niet moeten zoeken in de sfeer van formele regulering of andere vormen van institutionalisering.

Bardoel besluit het niet onbelangrijke eerste deel van zijn oratie over de professionele status van de journalist, zich beroepend op Jane B. Singer (2003), met de vaststelling dat journalisten ‘zeer toegewijd aan het publieke belang’ zijn, ‘ter wille van het bedienen van burgers in een democratische samenleving’ – dat is zelfs de slotconclusie na een bespreking van de onduidelijke status van de journalistieke professie. Maar Singer ontmaskert juist het claimen van die maatschappelijk gewichtige rol (en alle voorstellen om de journalistiek ‘beter te profileren’ of exclusiever te maken via strengere codes, keurmerken of sanctioneringsmethoden) als pogingen van een bedreigde professionele klasse om de bevoorrechte status in de samenleving te beschermen. Voor een belangrijk deel eigenbelang, dus. Maar dat inzicht ontbreekt simpelweg in deze discussies. En dat staat nog los van het punt dat je in de netwerksamenleving status verkrijgt op basis van controleerbare verdienste, via genetwerkte, decentrale processen, niet op basis van formele, geïnstitutionaliseerde mechanismen als commissies, ethische codes, keurmerken en juridische verankeringen.

Kortom: eerlijk gezegd is aan dat hele debat over de toekomst van (of ‘voor’) de journalistiek domweg geen touw vast te knopen. Het is jammer dat ik geen vervolg heb geschreven op een van mijn eerste artikelen voor De Nieuwe Reporter, waarin ik het begrip journalistiek onbruikbaar verklaarde, omdat je door het te gebruiken allerlei onlosmakelijk ermee verbonden veronderstellingen en ideeën in je denken importeert. Zoals daar zijn: het idee van de onafhankelijke professional die verhalen produceert, met de burger als passieve afnemer. Of: het klassieke onderscheid tussen onafhankelijke journalisten enerzijds en (ik citeer Bardoel in diens oratie) “de waterdragers van de publiciteit, zoals voorlichters, woordvoerders en andere reputatiebehartigers” anderzijds. Die tegenstelling is een van de pijlers van de journalistieke ideologie, maar is in de praktijk allang achterhaald. Al is het maar omdat organisaties, bedrijven en overheden zich anders gaan opstellen: zij communiceren niet om te communiceren, maar omdat ze wat te melden hebben, een ideaal of een achterban vertegenwoordigen, draagvlak willen creëren, diensten of producten willen aanbieden.

Thinking the unthinkable

Juist omdat al die organisaties geen ‘journalistiek’ bedrijven, kom je bij het debat over de toekomst van de journalistiek niet snel uit op ontwikkelingen buiten de journalistieke sector. Maar de toekomst van de media, van journalistiek, van het publieke debat ligt voor in elk geval een groot deel buiten de media, buiten de journalistiek. Als ik een bescheiden suggestie mag doen: het verdient aanbeveling om het over onderdelen en achterliggende functies van de journalistiek te hebben, zoals de toegankelijkheid van het publieke debat, de groei van de linkeconomie, de ontwikkeling van hyperlokale online-medialandschapjes, de afrekenbaarheid en verantwoordelijkheid van deelnemers aan het publieke debat.

Kijk vooral naar alles wat niet ‘media’ of ‘journalistiek’ is. Durf ‘de media’ gewoon eens lekker helemaal weg te denken, omdat ze hun bestaansrecht ontleenden aan de voorheen unieke capaciteit om grootschalig te communiceren. Kijk in plaats daarvan naar maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven, netwerkgemeenschappen, branche-organisaties. We kunnen ‘de journalistiek’ weliswaar nog niet bij het grofvuil zetten, maar het begrip ‘journalistiek’ wel – als we tenminste zinvol willen nadenken over de toekomst van publieke communicatie, nieuws en het publieke debat.

