Geen kretologie, maar empirie!

fortune tellerSerie: Toekomst voor de journalistiek (3)
Afgelopen vrijdag hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn oratie over de toekomst van de journalistiek. Vandaag reageert Hans Wansink, politiek commentator van de Volkskrant en co-auteur van het boek De krant moet kiezen (2008).

De kans dat een hoogleraar tandheelkunde zelf ook tandarts is, is vrij groot. Het is moeilijk tandartsen op te leiden als je zelf nooit patiënten hebt behandeld. Het opbouwen van je gezag als leermeester begint met een perfecte beheersing van je vak. Uiteraard moet je ook over theoretische kennis en onderzoeksvaardigheden beschikken, maar zonder praktijkervaring is het moeilijk respect af te dwingen bij de beroepsgroep.

De kans dat een hoogleraar journalistiek ook zelf journalist is, is beduidend minder groot. Het wemelt in Nederland van de mediawetenschappers zonder professionele ervaring als journalist. Dat dit een handicap is om door journalisten serieus te worden genomen, blijkt uit de oratie van Jo Bardoel.

Geen affiniteit met de praktijk

Bardoels oratie is een abstract verhaal, dat eigenlijk vooral uit grote woorden bestaat. Elke affiniteit met de praktijk ontbreekt. Ik ben bang dat Bardoel ook niet echt nieuwsgierig is naar de alledaagse praktijk van vallen en opstaan waarin bijvoorbeeld kranten proberen antwoorden te formuleren op nieuwe uitdagingen.

Die uitdagingen zijn bekend genoeg: de komst van het internet, het veranderde mediagedrag van met name jongeren en de verscherpte concurrentieverhoudingen in de mediasector zelf. Warna Oosterbaan (van NRC Handelsblad) en ik (van de Volkskrant), beiden zowel journalist als wetenschapper, hebben deze problematiek handzaam uiteengezet in De krant moet kiezen: De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek.

Dit twee jaar geleden verschenen boek werd welwillend ontvangen in journalistieke kring, maar door mediawetenschappers genegeerd. De reden daarvan was dat onze boodschap onwelkom was: wij zijn geen internetjehova’s en wij geloven wel degelijk in een markt voor kwaliteitsjournalistiek. Terwijl je natuurlijk hoort te zeggen dat de klassieke journalistiek ten dode is opgeschreven.

Onjuiste platitudes

Ook Bardoel blijft steken in platitudes. Zo noemt hij internet een ‘mondiale ontmoetingsplaats’, terwijl in werkelijkheid internet juist segregatie in de hand werkt: gelijkgezinden die elkaar opzoeken en dan verder radicaliseren.

Ook de tegenstelling tussen ouderen (lezen de krant) en jongeren (surfen op internet) is empirisch aanvechtbaar. De sites en de apps waaraan ook jongeren het meest gezag toekennen, zijn immers van gevestigde media. Ook NU.nl en de gratis kranten baseren zich op persbureaus met een bewezen reputatie, zoals het ANP. De tegenstelling in mediagebruik zit veel meer in het verschil tussen hoog- en laagopgeleiden.

Bardoel spreekt zichzelf herhaaldelijk tegen. Zo stelt hij spijtig vast dat ‘de aansturing van de media verschoven is van de maatschappij naar de markt’, terwijl hij verheugd meent dat burgerjournalistiek ‘een revolte is tegen een elitaire en bevoogdende professie’. Beide beweringen zijn bovendien onjuist. Kranten en tijdschriften zijn altijd commerciële massaproducten geweest die zich op de markt moesten bewijzen. En die burgerjournalistiek stelt bijzonder weinig voor.

Ondoordachte recepten

De recepten van Bardoel, zoals het afbakenen van de toegang tot het beroep (door wie?) en het invoeren van een keurmerk voor kwaliteitsjournalistiek (door wie?) zijn ondoordacht. Ze staan bovendien op gespannen voet met de vrijheid van drukpers en van meningsuiting.

