Het wonder van de krant

Vanwege het negentigjarig bestaan van de Volkskrant verscheen vorige week het boek ‘Dag in, dag uit, een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant vanaf 1980’ van historicus Annet Mooij. Huub Wijfjes recenseert het boek voor De Nieuwe Reporter en Athenaeum.nl.

Als er één kenmerk in de geschiedschrijving van lang bestaande media naar voren komt dan is het wel het aanpassingsvermogen. Want de samenstellers van het medium kunnen het nog zo druk hebben met grootse plannen maken, identiteiten bepalen, elkaar bevechten en roekeloos investeren, zodra het product eronder gaat leiden is het einde verhaal. Want een lezer wil zijn krant en een kijker zijn rubriek. Elke dag weer, want daarvoor betaalt hij een krant of omroep: die moeten als kerntaak alert de vinger aan de pols houden. En dus blijven andere preoccupaties – hoe grotesk de ruzies ook zijn waarmee ze gepaard gaan – altijd op afstand van het productieproces. Zoals historica Annet Mooij schrijft in haar onlangs verschenen geschiedenis van de Volkskrant: ‘Het redactionele weefsel voorziet in een soort geruisloos lopende machinerie, die zorgt voor de dagelijkse productie en die door vrijwel niets van de wijs te brengen is. Wat er in de bovenkamers ook plaatsvond […] dat proces marcheerde onverstoorbaar door. Altijd.’

Gedoe

Wie het boek van Mooij leest, ziet inderdaad dat het soms een godswonder is dat de krant bleef verschijnen zonder dat de lezer ook maar iets merkte van de vetes die werden uitgevochten, de afrekeningen die plaats vonden, de groteske reorganisaties die werden uitgevoerd of de miljoenen die in aperte mislukkingen werden gestoken.

Bij de Volkskrant was dat misschien erger dan menig andere krant, want die krant heeft sinds 1980 een overgang moeten maken van een ideologisch gedreven links engagement naar een marktgedreven publieksoriëntatie. Dat ging niet zonder slag of stoot, want journalisten zijn niet de gemakkelijkste mensen als het gaat om het opgeven van de routines die ze gewend zijn, de normen die ze koesteren en de zekerheden van waaruit ze werken. Wat dat betreft zijn journalisten net mensen.

Maar bijzondere mensen. Althans dat zeggen ze zelf, zeker bij dagbladen. Want de krant zou nog steeds het leidende medium zijn, belangrijker voor de openbare meningsvorming dan al het andere journalistieke gedoe. Dat is een misverstand natuurlijk, maar die houding kleurde wel de felheid waarmee de discussies over de koers van de krant gevoerd werden. In Mooijs boek valt daarom vaak het woord ‘gedoe’. De 368 pagina’s die haar ter beschikking stonden zijn nauwelijks voldoende om alle fundamentele discussies van dertig jaar een beetje in kaart te kunnen brengen. En dan vervalt een auteur kortheidshalve al gauw terug op woorden zoals ‘gedoe’ om de chaotische toestanden nog een beetje in verband bij elkaar te houden. Erg verhelderend is dat dan niet en de belangstellende voor een van die vele conflicten en discussies blijft altijd teleurgesteld achter.

In de lengte, niet de breedte

Maar begrijpelijk is het wel, want het gaat om een langetermijnanalyse van een enorm veelzijdig product dat talloze dwarsverbanden heeft met maatschappij en cultuur en waar grote en creatieve persoonlijkheden aan verbonden zijn geweest. Neem alleen al uiteenlopende figuren zoals Jan Blokker (adjunct-hoofdredacteur tussen 1979 en 1984 en bijna een levenlang columnist) en Michaël Zeeman (zelfbenoemd hyperintellectueel, criticus, veelschrijver en chef Kunst tussen 1991 en 1993). Beide zijn al een volstandige biografie waard en hun rol in deze algemene geschiedenis van de Volkskrant is dus eigenlijk bij voorbaat te karig, hoewel datgene wat Mooij over hen boven water brengt best wel onthullend genoemd mag worden.

Het is het lot van de mediahistoricus en de resultaten van dat metier lijken dan ook te worden verdeeld in onderzoekers met een sterke focus op de institutionele omgeving (het karakter van het bedrijf, de ontwikkeling van de onderneming, de relatie met de politiek en dergelijke) en zij die de inhoudelijke ontwikkeling voorrang geven. De laatste jaren zie je de twee benaderingen wel naderen, maar een perfecte synthese lijkt onmogelijk.

In de geschiedenis van de Volkskrant zie je dat fraai terug. Het begon in 1981 met een bij uitstek institutionele geschiedenis door pershistoricus Joan Hemels, een boek dat uitblonk in de hoeveelheid feiten en feitjes over met name de vooroorlogse geschiedenis van de krant. In 1996 voegde Frank van Vree daar zijn journalistieke geschiedenis van de krant tussen 1945 en 1980 aan toe. Dat was bij uitstek een poging om de institutionele, economische en politieke verbindingen van de krant in synthese te brengen met de journalistiek-inhoudelijke kant.