Dat is echter waarschijnlijk onmogelijk, omdat het voor de gevestigde orde een onacceptabel uitgangspunt is, treffend omschreven door Clay Shirky. Een nuchtere benadering van de werkelijkheid is ondenkbaar en onacceptabel, dus blijft ‘de journalistiek’ luchtkastelen najagen (walled gardens en iPad-verdienmodellen, anyone?) terwijl de oorspronkelijke maatschappelijke functies van de journalistiek opnieuw worden uitgevonden in andere domeinen van de samenleving.

Een overzicht van de andere bijdragen in deze serie vindt u hier.

Jaap Stronks

Jaap Stronks is oprichter & directeur van Bolster en is er verantwoordelijk voor online-strategie & projectmanagement.

Alle artikelen van Jaap Stronks op De Nieuwe Reporter.

  • Maria

    Pff, lang! Het lijkt de verdomde journalistiek wel.

  • Heb op m’n eigen blog nog een begeleidende blogpost gepubliceerd:
    http://www.jaapstronks.nl/archief/journalistiek-de-paardloze-koets-van-de-21e-eeuw/

  • Met de journalisten zelf is niets mis, vat Jaap Stronks een deel van het betoog van Bardoel en Deuze samen, waarna hij opmerkt dat ik het daarmee eens ben. Dat is onzin, zowel die samenvatting, als mijn kennelijke instemming.

    In PopUp hebben Deuze en ik vooral uiteengezet wat er allemaal mis is met de journalistiek en hoe die beter moet worden om nog van waarde te zijn in de 21ste multimediale eeuw. Ons is verweten dat we onze vakgenoten te veel afvallen. Dat Stronks nu het tegenovergestelde doet is curieus.

    Evenmin begrijp ik hoe Stronks mij kan aanwrijven dat ik met mijn mantra over betere verhalen de journalistiek wil dichttimmeren. Bardoel neigt daarnaar; mijn afwijzende reactie op DNR spreekt voor zich.

    Ik vind dat de journalistiek, zo ze van waarde wil blijven (wat ik net als Stronks helemaal niet vanzelfsprekend vind), zich zal moeten onderscheiden. Dat wil zeggen: beter en professioneler zal moeten worden. Niet om daarmee het vak af te sluiten voor buitenstaanders, maar domweg omdat de markt, het publiek, er anders de waarde niet van zal inzien, laat staan ervoor zal willen betalen. Want de schets die Stronks aan het eind van zijn verhaal geeft, klopt natuurlijk: de oorspronkelijke massamediale functies van media en journalistiek worden elders opnieuw uitgevonden.

  • @Henk: je schrijft: ‘probeer niet het vak te pluggen (…), maar het product, de auteur en zijn verhalen.’ En: ‘[het wordt] van steeds meer belang individuele auteurs als merken te ‘branden’, en losse verhalen te verkopen.’ En Mark Deuze (ik ben het verder vrijwel volledig met hem eens) stelt in zijn slot dat het vooral de sector en de mediabedrijven zijn die de journalisten belemmeren in de uitoefening van hun functie, waarmee niks intrinsiek mis lijkt te zijn, ‘als ze maar een industrie hadden die het hen mogelijk maakte fatsoenlijk hun werk te kunnen doen’.

    Er wordt een tactiek van verschroeide aarde gehanteerd: steeds verder wordt de journalistiek afgebroken. Het gaat niet om de krant als instituut, bedrijf of product, niet om de beroepsgroep, maar steeds stokt het dan: er blijft altijd wel behoefte aan professionele journalisten die goede verhalen produceren. Als de mediabedrijven hen hun werk maar zouden laten doen. Als ze zich maar wat beter zouden profileren. Als als als, en je houdt dan niks over. Ik constateer dat die benadering, die uitgaat van een soort universeel geldige journalistiek met steeds minder pijlers (resterend: de nadruk op de ‘verhalen’ die gemaakt worden door ‘auteurs’) alsnog een product is van een verouderd referentiekader, laat ik het de journalistieke ideologie noemen.