Behoefte aan onderzoek

Zo blijven journalisten en mediawetenschappers met de rug tegen elkaar staan. Terwijl de sector juist behoefte heeft aan empirisch onderzoek naar de veranderingen die nu in mediabedrijven, op de redacties en in de markten plaatsvinden. Dat is in de eerste plaats een taak voor journalisten zelf (zie bijvoorbeeld De geldpers van Joost Ramaer over PCM).

Wetenschappers van buiten de journalistiek kunnen daaraan zeker een bijdrage leveren. Ze kunnen een voorbeeld nemen aan de Amerikaanse socioloog Herbert Gans, die voor zijn klassieke boek Deciding what’s news aan het eind van de jaren zestig geruime tijd meeliep op de redacties van Time, Newsweek, NBC en CBS. Of aan Mariëtte Wolf, die promoveerde op Het geheim van De Telegraaf na langdurig onderzoek op locatie aan de Amsterdamse Basisweg.

Een overzicht van de andere bijdragen in deze serie vindt u hier.

12 reacties

  1. Mark Deuze schreef op 19 september 2010 om 17:12

    Wansinks erudiete reactie op de oratie van collega-professor Jo bardoel is een prachtig voorbeeld van een oneindig diepe kennis van het vak, gevoed door filosofische zelf-reflectie en onaantastbare bronnenkennis.
    Vanuit het achteruitkijkperspectief van de eigen loopbaan kijkt Wansink naar hoe het verder moet. De taak van de wetenschap – altijd op zoek naar nieuwe kennis, het gedegen en waar nodig kritisch aan de kaak stellen van wat voor waar wordt gehouden – is volgens hem ondergeschikt aan het reflecteren op de eigen geschiedenis en van daaruit destilleren hoe het hoort, hoe het moet. Wij mogen in onze knuisjes knijpen van dankbaarheid dat hij ons in de gelegenheid stelt enkele van zijn wijze woorden zomaar, zonder aanschaf van zijn Verzamelde Werk, tot ons te nemen op dit ‘internet’.
    Hoogleraren journalistiek moeten ooit journalist geweest zijn, anders zijn ze gehandicapt, aldus Wansink. Precies. Elke journalist, waar hij of zij dan ook gewerkt heeft, weet namelijk precies hoe de journalistiek werkt. Je krijgt namelijk, samen met je eerste contract bij een omroep of uitgever, een geheim Boekje uitgereikt. En daar staat Alles in. armlastige hoogleraren zonder dat Boekje broddelen maar wat in de marge. En spreken in “grote woorden” en “platitudes.” Dat soort dingen bestaan niet in het Boek van de Journalistiek. daarin staat alleen de Waarheid. zoals opgetekend door Wansink, hoogleraar.
    Laat ik de Grote Wansink nog een aantal keer zacht citeren, net zoals we bij het wijnproeven de satijnen vloeistof nog even nagenietend lamngs ons gehemelte spoelen:
    “Het wemelt in Nederland van de mediawetenschappers zonder professionele ervaring als journalist.”
    Vanzelfsprekend weten per definitie ALLE journalisten precies hoe het zit met de journalistiek en dit kwalificeert hen automatisch tot de wetenschap cq het hoogleraarschap journalistiek. Aangezien ze wel eens iemand bellen of Googelen, hebben ze ook alle wetenschappelijke onderzoeksmethoden onder de knie. Dat is ze met de paplepel ingegoten, als het ware (zie Appendix B van het geheime Boekje van de Journalistiek, onder het kopje “Weten Is Weten”, vlak voor Appendix A, over theorie, getiteld “Dingen Zijn Zoals Ze Zijn”; heerlijke woorden, prachtige stukken).
    “Warna Oosterbaan (van NRC Handelsblad) en ik (van de Volkskrant), beiden zowel journalist als wetenschapper, hebben deze problematiek handzaam uiteengezet [...].”
    Juist! Als iedereen maar Wansinks en Oosterbaans boek leest Komt Het Helemaal Goed. Dat is het schoolvoorbeeld – letten jullie op, kinderen – van een uitstekend en afgewogen wetenschappelijk (en professioneel, want laten we onze voormalige loopbaan niet verloochenen) argument. Geen speld tussen te krijgen. Dat boek wordt tenslotte ook door iedereen geciteerd en aangehaald op redactievergaderingen als ‘Wetenschap Hoe Het Wel Moet’ en waar alle journalisten de onmisbare validiteit van in zien. Want het werd “welwillend” ontvangen. Dat bewijst de Waarheid van het Wansink/Oosterbaan paradigma. Kopen dus, onmiddelijk. En verder nooit meer iets lezen. Het is beschamend, dat nog niet elke Nederlander een exemplaar in huis heeft. Kan de overheid daar niet ingrijpen?
    “Zo noemt hij internet een ‘mondiale ontmoetingsplaats’, terwijl in werkelijkheid internet juist segregatie in de hand werkt: gelijkgezinden die elkaar opzoeken en dan verder radicaliseren.”
    Waarom zouden we een scherpe uitspraak laten bezoedelen door daadwerkelijk ONDERZOEK? Als journalisten weet je gewoon dat je een goed verhaal niet moet doodchecken. Dat is iets voor, jeweetwel, wetenschappers die zelf nooit journalist waren. Ik kan iets zeggen zoals: verreweg het meeste onderzoek laat duidelijk zien dat internet helemaal NIETS in de hand werkt. mensen radicaliseren ook heel prima ZONDER internet (daar heeft Nederland Wilders voor, en Amerika doet dit met Obama). ik zou heel flauw kunnen opmerken dat Wansink het werk van Pippa Norris eerst eens moet lezen, en daarna de honderden studies zoals gerapporteerd in journals als The Information Society, Information Communication & Society, New Media & Society, Publizistik, European Journal of Communication, enzovoorts. Maar waarom zou hij – hij is tenslotte ooit JOURNALIST geweest. Dan HOEF je niet meer door te lezen. dan ben je KLAAR.
    Laat ik maar niet verder gaan met proberen te doortasten waar Wansink het over heeft. Zoveel wijsheid en inzicht bijelkaar gebracht in een korte respons, het duizelt.

