De hoofdredacteur, over ondernemend leiderschap in de journalistiek

Vergeleken met de meeste andere krantenlanden zijn Nederlandse hoofdredacteuren een curiosum. In een aantal gevallen ook karakterologisch, maar het unieke is vooral dat zij eindverantwoordelijk zijn voor de redactionele inhoud van de krant, maar geen financiële eindverantwoordelijkheid dragen. Deze gunstige positie, die de onafhankelijkheid van de krant moet garanderen en veiligstellen, is gestoeld op het redactiestatuut, dat weer wortelt in de wettelijke CAO. Een meerderheid van de hoofdredacteuren hecht aan het statuut, hoewel er natuurlijk altijd wel het een en ander te moderniseren valt. Sommige vakgenoten ervaren het statuut echter als knellend, vooral omdat zij al die inspraak van de redactie maar als remmend en hinderlijk ervaren op hun veldtocht naar mooie vergezichten.

Over die Nederlandse hoofdredacteur is natuurlijk al het een en ander geschreven. Vorig jaar publiceerde Arendo Joustra bijvoorbeeld zijn ‘Handboek Hoofdredacteur: Hoe je het wordt, bent en blijft‘. Maar nu is er ook vanuit de wetenschap kloek werk gemaakt van onze soort door de masteropleiding journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘De hoofdredacteur, over ondernemend leiderschap in de journalistiek’ is verschenen als studie van het Stimuleringsfonds voor de Pers. De auteurs zijn Huub Wijfjes en Bas de Jong (redactie).

Het boek kost twintig euro, en dat heb je er alleen al uit door een uitstekend essay over de diverse rollen van de hoofdredacteur en hoe deze zich door de tijden heen hebben ontwikkeld. Deze inleiding wordt gevolgd door een helder stuk over de positie van de hoofdredacteur te midden van alle woelige veranderingen.

Interviews met hoofdredacteuren

De hoofdmoot wordt gevormd door de interviews die Groninger studenten hebben gemaakt met maar liefst 45 hoofdredacteuren. Daarvan zijn er tenslotte twintig uitverkoren voor het boek, maar waarom is niet echt duidelijk. Kwamen de anderen niet uit hun woorden? Was het gesprek zo saai dat de student-van-dienst zachtjes in slaap is gedommeld? Of zei de desbetreffende hoofdredacteur nogal domme dingen? Dat laatste heeft, zoals wij aanstonds zullen zien, bij de eindselectie geen doorslaggevende rol gespeeld.

Veertien interviews van hoofdredacteuren ‘bij de pers’ hebben de eindstreep gehaald, elf mannen, drie vrouwen. Toen het boek van de drukker kwam, hadden vijf het hoofdredacteurschap inmiddels neergelegd, eentje bijna. Het kan op toeval berusten, maar het duidt ook op een zekere sleetsheid en vergankelijkheid. Zes omroephoofdredacteuren staan in het boek, en daarvan is er een alweer verdwenen.

Geen recept voor hoofdredacteuren

Het doel van de studie is ‘een stand van zaken op te nemen over de zelfopvatting van de Nederlandse hoofdredacteur’, wat meteen de lelijkste zin is een verder goed geschreven boek. Maar in zijn voorwoord, geschreven met een mooie Groninger beknoptheid, geeft Pieter Sijpersma, hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden en voorzitter van het Nederlandse Genootschap van Hoofdredacteuren, al aan dat een definitief recept niet wordt onthuld: ‘Hoe kun je een goede hoofdredacteur zijn? Dit boek geeft vele antwoorden. Dat ene doorslaggevende antwoord blijft uit. Het bestaat niet.’

De gesprekken geven een goed beeld van alle dagelijkse gedoe dat een hoofdredacteurschap ontegenzeggelijk met zich meebrengt. De gemiddelde hoofdredacteur maakt vele uren en heeft hart voor zijn/haar redactie. De hoofdredacteuren van dagbladen hebben bijna allemaal de overstap naar de tabloid al gemaakt, meestal met redelijk succes. Allemaal zoeken ze ook hun weg over het stenige pad naar een betere toekomst, dat meestal leidt langs allerlei onbestemde probeersels: een eigen tv-zendertje, jonge chefs voor de frisse wind, maar het gebrek aan ervaring blijft een gok, websites met en zonder slagboom, zelf toch ook maar directeur worden.

