Zeeuws drama (1) – Hoe Wegener de waakhond kwaad kreeg

denieuwepersWegener was en is nog altijd van oordeel niet in strijd te hebben gehandeld met de in 2000 met de NMa gemaakte afspraken over de Zeeuws-Vlaamse edities van PZC en BN/De Stem. De NMa stelt echter dat Wegener de afspraken heeft geschonden. Een conflict waarbij méér op het spel staat dan 20 miljoen euro. Onderstaande reconstructie van dit drama is overgenomen uit De Nieuwe Pers, een nieuw tijdschrift van het Stimuleringsfonds voor de Pers dat vanaf vandaag wordt verspreid. Vandaag publiceert De Nieuwe Reporter deel één; deel twee volgt maandag 2 november.

“Als een zware misdadiger verhoord”

Op een zonovergoten herfstochtend in 2009 meldden zich tientallen rechercheurs van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) bij de kantoren van BN/De Stem en de Provinciale Zeeuwse Courant in Breda, Middelburg en Terneuzen. Peter Jansen, hoofdredacteur van de PZC, is er nog razend om: “Hier stonden opeens allemaal mannen in een pak. Ik mocht mijn computer en mijn mail niet meer aanraken, mijn tas niet meer oppakken. Ik werd naar een verhoorhok hier in het kantoor gedirigeerd en ben daar tien uur lang als een zware misdadiger verhoord.”Peter Jansen Op de burelen heersten verwarring en ontsteltenis. Sommigen ondergingen het vragenvuur gelaten, anderen beriepen zich op het zwijgrecht. Directeur-uitgever Ad Verrest stamelde ’s avonds op de radio niet te weten wat hij op zijn kerfstok had. “We hebben de negen jaar geleden door de NMa opgelegde aanwijzingen in praktijk gebracht.”

Een boete van 19 miljoen euro

Tien maanden later, op 14 juli 2010, is er opnieuw consternatie. De NMa maakt na bestudering van de gespreksverslagen en meegenomen documenten bekend dat Wegener de in het jaar 2000 gemaakte afspraken heeft geschonden. BN/De Stem en de PZC zouden onafhankelijk van elkaar blijven functioneren, was een van de afspraken. In plaats daarvan is er één organisatie gecreëerd en wordt het redactioneel en commercieel beleid van BN/De Stem en PZC voor Zeeuws-Vlaanderen op elkaar afgestemd. Koninklijke Wegener N.V. krijgt daarom een boete van 19 miljoen euro. Gelet op de rol die vijf leidinggevenden hebben gespeeld, worden ook zij persoonlijk beboet voor in totaal 1,3 miljoen euro. Binnen één jaar moet Wegener de Zeeuws-Vlaamse streekedities bovendien weer ontvlechten. Zo niet, dan verbeurt het bedrijf een dwangsom van 1 miljoen per kwartaal tot een maximum van nog eens 20 miljoen euro.

Een inbreuk op de persvrijheid

De mensen van Wegener kunnen hun ogen en oren niet geloven. In een persbericht verklaren ze dat het verbod op samenwerking tussen de twee titels een inbreuk op de redactionele onafhankelijkheid en daarmee op de persvrijheid betekent. Bovendien: “Het opleggen van boetes met een dergelijke hoogte getuigt niet van enig begrip voor de branche, de toekomst van regionale dagbladen en daarmee de pluriformiteit van de pers.”

Waar ligt de kiem van het conflict?

Toen Wegener in 1999 de Dagbladengroep van VNU wilde overnemen en daarvoor een vergunning bij de NMa aanvroeg, concludeerde de waakhond na uitvoerig onderzoek dat de voorgenomen concentratie een economische machtspositie zou opleveren in drie gebieden waar de activiteiten van Wegener en VNU overlapten.
In daaropvolgende onderhandelingen werd voor twee van die gebieden afgesproken dat Wegener activiteiten zou (door)verkopen. In “Zeeuws-Vlaanderen” mocht Wegener de activiteiten onder voorwaarden voortzetten. De pijn zat, en zit ’m nog altijd, in die voorwaarden.

Waarom maakte de NMa meteen zo’n punt van de situatie in Zeeuws-Vlaanderen?

De crux bleek volgens de NMa uit een interne strategische schets van Wegener, waarin werd gesproken van de overname van VNU Dagbladen ‘to reduce costly competition‘. De NMa zette dat motief af tegen de op dat moment nog gezonde concurrentie in Zeeuws-Vlaanderen tussen PZC en BN/De Stem. Die concurrentie leidde bijvoorbeeld tot extra streekgerichte rubrieken en katernen. De hoofdredacteur van de PZC had het in een interview ook erkend: zijn Zeeuws-Vlaamse editie kreeg meer nieuwspagina’s toebedeeld dan edities in gebieden waar slechts één aanbieder van regionale dagbladen zat.
De NMa rekende voor dat het gezamenlijke marktaandeel in Zeeuws-Vlaanderen na de overname circa 80 procent zou bedragen, met mogelijk negatieve gevolgen voor de lezer, zoals prijsverhogingen en verschraling van de inhoud van beide kranten. Ook adverteerders en toeleverende persbureaus konden er last van krijgen.

Wat hadden Wegener en VNU daar destijds op te zeggen?