    Het curieuze en interessante is inderdaad dat jij en Mark Deuze de kritiek krijgen de beroepsgroep te veel af te vallen. Het tegenovergestelde is waar. Veelzeggend is Bardoels oratie: in zijn verhaal vertelt hij anno 2010 van alles over genetwerkte journalistiek, inderdaad zwaar leunend op allerlei denkwerk van jaren geleden van mensen als Deuze. Veelzeggend citaat uit de oratie:

    ” Deuze […] vindt in dezelfde publicatie dat veel, relatief vroege auteurs over dit onderwerp, waaronder ikzelf, nog teveel vastzitten aan het traditionele paradigma van de journalistiek […]. Hoewel ik vind ik dat Mark Deuze wel eens wat te enthousiast is over de nieuwe technologische mogelijkheden, heeft hij – zoals we het tegenwoordig modern zeggen – zeker een punt.”

    Met terugwerkende kracht krijgt Deuze gelijk, maar altijd met dat voorbehoud. Waarom? Groepsdruk, zoiets. En de moeite die het kost (en de weerstand die het oproept) om het ondenkbare te denken, zie opnieuw Shirky. De dwingende kracht van de gevestigde orde, die er geen belang bij heeft dat al te zeer aan de eigen stoelpoten wordt gezaagd. Dat matigt de toon. ‘Het loopt allemaal niet zo’n vaart’, ‘er is altijd behoefte aan goede journalisten’ – en meer van die gemeenplaatsen. Maar zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Genoeg slimme eerlijke mensen hoor, maar op zijn minst matigt men z’n toon. Daar heb ik mij zelf ook wel schuldig aangemaakt.

    Wat Deuze zegt: misschien moeten we wel ‘voorbijgaan aan de journalistiek’, is het tijd voor ‘meer gewelddadige reflectie’. Nou, dat is zo. Ik volg eigenlijk vooral Deuzes advies, en ook mijn inhoudelijke kritiek is slechts een scherpere formulering van zijn eerdere observatie die Bardoel citeerde.

  • lia

    Grappig. Ik vertel mijn leerlingen dat wij in Nederland onze samenleving op zekere manier hebben georganiseerd, en dat er meer samenlevingen zijn en dat die heel anders zijn georganiseerd, dat niets goed of fout is maar dat dit gebeurt o.a. door omgevingsfactoren zoals weer, bergen, woestijn etc. Ik probeer met ze terug te gaan naar een soort begin en ze zijn nu aan het onderzoeken hoe zij hun samenleving zouden willen organiseren, wat kom je tegen, is organiseren uberhaupt nodig, of ontstaat iets gewoon als er behoefte aan is. We komen erachter dat het zoals het hier gaat nog tamelijk rechtvaardig is (dit is een belangrijke waarde voor de kinderen!) maar dat het nog rechtvaardiger zou kunnen, maar dat eigen belangen vaak in de weg staan van rechtvaardigheid. Wat rechtvaardig is voor de één, schaadt de belangen van een ander. Ik probeer ze uit te leggen wat assertief is, namelijk het nastreven van je eigen behoeften, wensen, belangen zonder die van een ander te schaden, zij vinden dat een mooie weg (waar ik dan weer blij mee ben). Maar gek genoeg komt journalistiek in het verhaal niet voor; het wordt niet gemist. Als ik enkele functies noem (informeren, diverteren etc) zeggen ze dat ze het zelf wel uitzoeken, ontspanning vinden ze ergens anders wel etc. Pas als het gaat om het bewaken van het evenwicht in rechtvaardigheid, bijvoorbeeld als de belangen teveel naar steeds dezelfde zijde dreigen door te slaan, wordt het voor hen een item. Ik ben het wel eens met Deuze als hij zegt dat het tijd is om voorbij de journalistiek te gaan: de journalistiek zou opnieuw moeten beginnen.