In veel gesprekken komt ook steeds de goede balans terug tussen waardering uiten en kritiek geven, plus de verhouding tussen de hoofdredacteur en de directeur/uitgever. De al wat oudere hoofdredacteuren vinden het oprecht jammer dat hun tijd steeds meer opgaat aan geregel, waardoor de journalistiek er bij inschiet. De jongere hoofdredacteuren laten zich er soms zelfs op voorstaan dat ze zelf geen letter meer schrijven.

Krankjorem verwijt

Wat hier en daar niet meevalt is het denkwerk dat een aantal jongere hoofdredacteuren, de veertigers aan wie de toekomst is, aan hun interviewers hebben meegegeven. Ze wijden mooie zinnen aan hun veranderingsgezindheid, maar echt concreet wordt het zelden. Nogal vermakelijk is in dit verband de hoofdredacteur van Het Parool, Barbara van Beukering. Zij sneert dat Rimmer Mulder, die de Leeuwarder Courant ingrijpend moderniseerde, en ik hoofdredacteuren van de oude stempel zijn, omdat wij, zo heeft zij vanuit Amsterdam waargenomen, ons in Friesland en Brabant nimmer bezig hielden met zaken als layout en commercie. Welk een krankjorem verwijt! Maar als dan haar eigen innovaties aan bod komen blijft de moderne tijd vooral steken in de door haar meegebrachte koekjes bij redactievergaderingen. Ook informeert ze altijd even naar het welbevinden van een redacteur die net naar de tandarts is geweest.

Maar er waren ook allerlei momenten dat ik een vreugdevol streepje in de kantlijn zette. Zo heeft voornoemde Pieter Sijpersma de sfeer op zijn redactie aanmerkelijk weten te verbeteren door de stroom intern mailverkeer rigoureus in te dammen. En de definitie van het hoofdredacteurschap die mij het meeste aansprak las ik bij de algemeen hoofdredacteur van de HDC Media, Jan Geert Majoor (62 jaar alweer, dus ook ongetwijfeld van de oude stempel):’Ik zie het als mijn belangrijkste taak te zorgen dat de redactie ombelemmerd kan werken aan haar geestelijk eigendom, de inhoud van de krant.’

Directeur/hoofdredacteur

In zijn slotwoord stelt Huub Wijfjes vast dat het steeds minder hoofdredacteuren lukt om te voldoen aan het oude adagium: hij hoort op de redactie te worden aangetroffen en hij hoort zelf te schrijven. Maar dat zo zijnde betrekt Wijfjes de stelling dat een hoofdredacteur die het geestelijk eigendom van de redactie met passie wil verdedigen, maar het beste directeur/hoofdredacteur kan worden, ‘want innovatie zonder journalistieke inbreng is onwenselijk’.

Een voorstel dat onlangs tot weinig enthousiasme leidde op de najaarsvergadering van het Genootschap van Hoofdredacteuren, waar Huub Wijfjes het boek presenteerde. Op die herfstige dag bleek overigens ook dat het hoofdredactionele vak er bepaald niet gezelliger op is geworden. Als eertijds het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren bijeenkwam voor de najaarsvergadering, begon het rituele vergaderdeel zo rond theetijd. Het gezelschap begon pas goed op sterkte te komen bij de borrel en de aansluitende maaltijd.

Ditmaal zorgde het bestuur ervoor dat de najaarsvergadering om klokke half vier was afgelopen, zodat de werklustige leden nog vóór de file de grote weg op konden.

Huub Wijfjes en Bas de Jong (red), De Hoofdredacteur, over ondernemend leiderschap in de journalistiek.
Een uitgave van AMB te Diemen, verkoopprijs 20 euro, ISBN 97890 79700 387.

Tony van der Meulen

Tony van der Meulen is oud-hoofdredacteur van het opinieweekblad De Tijd en het Brabants Dagblad. Hij is nu actief als columnist en auteur.

Alle artikelen van Tony van der Meulen op De Nieuwe Reporter.