Van KranenburgDat de NMa zich druk om niets maakte. Ze presenteerden een onderzoek (Hoehn en Van Kranenburg, 1999) waaruit bleek dat de concurrentiedruk van andere media prijsuitspattingen bij een monopolistische regiokrant vaak helpt voorkomen. Hetzelfde onderzoek maakte ook duidelijk dat uitgevers nog een tweede reden hebben om voorzichtig te zijn. Advertentietarieven worden in essentie bepaald door oplagecijfers, die weer afhankelijk zijn van het aantal abonnees en kopers van losse nummers. Uitgevers die hun kwaliteit verminderen of prijzen verhogen riskeren een lagere oplage en daardoor ook lagere advertentie-inkomsten.
Bovendien, vonden VNU en Wegener, was er door de opkomst van andere media concurrentie te over. De alleenheerschappij van het regionale dagblad brokkelde af. Consumenten kozen voor een landelijk dagblad en scharrelden hun regionale informatie bij elkaar bij lokale radio, tv, internet, kabelkranten en huis-aan-huisbladen. Ook waren er volgens VNU en Wegener steeds meer consumenten die maar matig geïnteresseerd zijn in de regio.

Bracht deze verdediging de NMa destijds tot inkeer?

Niet in het minst. Het geciteerde onderzoek vertekende de situatie, zei de NMa, omdat het over een periode ging waarin collectieve prijsafspraken binnen de hele krantensector golden. Die afspraken hadden de prijsverhogingen van dagbladen in Nederland afgeremd.
De NMa betoogde verder dat een economische machtspositie zich niet alleen in prijsverhogingen hoeft te vertalen. Er kunnen ook andere effecten optreden: minder gedegen journalistiek onderzoek, afnemende actualiteit van verslaggeving, minder kritische commentaren, kwakkelende betrokkenheid van het management.

Concurrentie tussen kranten is ook niet opeens passé, vervolgde de NMa, als andere media belangrijker worden. Dagbladen blijven uniek “door hun prijs, hoeveelheid informatie, aard en diepgang van de informatie, actualiteit, zesdagelijkse verschijningsfrequentie, functie in het dagelijks leven, presentatiewijze (papier), wijze van verspreiding, vormgeving en formaat”. Dagbladen zijn draagbaar en kunnen altijd en overal geraadpleegd worden. Weekbladen hebben niet de verschijningsfrequentie, actualiteit en tijdsgevoeligheid van dagbladen. Radio en televisie bieden een andere mate van breedte en diepgang, zijn doorgaans niet draagbaar en minder gerieflijk.
Dagbladen behoren kortom, vanuit lezersoptiek, niet tot dezelfde productmarkt als deze andere media.

Viel de NMa of Wegener/VNU tot aan dat moment in 2000 iets te verwijten?

Nee. Ze deden of reproduceerden voldoende onderzoek om de eigen stellingen te onderbouwen en luisterden naar elkaar.

Hoe kwamen ze uit de impasse?

De uitgevers bewerkstelligden een doorbraak. Wegener bood aan de onderlinge onafhankelijkheid van PZC en BN/De Stem na de overname in stand te houden en beide titels in Zeeuws-Vlaanderen te blijven verspreiden. De redactiestatuten van BN/De Stem en de PZC zouden in die zin worden aangepast. De desbetreffende vennootschappen zouden ieder een Raad van Commissarissen (hierna: RvC) krijgen, die voorafgaande goedkeuring moest verlenen voor besluiten die van belang waren voor de onderlinge onafhankelijkheid van de genoemde dagbladen. De helft van de commissarissen zou worden benoemd door een onafhankelijke derde. Personele unies tussen de RvC’s en besturen van de PZC en de uitgever van BN/De Stem waren uitgesloten.

De NMa stemde in met deze high trust-oplossing – Wegener ging zelf op naleving van de voorwaarden toezien – en gaf op 13 maart 2000 de vergunning af.

En toen was de vrede getekend?

Niet meteen. Nog hetzelfde jaar tekende Wegener, al betreft het een door haarzelf gedaan voorstel, beroep aan bij de rechtbank in Rotterdam en kreeg gelijk. De rechter stelde in september 2000 vast dat de voorgenomen concentratie geen mededingingsrechtelijke problemen zou veroorzaken. Uit het onderzoek van Hoehn en Van Kranenburg kon worden afgeleid dat zelfs in een zogeheten one-paper-situatie de gevreesde effecten niet of nauwelijks zouden optreden.
Op de Zeeuws-Vlaamse advertentiemarkt leidde de concentratie volgens de rechtbank wel tot een onacceptabele economische machtspositie. Desalniettemin achtte de rechtbank het beroep gegrond en vernietigde ze het NMa-besluit.

De jubel in Apeldoorn verstomt als het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de NMa korte tijd later alsnog (grotendeels) gelijk geeft. De NMa heeft volgens het College wel degelijk gerechtvaardigde kritiek geuit op het onderzoek van Hoehn en Van Kranenburg. Het is ook terecht dat de NMa dagbladen en andere media tot verschillende productmarkten rekent, stelt het College van Beroep. Vooral door hun “draagbaarheid” en de “eenvoudige raadpleegbaarheid van een veelheid aan informatie op door de consument zelf gekozen plaatsen en tijdstippen” onderscheiden dagbladen zich van de niet-geschreven media.


DNP De Nieuwe Pers is het kwartaalblad van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Wilt u dit blad over persbeleid en persinnovatie gratis thuisbezorgd krijgen? Laat dan hier uw gegevens achter.

Eén reactie

  1. Pingback: Zeeuws drama (2) – Wegener doet iets onbegrijpelijks « De nieuwe reporter

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>