De praktijk, niet de structuren

Een soortgelijke poging doet Mooij nu ook voor de periode na 1980, maar het resultaat is toch heel anders. Waar Van Vree een indrukwekkende en strak volgehouden academische analyse probeert te larderen met voorbeelden uit de dagelijkse redactionele praktijk, kiest Mooij veel scherper voor die praktijk alleen en relateert ze die vooral aan de bedrijfseconomische ontwikkeling van het PCM-concern. Op de redactie zijn vanzelfsprekend ook de meest boeiende anekdotes en sterke verhalen te vinden, die een journalistieke geschiedenis voor de journalisten zelf leesbaar en begrijpelijk houden. Van de drie historische Volkskrant-boeken zal Mooijs werk daarom ongetwijfeld als het meest genietbaar worden onthaald.

Hetgeen iets anders is dan een oordeel over de bijdrage aan het historische debat over journalistieke cultuur en de betekenis van een krant voor maatschappij en cultuur. Vooral dat laatste aspect ontbreekt vrijwel geheel bij Mooij, die zich ook niet heeft laten verleiden tot een systematische of kwalitatieve inhoudsanalyse van de krant. Voor de inhoudelijke ontwikkeling – bijvoorbeeld over de heikele vraag naar het vermeend verzwijgen van de nadelen van een multiculturele samenleving tot aan de opkomst van Fortuyn – verwijst ze naar bestaande zelfstudies van redacteuren. En die kwamen over deze heikele vraag bijvoorbeeld tot de conclusie dat een multiculturele doofpot bij de Volkskrant niet bestaan heeft en dus op een mythe berust.

Hoofdredactionele strijd

Dan blijft er nog heel veel te genieten over, want Mooij heeft haar verhaal geschreven op basis van oorspronkelijk archiefmateriaal, dat vanaf nu bij het Katholiek Documentatiecentrum in Nijmegen voor iedereen te raadplegen zal zijn. Althans deels, want Mooij heeft ook de personeelsdossiers kunnen raadplegen en dat soort privacy-gevoelig materiaal zal wellicht niet voor iedereen toegankelijk kunnen worden. Het is al een wonder dat Mooij die toestemming heeft gekregen. Het tekent het open klimaat bij de krant sinds Pieter Broertjes er in 1995 hoofdredacteur werd. Hij doorbrak op vele fronten de neiging van redacties om kritiek van buitenstaanders te voorkomen en zelfkritiek in de achterkamertjes van de journalistiek te houden.

Mooijs boek, dat in opdracht maar onafhankelijk van de krant is gemaakt, illustreert de toenemende transparantie in de journalistiek. Daarbij relateert Mooij de producten uit die praktijk (de rubrieken, de katernen, de koers van de nieuwskrant) primair aan de aard van het hoofdredactionele bewind en het gedrag van de eigenaren. Voor de hoofdredacteuren Harry Lockefeer (1982-1995) en Pieter Broertjes (1995-2010) krijg je dan ook stijgende bewondering. Niet alleen moesten ze de budgetten voor een immer hongerige redactie op een zakelijke en soms hardvochtige directie bevechten, maar ook nog het gekonkel en gekuip op de redacties weerstaan.

Want journalisten gaan graag hun gang en zien in elke bemoeienis van bovenaf een dreiging die met alle middelen bestreden kan worden. De behoedzame – je kan zelfs zeggen: in journalistieke zin nogal bleke – Lockefeer had voortdurend te lijden onder ideologisch verpakte tegenwind. En toen hij in 1995 zijn krant overdroeg na een periode van ongekende oplagestijging en journalistieke bloei, kreeg hij van zijn opvolger Broertjes de wind van voren. Op zijn afscheidsreceptie sloeg Broertjes Lockefeer om de oren met de belofte dat het vanaf nu allemaal anders moest, want blijkbaar was de krant het spoor volkomen bijster geraakt.

Broertjes en de krant van de eenentwintigste eeuw

Dat hoofdredacteur een ondankbare functie is, bemerkte vervolgens ook Broertjes zelf. Voor lang niet al zijn plannen om de krant ‘voor de eenentwintigste eeuw klaar te maken’ kreeg hij de handen op elkaar en bij het tegenhouden van plannen van anderen (bijvoorbeeld voor een gratis Volkskrant of een overgang naar het tabloid-formaat) was het vechten geblazen. Hij merkte ook dat zijn oorspronkelijk belofte om na vijf jaar het veld weer te ruimen een illusie is als je hemelbestormende plannen hebt.

Hem bleef echter het lot van Lockefeer bespaard, ondanks dat de krant na vijftien jaar Broertjes in oplage achteruit was gekacheld met 130.000 (37% van de oplage!). Bij zijn afscheid werd hij toegejuicht, misschien ook wel omdat hij de krant redelijk ongeschonden door het groteske debacle van het uitzuigen van PCM door de private investeerder APAX had geleid en uiteindelijk ook de succesvolle overgang naar tabloid in gang had gezet.