  • @Henk: ik heb m’n punt niet goed afgemaakt. Met die citaten geef ik aan dat ik concludeer dat ook volgens jou met de basis van de professionele journalist die verhalen maakt niet veel mis is – en die samenvatting klopt, toch? Ik stel daartegenover dat dat mij nog niet ver genoeg gaat. Ander voorbeeld, over wat je zegt over Pop-up: de doelstelling is hoe de journalistiek beter moet worden om waardevol te zijn zodat ervoor betaald wordt.

    Nou, dan bevraag ik de onderliggende assumptie die aan je boek ten grondslag ligt dat er betaalde journalistiek moet zijn. Waar heeft die toch zijn universele bestaansrecht aan verdiend? Bardoels hele betoog over betere profilering berust op de conclusie dat de journalistiek domweg maatschappelijk belangrijk is, al ziet het publiek dat nog niet zo. Maar die conclusie bereikt hij op basis van Singer, die echter het tegenovergestelde aanvoert, door te laten zien dat het vooral een gecláimde maatschappelijke status is – en al die ethische codes hadden vooral dáár mee te maken, de maatschappij zal het worst wezen.

    Tot slot: het bovenstaande in aanmerking genomen, is het niet per se erg om de journalistieke beroepsgroep te helpen relevant te blijven. Op zich prima. Maar de journalistiek vervult wel dégelijk een aantal belangrijke functies in de samenleving. Maar als je kijkt naar bv nieuwsselectie en de organisatie van het publieke debat, is zonneklaar dat die functies voor een belangrijk deel buiten de journalistiek om georganiseerd worden. Waarvan de vraag is of dat allemaal even vlekkeloos zal verlopen. Met het oog op het algemeen belang van een gezonde communicatie- en informatiehuishouding van de samenleving zou ik graag zien dat een deel van dat denken over de journalistiek wordt ingezet om te denken over de achterliggende functies.

  • @Jaap: We zijn het natuurlijk meer eens dan oneens. Ter nuancering: ik vind niet dat de journalistiek per se een universeel bestaansrecht heeft. Sterker: ik stel dat geregeld ter discussie. Ik vraag me net als jij af of de claim (journalistiek is nodig in een democratische samenleving) wel terecht is. Omdat de burger bijvoorbeeld ook anders kan worden geïnformeerd. Of omdat we ons de vraag de vraag moeten stellen hoeveel journalistiek dan nodig is.

    Als ik hardop nadenk over de vraag hoe de journalistiek betaald kan blijven, doe ik dat omdat ik tegelijkertijd wel inzie dat de beroepsgroep die vraag nogal belangrijk vind, is het niet om principiële redenen (er zijn journalisten die vinden dat professionele journalisten nodig zijn), dan wel omdat er nu eenmaal brood op de plank moet komen.

  • Pingback: Metareporter » Journalistiek, R.I.P.?()

  • Mooi stuk Jaap!

    Voor wetenschappers is het moeilijk om beleidsaanbevelingen te maken en toekomstvoorspellingen te doen op dit vlak. Er zijn te veel onbekende, toekomstige variabelen en wetenschappers houden nu eenmaal niet van koffiedikkijken. Wetenschap is traag en dat is een goede zaak.

    Zoals je Jo Bardoels aanbeveling hier samenvat komt het een beetje knullig over (ik heb zijn oratie zelf nog niet gelezen). De vraag is of dat erg is. Er wordt onder journalisten, bloggers en andere geïnteresseerden genoeg gespeculeerd, gegokt en bediscussieerd, en zij bevinden zich daadwerkelijk in het speelveld. Wellicht is het beter dat de wetenschapper in de ivoren toren dergelijke voorspellingen niet doet, zich houdt bij het maken van gedegen analyses van (bijvoorbeeld) veranderingen in het medialandschap, en de waan van de dag aan zich laat passeren.

