Toen de onrust in Syrïe de afgelopen maanden toenam en de media-aandacht navenant groeide, was er een groot probleem voor de media: er waren geen journalisten in Syrië om te vertellen wat er allemaal aan de hand was. Hoewel? Een Nederlandse journaliste, die werkte voor een Syrische krant, stond te trappelen om te vertellen wat ze om zich heen zag gebeuren. Gek genoeg was daar maar weinig belangstelling voor. Majorie van Leijen zag met lede ogen aan hoe de media slechts oog hadden voor hetgeen ze konden duiden als ‘revolutie’.
Ik durf het bijna niet meer te vertellen; ik zat in Syrië ten tijde van de Arabische lente. Ik woonde en werkte er, had er vrienden, zag er dingen gebeuren en besprak de situatie met mensen om mij heen. Ik was niet alleen ter plaatste, maar had ook nog eens de oprechte interesse de gebeurtenissen in het land te volgen en ze te plaatsen in een kader, me baserend op een redelijke achtergrondkennis van het land, die ik dankzij een opleiding Midden-Oosten Studies had opgedaan. En dat niet alleen. Ook had ik een journalistieke achtergrond, en de ambitie hier iets mee te doen. Je zou zeggen dat ik me op geen betere plaats had kunnen bevinden dan in Syrië op dat moment: alle ogen waren op het land gericht en ik was er. De kans om mijzelf te ontpoppen als deskundig journalist werd mij als het ware in de schoot geworpen. Toch ging er iets mis.
Het knaagt aan me. Elke keer als ik er aan terugdenk, vraag ik me af waarom ik nog steeds aan het denken ben. Af en toe probeer ik het voor mezelf goed te praten. Ik ben voorzichtig geweest, ik nam bewust geen risico’s, denk ik dan. Ik ben niet de straat op gegaan op zoek naar onrust, op zoek naar dé ooggetuige-ervaring die mij toegang zou bieden tot alle Nederlandse mediakanalen. Nee, daar was ik niet van gediend.
Ik herinner me het aanbod met een anti-regeringsdemonstrant te spreken toen de onrust net was uitbebroken, omdat er media-aandacht nodig was voor zijn kant van het verhaal. Nee, daar wilde ik niet aan beginnen. Ik wilde niet voor een karretje gespannen worden en vervolgens de klappen vangen. Ik wilde niet uit Syrië gezet worden wegens journalistieke bemoeizucht en ik wilde niet opgepakt worden, dat was mij al eens overkomen en hoewel het goed was afegelopen, was het geen pretje. Ik was mij zeer, en misschien wel te goed, bewust van mijn beperkingen en had deze geaccepteerd.
Regeringsgezinde krant
Zelfcensuur was in die dagen onderdeel van mijn dagelijkse werk. Ik werkte in Damascus voor een van de meest regeringsgezinde kranten van het land: Baladna. Er werd gefluisterd dat de eigenaar van deze krant een persoonlijke kennis was van de Syrische president, en het was dan ook geen verassing dat de krant ten tijde van de opstanden volledig de kant koos van de regering.
Als editor van de Engelstalige versie kreeg ik dagelijks berichten onder ogen over de ‘heldhaftige daden van het nationale leger’, de ‘afschuwwekkende acties van bewapende bendeleden die de eenheid in het land wilde verstoren’ en vooral heel veel lof aan president Bashar al-Assad. Dit soort artikelen kwam niet van onze eigen journalisten, die liever het gehele onderwerp ontweken door over neutrale zaken als ‘meditatie’ of ‘nieuwgeopende nightclubs’ te schrijven. Nee, dit soort artikelen werd rechtsstreeks overgenomen van SANA, een staatsmedium dat zelfstandig nieuws uitbrengt maar dus ook fungeert als een soort persbureau voor regeringsgezinde kranten als Baladna.
Afgezien van het feit dat dit medium alles behalve objectief is, liet ook de kwaliteit van de Engelse taal heel wat te wensen over en aangezien het mijn taak was deze kwaliteit voor Baladna te waarborgen, wilde ik nog wel eens aan dit soort artikelen snorren. Echter, sinds de onrust in Syrië was uitgebroken was dit verboden terrein. “Wanneer er fouten in de tekst van SANA staan is dat de verantwoordelijkheid van SANA”, vertelde de revolutiegezinde eindredacteur mij, zelf bang om de klappen te moeten vangen. “Alles wat van SANA komt dient letterlijk te worden overgenomen.”
Over Syrië vertellen
Het is duidelijk dat ik hier mijn ei niet kwijt kon. Dat was ook nooit mijn bedoeling geweest, ik wilde eigenlijk niet eens een editor zijn! Ik had die baan gezien als een kans om deuren te openen, connecties op te doen, bezig te zijn met het nieuws en tegelijkertijd te observeren hoe het er aan toeging op de redactie van een regeringsgezinde krant. Dat ik meewerkte aan een hoop onzin kon mij niet zoveel schelen, ik vond het allemaal reuze interessant.