Ook Mooij is in een uitvoerige evaluatie van de periode Broertjes tamelijk mild over zijn bewind. ‘Broertjes liet een vitale krant achter die in de concurrentieslag met NRC Handelsblad een belangrijke voorsprong heeft genomen,’ concludeert ze niet helemaal overtuigend. Want NRC had met het succesvolle nrc.next en de vernieuwing van de hoofdkrant onder Birgit Donker en Peter Vandermeersch toch ook een aardige sprong naar een solide fundament gemaakt.

Broertjes toonde wel aan dat een hoofdredacteur niet alleen een ondernemer met een visie moet zijn, maar ook een journalist moet blijven. Aan een ondernemende manager die zich nauwelijks met de krant zelf bemoeit hebben journalisten een broertje dood, hoe succesvol hij ook is in zakelijk perspectief. Dan nog liever een ondernemende journalistieke manager. Die mag falen, als hij maar journalist in hart en nieren blijft.

Dag in dag uit. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant vanaf 1980.

Annet Mooij

€19,90

Bestel direct

Huub Wijfjes

Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus en verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is auteur van meerdere boeken en artikelen over (media)geschiedenis en journalistiek, waaronder: Journalistieke Cultuur in Nederland (samen met J. Bardoel, F. van Vree en C. Vos; Amsterdam University Press 2002) en Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, organisatie en cultuur (Boom Uitgevers 2004). In september 2009 heeft hij een multimediaal mediahistorisch project afgerond over de omroepvereniging VARA. Sinds maart 2011 is hij lid van de Commissie van Deskundigen van de Raad van Toezicht NOS.

Alle artikelen van Huub Wijfjes op De Nieuwe Reporter.

  • JB

    zodra het product eronder gaat leiden (=lijden) is het einde verhaal.

  • Huub Wijfjes was bij het schrijven van dit stuk ofwel een beetje dronken, ofwel in de war, ofwel beide. Ik lees zijn recensie en blijk een ander boek gelezen te hebben dan Wijfjes, terwijl dat toch dezelfde titel draagt. Bovendien blijk ik bij een andere krant gewerkt te hebben dan de krant waaraan ik zestien jaar verbonden was.

    Kijkers die de omroep betalen zoals lezers hun krant? De verschillen tussen die beide zijn groter dan de overeenkomsten. Was het een godswonder dat de Volkskrant bleef verschijnen ondanks vetes en groteske – van dat woord lust Wijfjes pap, net als van ‘relateren’ – reorganisaties? Integendeel. De dagelijkse productie liet en laat zich juist niet van de wijs brengen door gedoe, daar is geen wonder voor nodig, slechts routine – gedoe dat overigens zowel bij Wijfjes als in het boek van Mooij groter wordt gemaakt dan het in werkelijkheid was.

    Wijfjes gammel stilist. Uit 1 alineatje: ‘Bij de Volkskrant was dat misschien erger dan menig andere krant’ (dan bij?). ‘…als het gaat om het opgeven van de routines die ze gewend zijn’ (zijn er ook andere routines?). ‘… en dan vervalt een auteur kortheidshalve al gauw terug op…’ (valt terug?). ‘… om de chaotische toestanden nog
    een beetje in verband bij elkaar te houden’ (in verband en bij elkaar, nounou).

    Wijfjes. Is Michael Zeeman een biografie waard, een ‘volstandige’ zelfs, in 1 adem met Jan Blokker? Waar zat je onderscheidingsvermogen, of was dat even zoek tussen de ‘best wel’ onthullende wetenswaardigheden in het boek van Mooij (dat, hoewel interessant in zijn samenvatting, mij niets nieuws vertelde over Zeeman noch Blokker).

    Maar wat beweert Huub Wijfjes dan wel aangaande ‘het historische debat over journalistieke cultuur’? Quote: ‘Het is het lot van de mediahistoricus en de resultaten van dat metier lijken dan ook te worden verdeeld in onderzoekers met een sterke focus op de institutionele omgeving () en zij die de inhoudelijke ontwikkeling voorrang geven. De laatste jaren zie je de twee benaderingen wel naderen, maar een perfecte synthese lijkt onmogelijk.’

    Wat staat hier? Resultaten die worden verdeeld in onderzoekers? Twee benaderingen die elkaar naderen? Kreupele zinnen in een stukje waaruit ik maar niet begrijp hoe je als mediaprofessor kritisch zou kunnen denken over de Volkskrant in de twee voorbije decennia, over het boek van Mooij, of over de hoofdredacteuren (Lockefeer en Broertjes) die door Mooij worden opgevoerd als ‘dragers’ van het verhaal.

    Het boek van Mooij verdient een betere recensie, bedoel ik maar, ook op DNR. En een ruimere discussie. Hoe links is de Volkskrant inmiddels onder Philippe Remarque, hoe probeert die krant overtuigend progressief te zijn, hoe is de huidige toon ontstaan in de afgelopen jaren, hoe verandert de cultuur op de redactie, waar komt die nieuwe felheid vandaan, wat zijn de risico’s, hoe reageert het publiek? Wil iemand dat rare stuk van Wijfjes kortom even overdoen?