
Serie: Toekomst voor de journalistiek (8 en slot)
Onlangs hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn oratie over de toekomst van de journalistiek. De Nieuwe Reporter publiceerde zijn betoog in verkorte vorm, waarop zeven reacties binnenkwamen. Vandaag sluit Bardoel de serie af met een laatste reactie-op-de-reacties.
Ik ben om te beginnen heel blij met de vele reacties op mijn oratie Toekomst voor de journalistiek, anderhalve week geleden aan de Radboud Universiteit. Zo’n openbare lezing is bedoeld om je positie te markeren, je academische visitekaartje af te geven, en ook om bij te dragen aan het professionele en maatschappelijke debat. En dat lijkt aardig gelukt, zowel in traditionele media als kranten (NRC, Trouw, De Gelderlander, Dagblad de Pers) als via nieuwe platforms als De Nieuwe Reporter en PowNed. Het is ook een mooi voorbeeld van – wat ik in mijn proefschrift in de jaren negentig noemde – de voortschrijdende mediatisering van het maatschappelijk middenveld, waarin internet een sleutelrol vervult. Liever nog dan via dit platform reageren wil ik met betrokkenen in rechtstreeks debat, zoals bijvoorbeeld afgelopen donderdag met Wansink en Brussen via BNR Nieuwsradio.
Misverstanden
Uit alle reacties begrijp ik dat mijn pleidooi voor een journalistiek keurmerk op verschillende manieren is misverstaan. Op de eerste plaats blijkt uit de reacties dat men bij een keurmerk al rap denkt aan een rol voor de overheid. Blanken stelt bijvoorbeeld dat hij zich niet kan voorstellen dat ik met mijn pleidooi voor een journalistiek keurmerk terug wil naar de tuchtrechtspraak van vroeger (of zoals een reaguurder bij PowNed snedig opmerkte: Groeten uit Noord-Korea, meneer Bardoel).
Inderdaad, ik vind dat de journalistiek zich beter moet ‘branden’, om als kostbare activititeit te midden van steeds meer gratis en gestuurde informatie nog een kans te maken en verkoopbaar te zijn. Het journalistieke profiel gaat immers steeds minder samenhangen met het merk van de krant of de omroep, en in een internetomgeving zullen verhalen vaker los verkocht worden. Wat ik kennelijk onvoldoende duidelijk heb aangegeven – want vanzelfsprekend vind – is dat die scherpere profilering door de beroepsgroep – of delen daarvan – zelf moet gebeuren, en dat daar dus in het geheel geen rol voor de overheid of justitie ligt.
Een tweede misverstand is dat ik de journalistiek tot een gesloten beroep zou willen maken, of zoals Blanken het keurig formuleert: afbakening van het vak in plaats van openheid. Ik vind dat de journalistiek een open beroep moet blijven; iedereen mag zich journalist blijven noemen en de uitingsvrijheid komt op geen enkele manier in gevaar.
Maar ik stel ook dat de kwaliteit en herkomst van professionele journalistieke informatie in een multimediale omgeving veel beter gemarkeerd moet worden: door oude en nieuwe mediaplatforms als bestaande kranten en omroepen (ook op internet) en het gestolde vertrouwen dat hun merken tot betrouwbare bakens maakt, en door auteurs die op eigen titel naam en faam verwerven (zoals Blanken voorstelt), en daartussenin allerlei andere kwaliteitskeurmerken – en daar doelde ik ook op – van groepen journalisten (bijvoorbeeld onderzoeksjournalisten) die welbewust bepaalde keurmerken hanteren.
Naar een volledige openheid
Als ik naar de slager ga, kan ik kiezen tussen de kiloknaller en de Keurslager, met verschillen in prijs en kwaliteit. En, om het op en vergelijking met andere professies te houden, kijk naar medische en psychologische beroepen. Als ik naar een (alternatief) genezer of therapeut ga, kan ik zien welk specialisme hij of zij heeft en van welke vereniging(en) deze lid is (en weet ik wat ik kan verwachten, welke aanpak gehanteerd wordt, wat de reputatie is en waar ik bij klachten terecht kan). Tegelijkertijd kan iedereen zich therapeut noemen, een bordje op de deur (en/of op internet) spijkeren en zijn of haar diensten aanbieden; er is, kortom, volledige openheid en toegankelijkheid.
