Nederland is een ‘journalistieke glossy’ rijker: PARK Magazine, dat vorige week werd gelanceerd. Dat klinkt veelbelovend. Maar wat is dat precies, een journalistieke glossy? “Ik wil infotainment,” zegt bedenker Marie-Nanette Schaepman in NRC Handelsblad van 12 december – het interview met haar en mede-hoofdredacteur Leon Verdonschot is onderaan dit artikel embedded. “Sterke, journalistieke verhalen van zo’n vijfduizend woorden, mooi gepresenteerd. De kunst van het vertellen, daar gaat het om.” Schaepman heeft twee benchmarks. Een Nederlands televisieprogramma: “Ik ben vol bewondering voor De Wereld Draait Door: inhoud brengen op een aantrekkelijke manier.” En een Amerikaans tijdschrift: “Ons grote voorbeeld is Vanity Fair, zonder dat we de Nederlandse Vanity Fair willen zijn.”
“Dit had ook in de LINDA kunnen staan”
Drie dagen later recenseert Peter Leijten het eerste nummer van PARK, ook in NRC Handelsblad – eveneens embedded hieronder. Hij begint met complimenten, onder meer voor de fotografie – “ronduit prachtig” – en het interview met Matthijs van Nieuwkerk – “heel aardig”. Dan verandert hij van toon: “Maar het is niet allemaal indringend, en ook niet verrassend.” Neem het profiel van, “hou je vast”, Monique van de Ven. “Dit had ook in de LINDA kunnen staan.” Waarna Leijten de makers van PARK hun tweede benchmark ten voorbeeld houdt. Vanity Fair bevat “een welhaast perfecte mix tussen inhoud (journalistiek!), verstrooiing, low culture, high culture”, met “aanzienlijk langere verhalen” dan PARK. “Wauw, nóg journalistieker dus.” Het blad voorpubliceert zowel uit een nieuw boek over de Kennedy’s als uit een biografie over – “ja, low culture!” – acteur Rob Lowe. “In zwembroek op de cover. Pats! Dat is genieten.” Conclusie van de recensent, tevens de kop boven zijn verhaal: PARK “is dus in ieder geval níét de Nederlandse Vanity Fair”.
Vanity Fair: entertainment with a twist
Daarmee doet Leijten geen recht aan PARK, en evenmin aan Vanity Fair. Wat maakt dat grote Amerikaanse voorbeeld zo bijzonder? Het blad draait om entertainment, inderdaad – maar dan with a twist. De titel is ontleend aan The Pilgrim’s Progress uit 1678 van de puriteinse Britse predikant John Bunyan, een allegorische vertelling die bol staat van de symbolische beelden. Het boek beschrijft hoe de hoofdpersoon, ‘Christen’, de ‘Stad van Verderf’ verlaat en na een tocht vol ontberingen de ‘Hemelse Stad’ bereikt, waar hij wordt verlost van een zwaar pak op zijn rug, dat staat voor zijn zonden. De vanity fair is een halte op die tocht: een eeuwigdurende ‘kermis der ijdelheid’, waar de mensen zich overgeven aan aardse geneugten. Bunyan hield zijn lezers een tijdsbeeld én een zedenspiegel voor, net als de Britse romanschrijver William Thackeray. Diens roman Vanity Fair uit 1848 schetst een satirisch portret van het rijke Victoriaanse leven, vol upstarts die een plaats probeerden te veroveren in de aristocratie. Thackeray en Bunyan schreven onsterfelijke klassiekers, die nog altijd worden gelezen en herdrukt, en tot op de dag van vandaag filmmakers en andere schrijvers inspireren.
Een evenwichtig beeld van roem, rijkdom en macht
Het magazine Vanity Fair portretteert de rijken en machtigen der aarde, maar dan met de intelligentie en de goede smaak van grote schrijvers, niet met het vettige voyeurisme van de roddelbladen. Rob Lowe wordt met respect geïnterviewd en beschreven, low culture of niet. Net als Monique van de Ven in PARK. De vele particuliere en professionele ups en downs uit haar leven zijn ongetwijfeld al vaker opgetekend, maar vast niet altijd op de manier waarop Pieter Webeling dat dit keer heeft gedaan. Zo ontstaat een evenwichtig beeld van roem, rijkdom en macht. Niet als een serie “wauw”-incidenten, maar als een product van succes en mislukking, waarbij de hoofdpersonen alle ruimte krijgen daar zelf op te reflecteren.