  • Kees Spaan

    Het boek van Wijfjes c.s. lijkt weinig nieuws te bieden als ik de review in de dagbladen en de recensie van de door mij zeer gewaardeerde Tony van der Meulen mag geloven. De rolopvatting van de geinterviewde hoofdredacteuren past natuurlijk perfect in de traditionele receptuur. Jammer is dat er kennelijk geen onderzoek is gedaan naar de rolopvatting van directeuren/uitgevers. Voor zover ik begrepen heb is er niet één geinterviewd. Een beschouwing over de relevantie van het hoofdredactionele beleid voor de exploitatie van de krant en wat uitgevers daar dan wel van vinden ontbreekt. Zou het, om eens iets te noemen, niet aan die relatie gelegen kunnen hebben dat dagbleden niet tijdig zijn aangesloten op de digitale ontwikkeling. Dat geldt ook voor de “martelgang van manke nelis” op het gebied van copyrigjht. Die martelgang wordt treffend geillustreerd door het “laffe” hoofdstuk over dit onderwerp in het rapport Brinkman. Search engines waren in het hoofdredactionele- en uitgeversmillieu al snel een voldongen feit. Ik denk dat ik mijn tijd dus liever besteden zal aan het lezen van het laatste rapport van het Instituut Voor Informatie Recht (IVIR). “Fair Use in Europe. In search of Flexibilties”. Vrij vertaald “Vrij baan voor Google”. Ooit zou het IVIR een studie maken naar het bedrijfmatige effect van het redactiestatuut. Een juridische analyse was het gevolg. Mooi en op onderdelen verhelderend maar voorbijgaand aan de bedrijfseconomische belangen van de dagbladen. Het IVIR heeft althans tot op heden voor mij nog niet waarneembaar gerapporteerd over een adviesverzoek van het toenmalige bedrijfsfonds. Vraag van het fonds: beschermt de stand van het huidige recht de belangen van de dagbladen voldoende. Daar wilde het bestuur van het fonds kennelijk zelf de vingers niet aan branden. Vandaar verzoek om advies aan IVIR. Inmiddels levert het IVIR wel een studie naar ruimere flexibiliteit voor wat betreft “the limitations and exceptions to copyright”. Het resultaat zal ongetwijfeld door Google c.s worden uitgebuit. Daar heeft Google overigemns gelijk in. Ik ben de laatste die Google zijn kwaliteiten als bedfrijf kwalijk zal nemen. Ik citeer wel de laatste zin van het “Executive Summmary” van het IVIR rapport. “Funding for this project was secured from Google”. Gevolgd door de vertrouwde bezweringsformule: “The authors have however carried out this study in complete academic independence”. Dat dan weer wel. Ook dat type independence kennen hoofrdeavteurten oude stempel natuurlijk zeer goed. Voor de policy van Google heb ik begrip voor de prioriteiten van IVIR al een stuk minder. Voor de manier waarop het Stimuleringsfonds tot op heden met dit onderwerp is dat begrip afwezig.

  • Dat Kees Spaan met zijn theorieën dikwijls jaloersmakende abstractieniveaus bereikt, dat ben ik wel gewend; maar wat hij nu allemaal aan elkaar knoopt heb ik nog niet eerder gezien. Ik pik er een paar dingen uit. Zo voel ik me aangesproken als oud-hoofdredacteur (1995-2003). De indruk wordt gewekt, dat uitgevers in die tijd jonge, fruitige en vooral visionaire types waren die in hun enorme aandrang om het digitale pad te omarmen telkens weer stuitten op nukkige hoofdredacteuren die achter de borstwering van het redactiestatuut elke poging tot vernieuwing smoorden.
    In de filosofie noemen ze dat, meen ik, ‘verkeerd belicht bewustzijn’. In elk geval is mijn herinnering anders.
    Er was vanuit uitgevers doorgaans weinig tot geen belangstelling voor internet. Het was vooral een kostenpost en werd gezien als een buitengewoon bedreigende manier om ‘content’ panklaar aan te bieden aan iedereen die daar niet voor wilde betalen. Innovatie vond daarom plaats op de redactie. Zo was het Utrechts Nieuwsblad één van de allereerste dagbladen in Nederland waar de techniek rond E-paper werd ontwikkeld. Ik kan me niet herinneren dat dat in kringen van uitgevers met groot enthousiasme is ontvangen.
    Mijn uitgever in die tijd was trouwens Kees Spaan. Ik ben hem in die tijd zeer gaan waarderen en dat doe ik nog steeds. Maar ik weet, zodra hij gaat vertellen dat de ‘krantenwereld’ er heel anders had uitgezien als we maar naar Kees hadden geluisterd, dat er moet worden ingegrepen.
    Dan dat statuut.
    Voel ik me alweer aangesproken, omdat ik nu algemeen directeur van het Stimuleringsfonds voor de Pers ben. Ergens schrijft Kees dat het bestuur van het Fonds een onderzoek naar het redactiestatuut heeft uitbesteed ‘omdat het daar zelf de vingers niet aan wilde branden’. Iemand die zó lang uitgever en voorzitter van de NDP was zou toch moeten weten dat het Fonds vrijwel altijd onderzoek uitbesteedt omdat het daar zelf niet voor geëquipeerd is. Verder brengt dat uitbestede onderzoek geenszins de visie van het Fonds tot uitdrukking, maar is het juist bedoeld om de discussie over een onderwerp te faciliteren of los te maken (en dat is in dit geval ook gelukt).
    Dan krijgen we in de laatste zin van het betoog van Kees nog een veeg uit de pan. Helemaal duidelijk wordt het me niet, maar ik meen dat hij bedoelt nooit een deugdelijke rapportage te hebben gezien van het Instituut voor Informatierecht (IviR) ter afronding van een onderzoek naar dat redactiestatuut. Dat rapport is verschenen in 2006, er is zelfs een boek van gemaakt (ISBN 978 90 5589 283 9) en ik heb het Kees opgestuurd.
    Enfin, de woede van Kees werd, meen ik, ontstoken door een verhaal van Tony van de Meulen over een boek van Huub Wijfjes over hoofdredacteuren. Mooi eigenlijk, dat het woord hoofdredacteur voor een uitgever als Kees al genoeg was om vuur te gaan spuwen. Ook dat boek (het resultaat van een mede door het Fonds gesubsidieerd onderzoek) heb ik Kees opgestuurd. Misschien inspireert het hem om een aanvraag in te dienen voor een onderzoek naar positie en invloed van uitgevers door de jaren heen. Of zou hij bang zijn dat het resultaat een beetje tegen valt?
    René van Zanten