    nawoord: ik ben ook een voormalige journalist die zich nu eventjes hoogleraar mag noemen. Daarom mag ik ook zomaar roepen wat ik wil zonder me ook maar enigszins iets aan te trekken van degelijke argumentatie, bronnenmateriaal, of wat dan ook. Daarom mag ik ook zeggen dat andermans onderzoek er niet toe doet zonder zelf ook maar een vinger uit te steken. Dan mag ik ook lekker doorsoezen en daarbij het vak waar ik ooit hart voor had de nek omdraaien.

  2. Miriam schreef op 19 september 2010 om 21:44

    Mijn aanvankelijk danig kromgetrokken tenen verkeerden subiet in jubelstemming toen ik aan de reactie van Deuze begon – haha ;)

    Maar serieus; Wansink lijkt niet in de gaten te hebben dat een oratie meestal een globaal overzicht geeft en bovendien gericht is op een grote verscheidenheid aan toehoorders. Eerst maar eens afwachten wat Bardoel nu echt gaat doen.

  3. Sent Wierda schreef op 20 september 2010 om 11:19

    Hans Wansink is niet zo enthousiast over mediawetenschappers met geen of weinig professionele ervaring als journalist. Mediawetenschapper Mark Deuze voelt zich kennelijk aangesproken door Hans Wansink. Geconstateerd moet worden dat Hans Wansink veel langer met de voeten in de journalistieke modder heeft gestaan dan Mark Deuze.