Tegelijkertijd was mijn ambitie niet verdwenen. Ik wilde over Syrië vertellen, in alle openheid en vanuit mijn gezichtspunt. Er was van alles aan de hand in het land. Alles was in verandering sinds de eerste protesten waren uitgebroken en veranderingen zijn interessant. Mensen begonnen anders na te denken over politiek en over elkaar; een geheel nieuwe sociale structuur was zich aan het ontwikkelen. Openbare ruimtes kregen nieuwe functies, wijken in de stad nieuwe associaties, Facebook werd een oorlogsveld en de media een wapen.
Het waren vooral deze veranderingen die mij grepen; de dagelijkse gang van zaken die meer en meer doordrenkt werd van wat er aan onrust in het land gaande was. Het zijn de minder opvallende, maar zeer interessante gevolgen van politieke onrust, juist omdat het ieder individu bereikt tot op het persoonlijke, en niet alleen de uitzonderlijke activiteiten bevat van de enkeling.
“Wil je op de radio?”
Ik was dan ook razend enthousiast toen de NOS mij belde, of ik voor de radio iets in de nieuwsuitzending kon vertellen over mijn indrukken van wat er in het land gebeurde.
Ik was niemand meer dan een ooggetuige, naar voren geschoven door een oud mede-studente journalistiek die bij de NOS werkte en toevallig wist dat ik in Syrië zat. Maar opnieuw maakte het mij niet zoveel uit. Ik wilde graag vertellen over mijn indrukken, het waren er immers zoveel! Ik had geen demonstraties gezien, nee. Althans, niet tegen de regering. Wel heel veel voor! Duizenden mensen waren dagelijks op straat te vinden met nationale vlaggen, posters van de president en leuzen waarin zij hem steun betuigden.
Hier werd makkelijk overheen gepraat. Of ik merkte dat men zich meer ging uitspreken over politiek; hier kon ik wel heel veel over vertellen. Dit was inderdaad het geval! Men begon politiek interessant te vinden, iets waar een klein jaar ervoor geen sprake van was geweest. De eerste keren dat ik met de NOS sprak waren bevredigend. Ik was blij te vertellen wat ik wist en wat ik opgemerkt had en de interviewer leek tevreden met de door mij verschafte informatie.
Maar na een tijd vervlakten de gesprekken. Steeds vaker moest ik antwoorden dat ik ergens geen weet van had. Of de revolutie doorslaggevend was? Geen idee. Of het vooral jongeren waren die deelnamen aan de revolutie? Niet opgemerkt. Ook had ik nog steeds geen demonstraties voorbij zien komen, dit hoewel ik woonde in Rukneddin, de wijk waar het allemaal zou moeten gebeuren. En mijn observatie van grootschalige anti-regeringsdemonstraties was nog steeds niet interessant.
De media willen revolutie
Ik begon door te krijgen waar het om ging: de revolutie. Dit was de invalshoek die de westerse media gekozen hadden. Niet de onrust, de onbalans of de beginselen van een burgeroorlog. De revolutie stond in beeld; een veilig en politiek correct onderwerp waar het Nederlandse publiek zich makkelijk achter zou scharen.
Het feit dat deze revolutie door een groot gedeelte van de bevolking werd tegengewerkt, wilde veel mensen liever niet horen. Dat pastte niet binnen de gekozen invalshoek. Dat de revolutie met grof geweld werd bestreden door de regering weer wel. De informatie moest simpel zijn, hapbaar voor het publiek. Dodenaantallen deden het goed, vooral wanneer deze aantallen gebracht werden door mensenrechtenorganisaties, een term die aan het Nederlandse publiek kon worden voorgelegd zonder dat hier toelichting voor nodig was. Een uitzetting van wie er schoot op wie en hoe was weer te ingewikkeld.
Ik zag geen revolutie
De gekozen invalshoek was voor de handliggend, het was de invalshoek die men in Nederland zou begrijpen. Maar ik zag hem niet. Ik zag geen revolutie; ik zag mensen die het met elkaar oneens werden. Ik zag geen mensenrechtenorganisaties, want die zijn voornamelijk buiten Syrië actief. Ik zag geen doden en al helemaal geen aantallen, ik kon er niet eens een schatting van maken. Eigenlijk kon ik de situatie helemaal niet zo goed inschatten, althans, niet zo goed als de media dat konden. Ik zat er bovenop en middenin, maar het leek alsof ik minder van begreep dan welke journalist dan ook.
Het onbegrip dat ik ervaarde, ervaarden veel Syriërs met mij. Ik herinner me goed hoe de meeste van mijn vrienden in de eerste dagen van de onrust vooral bespraken wat ze gezien hadden, wat er op de hoek van hun straat was gebeurd en hoe zij dit zouden interpreteren. Iedereen kwam met een ander verhaal, afhankelijk van waar hij of zij woonde. Dan waren er de verhalen over vrienden, vrienden van vrienden en Facebookvrienden; dit soort verhalen waren meestal een stuk spannender en uiteraard weer anders dan het eigen verhaal.