Zo zal het ook de journalistiek vergaan: iedereen kan zich en zal zich journalist – of wat dan ook – noemen en iedereen kan deelnemen aan de maatschappelijke informatievoorziening. Maar kwaliteitsjournalistiek moet haar positie in de nieuwe, open en multimediale omgeving nadrukkelijker markeren en daarvoor ook uitkomen. De beroepsgeschiedenis van andere professies laat zien dat je het in een open omgeving zonder expliciete professionalisering en profilering eenvoudigweg niet redt. Vooral nieuwe en jonge journalisten – ik zie het aan mijn studenten – zullen als kleine zelfstandigen, als freelancer of zzp’er, de kost moeten verdienen en daarvoor is het beter afgrenzen van het beroep – zowel naar kennis en vaardigheden als naar ethiek – onvermijdelijk.
De onschuld voorbij
Dat is heel wat anders dan het dichtgooien van de professie: iedereen mag zich journalist noemen, maar er is en blijft wat mij betreft een groot verschil tussen burgerjournalisten en professionele journalisten en dat mogen en moeten we weten ook, niet in de laatste plaats de burger die dan weet waarvan hij kennisneemt en – als het even kan – daarvoor ook betaalt.
Er zijn er ook die het liefst de media en de journalistiek tout court als achterhaalde en paternalistische instellingen willen afschaffen en de openbaarheid willen teruggeven aan de samenleving van burgers. In de discussie over mijn oratie zie ik dat bij profeten van de nieuwe platforms als Brussen, Blanken en Deuze. “Misschien is het tijd om simpelweg aan de journalistiek voorbij te gaan”, stelt Mark Deuze. In mijn jonge jaren heb ik dat ideaal van totale participatieve democratie ook voluit gedeeld, maar inmiddels ben ik de onschuld voorbij en zie ik de meerwaarde van professionals die ten behoeve van – en meestal ook betaald door – burgers aan waarheidsvinding doen en mede het maatschappelijk debat organiseren – laten we ze journalisten noemen.
Achterhaalde stellingname
Van de verder zeer inhoudelijke reacties via De Nieuwe Reporter stellen de reacties van Hans Wansink en Hugo Arlman me teleur. Wansink vindt dat mediawetenschappers die geen journalist geweest zijn geen recht van spreken hebben, en toont zich verongelijkt dat zijn boek De krant moet kiezen naar zijn zeggen door mediawetenschappers is genegeerd. Wat een achterhaalde stellingname: journalisten mogen zich met alles bemoeien, maar anderen moeten vooral van de journalistiek afblijven. Een betere illustratie van mijn frase, ergens in mijn verhaal, dat de journalistiek vroeger niet erg uitblonk in interne reflectie of zelfkritiek is nauwelijks denkbaar. Gelukkig denken steeds meer journalisten daar anders over, en is juist die zelfreflectie en dat debat, mede dankzij de inbreng van allerlei – ook academische – kanten, sterk toegenomen.
Voor de rest verwijs ik naar de reactie van Mark Deuze die ik met smaak gelezen heb. En ja, ik heb Wansinks boek wel degelijk van kaft tot kaft gelezen, maar vond de analyse – kort gezegd – waardevol maar ook de oplossing ontoereikend, en wil dat graag op een goed moment nog eens toelichten.
Op Arlmans reactie hoef ik niet echt in te gaan, want hij diskwalificeert zichzelf door eerst te melden dat hij – met een beroep op Karel van het Reve – alleen de samenvatting van mijn oratie heeft gelezen en vervolgens niettemin mee te delen dat dit geen wetenschap is. Ik zou zeggen: lees de tekst, binnenkort ook met alle verwijzingen en reageer dan inhoudelijk. En een onderbouwd oordeel over de vraag of iets wetenschap is of niet, is in academische kringen gelukkig voorbehouden aan collega’s uit verwante disciplines.
Een overzicht van de andere bijdragen in deze serie vindt u hier.
12 reacties