  4. Pytrik schreef op 20 september 2010 om 14:15

    Moet de journalistiek onderzoeker ook journalist zijn geweest?
    Moet de diagnostiserend arts de ziekte van de patient ook zelf hebben gehad?
    Moet de politicoloog ook politicus zijn geweest?
    Moet de architect ook metselaar zijn geweest?
    Moet de psychiater ook patient zijn geweest?
    Moet de makelaar ook zelf een huis hebben (gekocht)?

    Om een goede xxx te zijn?

  5. Sent Wierda schreef op 20 september 2010 om 17:20

    Pytrik heeft blijkbaar niet begrepen waar de discussie over gaat. Het betoog van Hans Wansink geeft een antwoord op alle vragen.

  6. @ Mark. Als deze philippica een voorbeeld is van de pesterige vorm van kritiek leveren die je zegt voor te staan, dan lijkt het me – als voorbeeld – geslaagd, maar als methode niet erg wenselijk. Je moedwillig ongeliefd maken, lijkt me een vorm van omgekeerd populisme: al of niet ironisch tamboereren op je de eigen ethos, een hoop pathos, en maar een ietsje pietsje logos. Het lijkt me niet dat dat het devies moet zijn voor de nieuwe (niet-)journalistiek.

  7. Mark Deuze schreef op 21 september 2010 om 17:12

    Gerard, als ik je goed begrijp is mijn door Godfried Bomans-geinspireerde respons op Wansinks’ wanbetoog voor jou een voorbeeld van nauwelijks verholen borstklopperij, grotelijks bedoeld om te scoren bij een DNR-lezend publiek en daarbij inhoudelijk weinig diepgaand.

    tja, daar kom ik niet onderuit.

    ter verdediging: ik vind het erg moeilijk om het zelfingenomen en niet-geinformeerde gekakel van Wansink serieus te nemen. sterker nog: ik denk dat zijn soort geitenwollensokkenpraat bijdraagt aan het ingedutte karakter van de ‘journalism studies’ in binnen- en buitenland; we komen maar niet verder, we blijven steken op een herhaling van zetten en kijken met de rug naar de toekomst.

    mijn insteek: de meeste mensen die de journalistiek doceren, ooit uitoefenden, of als wetenschapper bestuderen hebben een veel te grote en veelal niet-reflectieve loyaliteit ten opzichte van de nieuwsindustrie en/of rituele manieren om journalistiek te doen/te begrijpen. hierdoor kan het gesprek nooit over talent, optimisme, innovatie, of experimenten gaan – zonder dat dit impliciet dan wel expliciet wordt getoetst aan ‘wat er al is’ cq ‘wat we al doen.’

  8. Jo Bardoel schreef op 21 september 2010 om 17:18

    Ik ben blij met de reacties op mijn oratie Toekomst voor de journalistiek, vrijdag aan de Radboud Universiteit. Zo’n openbare lezing is mede bedoeld om een positie te markeren en reacties uit te lokken, en dat lukt aardig, zowel in de traditionele media als via De nieuwe reporter en pakweg PowNed.

    Van de zeer inhoudelijke reacties via De nieuwe reporter stelt de reactie van Hans Wansink me teleur. Hij vindt dat mediawetenschappers die geen journalist geweest zijn geen recht van spreken hebben, en toont zich verongelijkt dat zijn boek De krant moet kiezen naar zijn zeggen door mediawetenschappers is genegeerd. Wat een achterhaalde stelingname, Wansink onwaardig: journalisten mogen zich met alles bemoeien, maar anderen moeten vooral van de journalistiek afblijven. Een betere illustratie van mijn frase, ergens in mijn verhaal, dat de journalistiek vroeger niet erg uitblonk in interne reflectie of zelfkritiek is nauwelijks denkbaar. Gelukkig denken steeds meer journalisten daar anders over, en is juist die zelfreflectie en dat debat, mede dankzij de inbreng van allerlei – ook academische – kanten, sterk toegenomen. Voor de rest verwijs ik naar de reactie van Mark Deuze. Hij is nog even journalist geweest, en mag dus meepraten. Ik werkte vijftien jaar voor de NOS, als je dat tenminste een journalistieke organisatie mag noemen, en vijf jaar voor de Groene Amsterdammer, dus ik moet me erbuiten houden.
    En ja, ik heb Wansinks boek wel degelijk van kaft tot kaft gelezen, maar vond de analyse en oplossing – kort gezegd -waardevol maar ook ontoereikend, en wil dat graag op een goed moment nog eens toelichten.