En dan waren er de media; de twee totaal verschillende versies van wat er in Syrië gebeurde, afhankelijk van of het verhaal in Syrië, of buiten Syrië geproduceerd was. Deze verhalen waren bij uitstek het spectaculairst; aan beide kanten van het verhaal vielen er doden, werd er gevochten en was er sprake van, op zijn minst gezegd, onrust.
Tegelijkertijd kwamen geen van de versies overeen met wat men van dag tot dag meemaakte en obersveerde. Het gevolg was dat veel mensen niet meer wisten wie of wat ze moesten geloven, en zelfs niet meer begrepen wat zij zelf zagen. Er was een informatie-oorlog ontstaan, die net zo’n grote, al niet grotere impact had gekregen op het dagelijks leven van de Syriër als de oorspronkelijke opstanden waar het allemaal mee was begonnen.
Inmiddels is de situatie in Syrië veranderd. Het is allemaal nog erger geworden en ik zit er niet meer. Vanuit mijn nieuwe woonplaats, Dubai, lees ik de berichten: over de dreiging van escalerend sektarisch geweld, legerdefecties en nog steeds heel veel doden. Het lijkt er op dat het land meer en meer gepolariseerd is geraakt; je bent of voor, of tegen de regering. De contouren beginnen zich te vormen, er is meer duidelijkheid.
Of, misschien lijkt het maar zo. Misschien lijkt dit zo omdat ik over Syrië lees, en ik er niet ben. Omdat ik mijzelf informeer door gebruik te maken van verhalen, voorzien van invalshoeken, een begin en een eind. Wanneer ik deze verhalen lees, begint het weer te knagen. Waarom had ik dit alles niet gezien? Waarom heb ik dit niet kunnen vertellen?
Geen nieuwswaarde
Het leek zo simpel. En ik had verhalen verteld. Ik had verhalen geschreven over het onbegrip, de tegenstrijdigheden tussen dat wat de media berichtten en wat men in Syrië ervaarden en over persoonlijke verhalen van Syriërs en mijzelf. Ik had het naar verschillende media gestuurd en slechts een artikel van mij was geplaatst. Ik kreeg vooral de reactie dat men eigen personeel had voor het verslag uit brengen over de situatie in Syrië. Ook werd mij terecht gewezen op het feit dat mijn verhalen weinig nieuwswaarde hadden. Dat hadden ze inderdaad niet, althans niet in overeenstemming met het nieuws zoals dat gedefinieerd werd door de gevestigde media.
Gebakken lucht
Op dit moment lees ik een boek van Nick Davies, Gebakken Lucht heet het en het gaat over journalistiek. Het gaat over het onvermogen van het sowieso al dalende aantal werkende journalisten de waarheid in de wereld te achterhalen. Hij beschrijft hoe een klein groepje journalisten, de persbureaus genaamd, bepalen wat het nieuws van de dag is, en hoe dit vervolgens ongecontroleerd en vaak onveranderd wordt overgenomen door de rest van de internationale media, omdat zij niet het vermogen hebben elke gebeurtenis op elke plaats in de wereld bij te wonen en nog belangrijker: te bevatten.
En hoe ook de persbureus zelf dat vermogen eigenlijk niet hebben omdat ze de bemanning en tijd er niet voor hebben en hoe freelancers vaak niet welkom zijn omdat ze of te duur zijn, of niet serieus genomen worden omdat ze de persbureaus niet zijn. Hij schrijft dat als resultaat hiervan vaak één verhaal met één invalshoek gekozen wordt door alle media tegelijk als het verhaal dat dé waarheid zou moeten vertegenwoordigen.
Nu gaat het in het geval van Syrië om twee verhalen, met twee invalshoeken, maar de theorie kan haarfijn worden toegepast. Ik herken het in al zijn facetten. Het is precies deze gang van zaken die ervoor zorgt dat er een verhaal over Syrië de wereld wordt ingestuurd dat weinig te doen heeft met wat er werkelijk aan de hand is, of wat op zijn best gezegd een selectief deel ervan belicht, op soms ongenuanceerde wijze.
Frustratie
Het lezen van het boek neemt een beetje van mijn frustratie weg in dat opzicht dat ik mijzelf minder kwalijk neem dat ik de waarheid niet heb kunnen onthullen en heb kunnen overbrengen aan het Nederlandse publiek. Immers, als honderden journalisten en persbureaus niet in staat zijn dit juist te doen, ben ik dat in mijn eentje ook niet. Toch neemt het niet al mijn frustratie weg en blijf ik mijzelf een ding verwijten, namelijk dat ik, met mijn ambitie voeten aan de grond te krijgen als journalist en wetend wat ik had moeten doen om dit te realiseren, de regels van de journalistiek niet gewoon heb geaccepteerd. Ik heb mij daarvoor in de plaats blind gestaard op datgene wat veel meer op de realiteit leek, maar zich niet gemakkelijk liet vertellen.
7 reacties