Persverscheidenheid bepaalde 37 jaar zijn denken en doen. De perssector zag hij drastisch, soms dramatisch veranderen – en ministers komen en gaan. Het is nu mooi geweest, stelt hij. Tien vragen aan Lou Lichtenberg bij zijn afscheid als directeur van het Stimuleringsfonds voor de Pers.
Je hoeft hem niet te vragen of hij zich alle ministers en staatssecretarissen herinnert die sinds zijn aantreden bij het Fonds de mediaportefeuille onder beheer hadden. Natuurlijk doet hij dat! Als secretaris van de Persraad en parttime-medewerker van de directie Radio, Televisie en Pers bij het ministerie van CRM begon Lou Lichtenberg, in maart 1973, in de laatste weken van CRM-minister Piet Engels. Diens opvolger, Harry van Doorn (kabinet Den Uyl), richtte in oktober 1974 de Stichting Bedrijfsfonds voor de Pers op, waarvan Lichtenberg parttime plaatsvervangend secretaris werd. Daarna volgden op CRM de ministers Til Gardeniers-Berendsen (kabinet Van Agt-Wiegel), André van der Louw (Van Agt II) en Hans de Boer (Van Agt III). Na 1982, in de kabinetten Lubbers I en II, was Elco Brinkman minister van WVC, en vanaf 1989 – Lichtenberg was inmiddels directeur van het Fonds -, in kabinet Lubbers III, Hedy d’Ancona. Daarna kwam het mediabeleid onder de staatssecretaris van OC&W. Allereerst Aad Nuis, vervolgens Rick van der Ploeg, Cees van Leeuwen en Medy van der Laan. Vanaf Balkenende III was weer de minister eerstverantwoordelijke voor het persbeleid, achtereenvolgens Maria van der Hoeven, Ronald Plasterk en sinds 2010 Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart.
En aan welke minister of staatssecretaris bewaar je de beste herinneringen?
Lichtenberg: “Aan Harry van Doorn, Elco Brinkman en Hedy d’Ancona. De laatste ook omdat ze als minister begin jaren negentig bereid was het eerste exemplaar in ontvangst te nemen van mijn tijdschrift Scarabee, het huidige Archeologie Magazine. Daarbij sprak zij de historische woorden dat ze met de secretaris van het Bedrijfsfonds voor de Pers blij was met deze nieuwe loot aan de persstam.”
Welke minister of staatssecretaris gaf naar je mening de meest positieve impulsen aan het persbeleid van de overheid?
“Dat is zonder twijfel Harry van Doorn. Hij is echt trendsettend geweest met een meer actief persbeleid en een eerste, gedurfde, Medianota, waarin serieus aandacht aan de problematiek van de pers werd geschonken. Goede tweede is Elco Brinkman, die ook een – korte – medianota op zijn naam schreef, maar eveneens een echte Mediawet.”
Wat trok je aan in het werk voor het Bedrijfsfonds?
“Dat was het concrete werk. Bij de Persraad, die alleen maar adviseerde over allerlei perszaken, was dat vaak erg theoretisch. Maar het Bedrijfsfonds werd meteen neergezet als de hoeksteen van het persbeleid. Naast advisering aan de minister, voerde het heel concreet gesprekken met uitgevers, journalisten en onderzoekers over mogelijkheden en onmogelijkheden van financiële overheidssteun. Van het begin was het ook een club waarin belangen, buiten het algemeen belang, geen rol mochten spelen in de besluitvorming. Bij de Persraad was dat in theorie ook niet zo, maar in de praktijk speelden die zakelijke belangen van raadsleden (uitgevers, journalisten en kroonleden) wel degelijk een rol. Het Bedrijfsfonds, vanaf 2007 het Stimuleringsfonds, is steeds een gezelschap geweest waarin na gefundeerde discussie en op basis van steekhoudende argumenten besluiten werden genomen. Dat spel heeft mij steeds enorm geboeid.”
De perswereld is de afgelopen decennia drastisch, soms dramatisch veranderd. Welke veranderingen hadden de grootste impact op je werk?
“Allereerst de fusies en concentraties in vooral de regionale en lokale pers. Die leidden al in de jaren vijftig en zestig tot drastische veranderingen, maar in de volgende decennia en vooral in de jaren tachtig zijn van deze fusietendens vooral regionale dagbladen het slachtoffer geworden. Deels hield dat verband met een ontzuilingstendens, maar daarmee verklaar je deze teloorgang niet helemaal. Die werd ook veroorzaakt doordat uitgevers, in hun pogingen inkomstenverliezen op te vangen, ervoor kozen dat te doen via kostenbesparingen en vooral inkrimping, samenvoeging en opheffing van redacties. Bovendien werd daarbij vaak het mes gezet in kosten voor onderzoek en vernieuwing. Als je op dergelijke gebieden gaat snijden, haal je het elan uit een onderneming.”
“De tweede fundamentele verandering is de opkomst van nieuwe elektronische mogelijkheden voor informatie en andere data, met internet als voorlopige katalysator. Dat dit voor de pers veel consequenties zou hebben, werd ons begin jaren negentig duidelijk. Het bestuur besloot zich toen in binnen- en buitenland diepgaander te informeren over de ‘elektronische krant’. Met als gevolg een aantal beleidsessays waarin die informatie aan de perswereld werd overgebracht. Helaas heeft de pers pas relatief laat onderkend welke grote gevolgen deze veranderingen teweegbrachten, waarmee ook te laat werd ingezet op kansen.”
Het belang dat aan persverscheidenheid wordt gehecht, lijkt de laatste tien jaar aan erosie onderhevig. Hoe kijk jij daar tegenaan?