  • Erwin

    Op zich ondersteunt dit artikel in zekere zin de waarneming dat de journalistiek moet werken aan interne professionalisering en externe profilering. Dat de auteur de expliciete vraag stelt ‘waar gaat het over’ geeft al aan dat de externe profilering onvoldoende is, vooral omdat de groep journalisten zelf wel vindt dat het een onderscheidende groep is en ook vinden dat de groep als zodanig herkend en beschermd moeten worden. Het creëren van striktere, preciezer regelingen die omschrijven wat nu het onderscheidende van journalistiek is zou het voor derden makkelijk moeten maken om de journalisten te kunnen onderscheiden van andere nieuwsbrengers.

    In die zin snap ik het punt van de oratie wel, hoewel het inderdaad wat onbevredigend is dat er geen concrete aanwijzingen zijn over hoe dat proces zal moeten plaatsvinden. In mijn beleving is dat echter ook een functie van de oratie: een probleem beschrijven waaraan een hoogleraarschap zal worden opgehangen, om in te kaderen waarbinnen de wetenschappelijke activiteiten zullen plaatsvinden.

  • @Erwin: ik weet niet hoe je tot die conclusie komt, maar ik vind helemaal niet dat de journalistiek zich sterker moet profileren. Een kunstmatig onderscheid tussen journalistieke content en niet-journalistieke content is zinloos, onmogelijk, contraproductief en belangrijker: niemand wordt ermee geholpen. Aangezien iedereen zich journalist mag noemen, maar niet iedereen die journalistiek-achtige dingen doet zich zo noemt, laat je de kwaliteitstoekenning dus afhangen van de vraag of contentmakers zich journalist willen noemen of niet. Maar betrouwbaarheid, relevantie en degelijkheid zijn kwaliteiten die overal waarneembaar zijn, en het oordeel over die kwaliteiten moet liggen bij gebruikers, niet afhangen van de vraag of een contentmaker zich in een bepaald institutioneel hokje wil laten stoppen.

    Relevantie en kwaliteit wordt bepaald met links, met likes, met reacties, met doorstuuracties, met aanbevelingen tussen mensen. Net zoals de betrouwbaarheid van een spullenverkoper op eBay wordt bepaald door zijn transactiehistorie, en niet door een of ander keurmerk. Betrouwbaarheid bijvoorbeeld komt tot stand via gedecentraliseerde, genetwerkte processen, waarbij gebruikers aan de knoppen zitten.

    Dit is dan ook een zuivere machtskwestie. Op welk niveau leggen we de macht om te bepalen welke verhalen, wiens bijdragen waardevol, relevant, betrouwbaar en degelijk zijn – op centraal niveau bij de mensen die bepalen wat ‘journalistiek’ is (vooral de journalisten zelf) of leggen we die macht bij iedereen? Het is een begrijpelijke reflex om die macht te willen behouden. Nog altijd vind ik het onbegrijpelijk dat in het debat hierover deze analyse niet wordt gemaakt. En hee, ik heb ‘m niet van mezelf, ik heb ‘m juist aan Jane B. Singer ontleend, die ik regelmatig heb aangehaald bij colleges enzo. Dat een verkeerde lezing van haar analyse juist wordt misbruikt om zonder enige kritische reflectie juist te stellen dat de journalistiek per definitie maatschappelijk enorm belangrijk is, zodat het alleen de vraag is hoe goed journalisten hun verhalen weten te verkopen, vind ik onbegrijpelijk.

  • En voor de liefhebbers: Geert-Jan Bogaerts schreef een opiniestuk op de site van de Volkskrant als reactie op dit artikel, en ik dien hem van repliek in de comments aldaar.
    http://extra.volkskrant.nl/opinie/artikel/show/id/6725

  • Ronald K

    @Jaap: stel er zijn verkiezingen geweest in Venezuela en ik als geïnteresseerd burger wil even snel lezen over uitslagen, onderwerpen, rivalen, en graag nog wat duiding. Waar kan ik dan terecht?