  • Kees Spaan

    Zo ken ik Rene weer. Mooie illustratie van het feit dat de muur van het redactiestatuut op strategische momenten dysfunctioneel was. Ten minste één resultaat van de door de uitgever van het UN financieel mogelijk gemaakte internet activiteiten op de redactie van het UN mag echter niet onvermeld blijven. Dat is de thans bloeiende onderneming van Henk van Esch een succes dat ik hem overigens meer dan gun. Goed voorbeeld ook van de weg die echte innovatie volgt. Creatief type die van Esch. Ook Rene was daar van overtuigd en ik hoop ook van het feit dat de internet activiteiten op de redactie de uitgeverij financieel niet iets noemenswaardigs hebben opgeleverd.
    Over die onderzoeken moeten we nog maar eens praten nu vast het volgende: Er is niets op tegen dat het fonds onderzoek uitbesteedt. Sterker nog dat verdient aanbeveling. Zeker bij een goede keuze van de onderzoekers. Ik verwijs in mijn reactie op Tony van der Meulen naar twee onderzoeken. Dat van Dommering c.s. naar de werking van het redactie statuut. Prima onderzoeker maar ondeugdelijke opdracht formulering. Die sloot onvoldoende aan bij de stelling die was betrokken tijdens het symposium ter gelegenheid van het afscheid van Gerard Schuijt van het IVIR. En dat was wel de bedoeling. Het rapport van Dommering bevatte alleen juristerij rond het statuut het effect op management en kostenontwikkeling ontbrak. De voorganger van Rene is daar nooit meer op terug gekomen. Het tweede onderzoek is door het Fonds bij IVIR geplaatst n.a.v een kennelijk te moeilijke subsidie aanvraag van de NDP in de slipstream van het rapport Brinkman. De NDP deed een beroep op het fonds voor de medebekostiging van juridische stappen die als investering moeten worden gezien om nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen of oude zeker te stellen. Voorbeeld was het proces tegen de staat der Nederlanden om betaling voor het gebruik van krantencontent voor electronische knipselkranten af te dwingen. Kennelijk had het bestuur van het fonds daar een onderzoek voor nodig alvorens een standpunt in te nemen. Hoe het ook zij IVIR levert eerst een onderzoek af met een pleidooi voor meer “Flexibiliteit” m.b.t “Limitations and Exceptions” binnen en buiten het “EU Acquis” lees “vrij baan” voor de “Fair Use” doctrine in Europa. Dat pleidooi wordt betaald door Google. Pas daarna komt “if ever” een rapport over de vraag van het fonds nav het NDP verzoek. Wellicht kan vooruitbetaling aan IVIR helpen. Tot slot: Het moet duidelijk zijn dat Rene en ik alleen in het geniep over collega’s, uitgevers én hoofdredacteuren roddelen. Daar beleef ik overigens net zo veel plezier aan als aan het lezen van de aanhef van zijn commentaar.

  • Bert Kok

    Overigens is het boek ook gratis (als pdf) te downloaden bij het Stimuleringsfonds: http://www.stimuleringsfondspers.nl/binarydata.aspx?type=doc&sessionId=ip4rk4550af23mzm5medu045/hoofdredacteuren-svdp_net.pdf