“De zorg voor persverscheidenheid, pluriformiteit, houdt verband met de uitingsvrijheid. Wat heb je immers aan uitingsvrijheid als er maar één bron zou zijn die de informatie kan brengen? Natuurlijk is de laatste jaren de verscheidenheid aan informatiebronnen in de vorm van persorganen, audiovisuele media, websites enz. alleen maar toegenomen. Maar daarmee is niet gezegd dat de maatschappelijke informatievoorziening beter is gaan functioneren. Veel burgers vinden in de informatierijstebrijberg niet meer de weg. Verscheidenheid is vaak schijnpluriformiteit, meer van hetzelfde. Dat maakt de functie van iemand die ervoor doorgeleerd heeft om op betrouwbare wijze te duiden hoe je de informatie uit verschillende bronnen moet plaatsen, tegen welke achtergronden, met welke (nieuwe elektronische en andere) middelen je die kunt doorgeven en dergelijke, mijns inziens steeds belangrijker. En ook hoe je de burger daarbij kunt betrekken, wat onder burgers leeft. Die ‘iemand’ is de journalist. De journalistiek is voor een echte uitingsvrijheid van levensbelang.”
Op welke resultaten van onderzoek of projecten die werden uitgevoerd met steun van het Fonds kijk je met de meeste tevredenheid terug?
“Al het onderzoek op het gebied van de elektronische krant, door derden of onszelf uitgevoerd, heeft beslist zoden aan de dijk gezet. Eigenlijk is al het onderzoek dat de persbedrijfstak als geheel ten goede tracht te komen zinvol geweest om ervan te leren. Ook de projecten die erop gericht waren persorganen van de ondergang te redden, niet door louter subsidieverlening om hun verliezen af te dekken, maar door ze ertoe te bewegen zelf initiatieven te ontwikkelen om metterdaad nieuwe paden in te slaan, hebben hun doel gediend. Verschillende dagbladen en tijdschriften zouden nu niet meer bestaan als ze die schoenlepel van het Fonds niet zouden hebben aanvaard.”
Op welke ontwikkelingen of resultaten van het Fonds zie je met minder tevredenheid terug?
“Met name dat we niet in staat zijn gebleken verschillende regionale kranten, die in de jaren tachtig en negentig op de tocht stonden, te helpen overleven in een nieuwe vorm.
Dat lag voor een belangrijk deel aan twee redenen. Allereerst onze wettelijke beperkingen: volgens de wet konden we pas iets doen als er geen andere financieringsbronnen meer aanwezig waren. In de meeste gevallen werden die regionale dagbladen in concernverband uitgegeven en de concerns waren, althans toen, nog niet verlieslijdend. Een tweede reden was dat uitgevers soms liever zelf een structurele oplossing voor hun verlieslijdende titel kozen, zonder de overheid daarbij te betrekken. Gelet op publieke taken van sommige persorganen valt een dergelijke keuze dan moeilijk te begrijpen.”
Hoe zie je de toekomstige functie van het Stimuleringsfonds temidden van de diverse fondsen die het kabinet op het gebied van cultuur wil samenvoegen?
“Het Stimuleringsfonds heeft steeds een duidelijke band gehad met de uitingsvrijheid, de zorgplicht van de overheid voor een goed functionerende informatievoorziening en journalistiek om onze democratie goed te kunnen laten functioneren. In die uitingsvrijheid en zorgplicht vindt het Stimuleringsfonds ook zijn bestaansrecht. Welke constructies er in de toekomst door de politiek met verschillende fondsen ook gekozen gaan worden, een ding moet voorop blijven staan: als aan die zorgplicht voor een goed functionerende uitingsvrijheid en maatschappelijke informatievoorziening maar uitvoering gegeven kan blijven worden door een onafhankelijk overheidsorgaan.”
Je gaat je proefschrift ‘Dilemma’s in het persbeleid van de overheid’ bewerken tot een algemene publicatie. Door je vertrek bij het Fonds kun je je daarin waarschijnlijk ook vrijerlijker uiten over het overheidsbeleid. Kun je daar nu al kort een voorschot op nemen?
“Ik beoog in dit boek in een meer anekdotische vorm te laten zien met welke discussies, in sommige gevallen worstelingen, je te maken krijgt wanneer je je op het snijvlak begeeft van een overheidsorgaan dat aan de ene kant passief moet zijn en zich volstrekt niet met de inhoud van uitingen mag bemoeien en aan de andere kant zich actief moet opstellen waar de zorgplicht voor uitingsvrijheid om de hoek komt kijken. Daarbij wil ik ook relevante vertrouwelijke informatie opnemen die ik in mijn proefschrift niet kon opnemen. Dat is van belang om te laten zien onder welke voorwaarden een orgaan als het Stimuleringsfonds kan blijven functioneren: net als de rechterlijke macht onafhankelijk van de overheid, toegespitst op het scheppen van voorwaarden voor de uitingsvrijheid, omgeven door voldoende checks and balances en met de constructie van een glazen huis. Dan alleen werkt het, zo hebben mij de afgelopen decennia geleerd.”
Heb je tot slot nog één keer dringende adviezen aan ministers, uitgevers of journalisten? En: ga je het missen?
“Natuurlijk zal ik de perswereld gaan missen, maar dat heeft meer betrekking op personen. En die hoop ik bij de vele gelegenheden die ik nog hoop bij te wonen veelvuldig te kunnen ontmoeten. En die adviezen: ik heb mijn ei gelegd in de verschillende publicaties die van mijn hand zijn verschenen en ik ga hopelijk nog een prachtig ei produceren in mijn komende boek. Ik voel weinig voor een orakelfunctie. Het is mooi geweest.”
![]() |
De Nieuwe Pers is het kwartaalblad van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Download hier het hele blad. |
Foto: Elisabeth Egon Viebre