    Moet ik het web af gaan speuren naar het meest gelikete artikel? Of denk je dat die populariteit zich na verloop van tijd zal consolideren en clusteren? Dat ik op een vast adres terecht kan voor mijn nieuwsbehoefte?

  • @Ronald: ja, ik denk dat je op een vast adres terecht kan. Dat is nu al eenvoudig zichtbaar: de meeste bezoekers van een nieuwssite komen via intermediaire systemen die toegang bieden tot een veelheid aan bronnen: zoekmachines, aggregatiesystemen en sociale media. Die selecteren op basis van linkgedrag van nieuwssites zelf, cues van medegebruikers (likes, RT’s, comments), een analyse van jouw voorkeuren (hetzij door jou opgegeven, hetzij automatisch geanalyseerd), eventueel een zoekopdracht en een handvol andere factoren wat relevant nieuws is, voor iedereen of voor jou persoonlijk.
    Als je geïnteresseerd bent in buitenlands nieuws, dan zou ik je aanbevelen anderen te volgen op Twitter met dezelfde interesses en een zoekopdracht via Google News gebruiken. Als je Engels goed is zijn er vast Engelstalige bronnen die beter zijn dan Nederlandstalige (Spaans nog buiten beschouwing gelaten).

    Kom je nu uit bij journalistieke bronnen? Ja. Maar dat was de vraag niet, de vraag was waar je terecht kon, welke interface je gebruikte. Nou, de belangrijkste interfaces tot het nieuws, waar de (voorheen journalistieke) functie van nieuwsselectie en relevantie-bepaling plaatsvindt, bestaan nu buiten het domein van de journalistiek.

    Dus is dit een prima illustratie van mijn punt. Ik wil echt de journalistiek niet afschaffen, maar voor de innovatie van publieke communicatie en achterliggende functies van journalistiek, moeten we verder kijken dan de journalistiek.

  • lia

    Beste heren journalisten Stronks, Deuze en Blanken (waar zijn de dames op jullie niveau eigenlijk?),

    de enige functie van de journalistiek die ik wel eens goed onderzocht zou willen zien worden, die bijzonder genoeg tijdens een studie journalistiek níet aan de orde komt, en die mogelijk door het beroepsveld ontkend zal worden, is de socialiserende functie.

    Het is momenteel de functie die ik met mijn leerlingen in beschouwing neem, omdat journalistiek (denk bv aan de eenzijdige invalshoek en daarmee berichtgeving de laatste decennia over terrorisme), overheid en onderwijs naast gezin en familie de drie grootste spelers op het gebied van socialisatie zijn. Het lijkt mij goed dat zij daar doorheen leren kijken. Ik ben wel benieuwd naar jullie opvattingen hierover, omdat de door de Onderwijsraad, WRR en anderen zo gewenste bereidheid en het vermogen onderdeel uit te maken van een gemeenschap en daaraan bij te dragen (burgerschapsvorming is per wet in het onderwijscurriculum opgenomen) naar mijn idee nooit opgelegd noch verwerkt mag worden in het socialisatieproces van
    leerlingen, als daaraan vooraf niet gaat (het besef van) de vrije keuze van de individu zelf. mvrgrt.

  • Pingback: Stuur onze zomerreporter op reis! | De nieuwe reporter()

  • Pingback: Word Zomerreporter 2011! | De nieuwe reporter()

  • Pingback: PR Links week 38 - Coopr()

  • Rob Visser

    Discussies over de toekomst van de journalistiek volg ik altijd graag. Ik ben het ermee eens dat de situatie dramatisch is, tegelijk denk ik dat we óók moeten kijken naar wat er wel goed gaat en welke oplossingen er zijn. Dat heb ik gedaan in dit blogstuk http://bit.ly/ZoWaar . Kern is dat de waarde van journalistieke producten moet worden verhoogd. Niet voor de marketing, maar primair voor de maatschappelijke rol die de media (als nutssector) spelen.