Een serveerster als heldin
Topgolfer Tiger Woods gaf zich jarenlang over aan een zeer menselijke en begrijpelijke verleiding: hij pakte iedere mooie vrouw die hij kon krijgen. Toen dat uitkwam en zijn huwelijk stukliep, werd hij gekielhaald door de massamedia. Alleen Vanity Fair kwam op het idee zijn vele vluchtige vriendinnen te portretteren. De heldin van dat verhaal werd Mindy Lawton, een serveerster in een diner waar Woods vaak aanlegde voor zijn ontbijt. Zij beschreef de ruige sex met de atleet als een opwindend avontuur, zonder een spoor van spijt of schaamte. Zonder enig verwijt ook jegens haar verleider, ofschoon zij wekenlang door paparazzi was belaagd. Vanity Fair liet Lawton fotograferen als de sexy ster die zij even was geweest.
Leidend in het onderzoek naar de kredietcrisis
Met dezelfde journalistieke zorg waarmee het blad de rijken en hun vele figuranten portretteert, beschrijft het hun omvangrijke maatschappelijke footprint. Vanity Fair is leidend in het onderzoek naar de kredietcrisis. Michael Lewis beschreef de opmaat in zijn boek Liar’s Poker uit 1989, over de gekte op Wall Street tijdens de beurshausse in de jaren tachtig en negentig van de 20ste eeuw. Voor Vanity Fair maakte hij prachtige reportages over het onvermijdelijke gevolg, bijna twintig jaar later: de ruïnering van IJsland, Ierland en Griekenland. De macht van de media, makers en brekers van de rijken, en reportages van het front van de War on Terror zijn twee andere hoofdthema’s van Vanity Fair. Erudiete en eloquente commentatoren als Christopher Hitchens, die vorige week overleed, maken het aanbod compleet. Lang voordat Mad Men Nederland bereikte, signaleerde James Wolcott al dat het beste drama tegenwoordig op de televisie is te zien, niet langer in de bioscoop.
Kroniek van een beschaving in verval
Het resultaat van deze aanpak is veel meer dan een simplistische ‘mix’ van high en low culture. Het eerste grote verhaal in het huidige nummer is een essay van Joseph Stiglitz. Om onze crisis te verklaren gaat deze vooraanstaande econoom terug naar de Grote Depressie van de jaren dertig. Toen maakte de wereldeconomie een aardverschuiving door: van landbouw naar industrie. Nu ook, van industrie naar dienstverlening. Dát is de oorzaak, aldus Stiglitz. Falende banken zijn slechts het symptoom. Dan is Kurt Andersen aan de beurt. Kleding, gebouwen, auto’s: in de vorige eeuw maakte de populaire cultuur in de VS iedere twintig jaar een reuzensprong. Behalve tussen 1990 en nu, zo toont hij aan de hand van treffende beelden. Verderop brengt Todd Purdum de gevolgen in kaart van de Amerikaanse imperial overstretch sinds 1945. Het ‘militair-industriële complex’ rond het Pentagon, waarvoor president Eisenhower al waarschuwde in zijn afscheidsrede uit 1961, heeft economie en samenleving totaal overwoekerd. Uit deze drie verhalen tezamen rijst het beeld op van een beschaving in verval. De allure en energie van Lady Gaga op het omslag onderstrepen dat alleen maar.
Een formule die teruggaat tot 1914
Zo ver is PARK nog lang niet. Dat kan het ook niet zijn. De formule van Vanity Fair gaat terug tot 1914, toen bladenmaker Condé Nast een platform creëerde voor de beste schrijvers, journalisten en critici. Gedwongen door de nasleep van de beurskrach van 1929 moest Nast het blad in 1936 laten opgaan in Vogue. De erfgenamen van zijn imperium lieten het in 1983 herleven. Het huidige Condé Nast Publications is een miljoenenconcern, dat naast Vogue en Vanity Fair ook The New Yorker uitgeeft. PARK wordt uitgegeven door WPG Uitgevers, bekend van Vrij Nederland en Opzij, maar Schaepman en Verdonschot zijn de enige twee journalisten in vaste dienst; de overige medewerkers zijn freelancers. In zijn recensie vergeet Peter Leijten het beste verhaal uit het eerste nummer te noemen. Peter Buwalda, schrijver van de roman Bonita Avenue en ooit een behoorlijk goede judoka, gaat op visite bij zijn oude held Wim Ruska, de tweevoudige Olympische kampioen die na een hersenbloeding aan een rolstoel is gebonden. Ruska’s vrouw Liza vraagt de bezoeker “of ik hem duwen wil? Wim was een pestkop, gaat ze verder, altijd geintjes, een beetje jennen vond hij het leukste wat er was, maar nooit gemeen – begrijp je?” En dan vervolgt Buwalda:
“Ik begrijp er niks van. Jeroen, de fotograaf met wie ik naar Hoorn ben gereden, heeft het woonerf afgezocht naar een herfstige plek om foto’s te maken, en nu duw ik als een verhuizer met een koelkast op zijn steekwagen de legendarische Wim Ruska over de stoep?”
Relevant aan PARK is wat het wél is. Met dit eerste nummer maakt het nieuwe magazine een veelbelovend begin.

