Debat over sportjournalistiek

In de sportjournalistiek komen relevante feiten niet altijd in de krant

In een volle zaal debatteerden Jaap de Groot (Chef sport De Telegraaf), Bert Wagendorp (De Volkskrant), Jeroen Wielaert (NOS radio) en Peter Vandermeersch (NRC) afgelopen donderdag over de kwaliteit van de Nederlandse sportjournalistiek, geprikkeld door een ‘stevige’ maar vooral ook nostalgische column van de voormalige chef sport van NRC Handelsblad, Guus van Holland. NRC organiseerde het debat ter gelegenheid van het vertrek Van Holland bij die krant. De ronkende titel van het debat ‘Liefhebber, gevangene van een commercieel circus of volwaardig recensent en onderzoeksjournalist?’ had, naast genodigden, in elk geval flink wat middelbare en enkele jongere mannen en een sporadische vrouw naar de Rode Hoed gelokt. En gezien recente ontwikkelingen en de samenstelling van het debatpanel, zou het ook zo maar echt ergens over kunnen gaan, wie weet op het scherpst van de snede, dat laatste was in elk geval wel de bedoeling, aldus debatleider Mart Smeets.

Maar echt scherp gedebatteerd werd er de hele avond niet.
In zijn column sprak Guus van Holland uit beeldend geschreven sportjournalistiek te missen in de hedendaagse sportjournalistiek. Om dat te kunnen doen moet je kunnen schrijven, maar ook kennis hebben van de sport, en vooral op zoek zijn naar wat de sportende mens drijft om te doen wat hij doet. Maar sportjournalisten hoeven tegenwoordig geen kennis meer te hebben. En goed schrijven hoeft ook niet meer. Quotes moeten ze hebben, scoren met oneliners is wat telt. Opwinding buiten het veld is belangrijker geworden dan de sport zelf. De ‘echte’ sportschrijver wordt ondergewaardeerd, stelt Hollander, en vraagt zich vervolgens af of de sport zelf niet opwindend genoeg meer is.

De gepeperde column, bleek vooral nostalgisch. Het wat gezapige debat dat vervolgens op gang kwam leidde langs drie stellingen, losjes gebaseerd op Van Hollands column: ‘algemene journalisten kunnen geen goede sportjournalistiek schrijven’; ‘sportjournalisten schrijven met gevoel voor drama’; en ‘sportjournalisten zijn te veel op zoek naar roddel en achterklap.

Specialisme

Volgens Vandermeersch kan geen enkele journalist over een onderwerp schrijven zoals een specialist dat kan, of het nu politiek Den Haag betreft, of de sport. Wagendorp reageert daarop door te stellen dat een goede journalist “overal over kan schrijven”, maar nuanceert dat later door te zeggen dat je niet zonder passie voor je onderwerp kunt. De Groot draait de stelling om: de sportjournalistiek is een goede leerschool, je wordt er een goede verslaggever van. De sportwereld is er een waar men zijn best doet zaken te verhullen en daar moet je je vinger achter krijgen, aldus Wagendorp.

En het vaak genoemde dedain voor de sportjournalistiek, duidt dat niet op het tegenovergestelde? Dat dedain is grotendeels verdwenen, zo knikken de heren eensgezind. Met de sport, is ook de sportjournalistiek in Nederland geëmancipeerd.

Drama

Heeft goede sportjournalistiek drama nodig? De Tour de France is ontstellend saai zonder verhalen, stelt Wagendorp. Drama moet niet de boventoon voeren, goede sportjournalistiek heeft vaak ingehouden drama in zich, vult Vandermeersch aan. Sport wordt interessant door de verhalen, hoe is die atleet zo ver gekomen? Lance Armstrong overwint kanker en wint vervolgens zeven keer de Tour.

De heren lijken het weer snel eens te zijn, maar uit het publiek klinkt gemor. Kan een wedstrijd niet een verhaal in zich zelf hebben? Drie renners op een berg maken ook een verhaal, los van hun bagage. Het drama hoeft er dus toch niet altijd bij gesleept te worden, maar komt net zo goed (of misschien wel liever) uit de sport zelf. Drie kale renners op een kale berg doet miljoenen kijkers schuiven naar het puntje van hun stoel. Ook zij die zich laten opwinden door het verhaal er omheen moeten dat beamen.

Roddelpers

En dan de vermeende roddel en achterklap op de sportpagina’s waar Van Holland tegen ageert. De Groot herkent zich daar helemaal niet in: “Ik heb daar niets mee”. Wat Wesley Sneijder en Yolanthe uitspoken, daar mag Wilma Naninga zich mee bezig houden, maar dat komt niet in de sport. Roddel hoort helemaal niet in de krant voegt Vandermeersch daar aan toe.

Maar hoort die privésfeer dan helemaal niet in de sport, is die altijd irrelevant? Soms blijkt dat (achteraf) wel degelijk relevant, refereert Wagendorp aan het WK van 1974. Daar werd toen niets over geschreven, maar had dat wel gemoeten? Een goede journalist heeft daar gevoel voor, stelt De Groot, entertainment kan sportnieuws worden.

En passant komt het probleem naar voren dat sportjournalisten vaak meer weten dan ze opschrijven. Vandermeersch stelt dat in het geval van de Belgische wielrenner Johan Museeuw sportjournalisten al lang wisten van doping. Maar blijkbaar is er sprake van een soort ‘Omerta’ tussen sport en sportjournalisten en zijn er relevante feiten die we niet in de krant zetten. Dat is zowaar een stevige constatering.

Vrouwen in de Tour

Maar, bij een constatering blijft het. En ook bij de volgende gelegenheid om de waarheidsvinding in de sportjournalistiek kritisch tegen het licht te houden, wordt deze door Smeets met een flauw grapje snel weggewuifd. Uit het publiek komt de vraag waarom sportjournalisten vaag zulke desastreuze gevolgen suggereren van contact tussen sporters in een toernooi en hun familieleden. Waar is dat idee op gebaseerd? Is er bewijs? Het panel laat deze vraag stoïcijns aan zich voorbij gaan, zodat Smeets er een seksgrapje over kan maken en het daarmee kan afserveren.

Voor wie ben jij?

Onlangs debatteerden Van Holland en AD Sport chef Chris van Nijnatten bij Vara’s Waan van de Dag over de vraag of onpartijdige sportverslaggeving mogelijk is. En hoewel dit debat tal van mogelijkheden biedt om die kwestie van tal van kanten te belichten en in te gaan op de algemene journalistieke kwestie van objectiviteit, of in elk geval feitelijkheid, accuraatheid en zorgvuldigheid, werden deze omzichtig vermeden door panel en debatleider. Toen de naam Cruijff een keer viel werd deze door Smeets onmiddellijk van tafel geveegd met de woorden ‘daar zouden we het niet over hebben’.

En wanneer Wielaert een keer kritisch dreigt te worden ten opzichte van De Telegraaf trekt hij zich acuut – onder wat boegeroep uit de zaal – terug achter zijn glas wijn. Scherp op de snede werd het, hoe nodig ook, dus nooit. Zonder echt debat, ook geen andere conclusie dan dat het een gezellig samenzijn was. In de woorden van de oud-sportjournalist Ben de Graaff: “Over de kern van de zaak –objectiviteit- werd niets gezegd”.

Pytrik Schafraad –

Pytrik Schafraad is docent communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar nieuwsframing en de invloed van bronnen op het nieuws.

Alle artikelen van Pytrik Schafraad op De Nieuwe Reporter.