    Van Henk Blanken begrijp ik dat hij mijn analyse voor een belangrijk deel deelt, maar de oplossing – in zijn woorden: afbakening van het vak in plaats van openheid – niet deelt. Blanken stelt dat hij zich niet kan voorstellen dat ik met mijn pleidooi voor een journalistiek keurmerk terug wil naar de tuchtrechtspraak van vroeger (of zoals een reaguurder opmerkte: Groeten uit Noord-Korea, meneer Bardoel). Inderdaad, ik vind dat nu het journalistieke profiel minder gaat samenhangen met het merk van de krant of de omroep en in een internetomgeving verhalen vaker los verkocht worden, dat de journalistiek zich beter moet ‘branden’, om als kostbare activititeit temidden van steeds meer gratis en gestuurde informatie nog een kans te maken. Die scherpere profilering moet uiteraard door de beroepsgroep – of delen daarvan – zelf gebeuren, en daar ligt in het geheel geen rol voor de overheid. Speel het op de man, stelt Blanken, leg in de nieuwe omgeving de nadruk op het product, de auteur en zijn verhalen. Wat ik in feite voorstel, is dat de kwaliteit en herkomst van journalistieke informatie op vele manieren berter gemarkeerd kan worden: door oude en nieuwe mediaplatforms en het gestolde vertrouwen dat hun merken maakt, door auteurs die op eigen titel naam en faam verwerven (zoals Blanken voorstelt), en daartussen in – en daar doelde ik ook op – op groepen journalisten (bijvoorbeeld onderzoeksjournalisten) die welbewust een bepaald keurkmerk hanteren. Als ik naar de slager ga, kan ik kiezen tussen de kiloknaller en de keurslager, met verschillende prijs en kwaliteit. En, om het op andere professies te houden, vergelijk het met medische en psychologische beroepen: als ik naar een (alternatief) genezer of therapeut gaat, kan ik zien welk specialisme hij of zij heeft en van welke vereniging(en) deze lid is (ik weet wat ik kan verwachten, welke aanpak gehanteerd wordt, wat de reputatie is). Goede journalistiek moet haar positie in de nieuwe, open en multimediale omgeving nadrukkelijker markeren. Dat is heel wat anders dan het dichtgooien van de professie: ieder mag zich journalist noemen, maar er is een groot verschil tussen burgerjournalisten en professionele journalisten en dat mogen en moeten we weten ook, niet in de laatste plaats de burger die dan weet waarvan hij kennisneemt en – als het even kan – daarvoor ook betaalt.

    Tot zover mijn eerste reactie – ik moet nu naar een alternatief genezer voor een rare allergie waarmee de gevestigde geneeskunde geen raad weet; die alternatief genezer voert overigens een duidelijk keurmerk in een open beroep en markt – en ik volg de verdere discussie met belangstelling.

  9. Pingback: Ontmoeting journalisten en mediawetenschappers « De nieuwe reporter

  10. Pingback: Laat de journalist een voorbeeld nemen aan de slager « De nieuwe reporter

  11. Pingback: Om te overleven moet de journalistiek een sterk merk worden | Kimforum

  12. Pingback: Onderzoek naar de journalistiek: te weinig focus op de praktijk en toekomst « De nieuwe reporter

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Blog (382 van 899 artikelen)


Serie: Toekomst voor de journalistiek (2) Gister hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek ...